Het landschappelijk bodemonderzoek en de proefsleuven registreerden een bodem opgebouwd uit kleiige hellingssedimenten, waarin lokaal in het westen een pakket colluvium van 5 tot 26 cm dik werd geattesteerd.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden onder de Ap-horizont en het colluvium bewoningssporen uit de vroeg-Romeinse periode (midden tot tweede helft 1e eeuw n.Chr.) geregistreerd. Dit omvatte 11 erfindelings- en afwateringsgreppels met haakse aftakkingen alsook 1 paalspoor en 5 kuilen (waarvan één met verbrand bot). Het geassocieerde vondstmateriaal uit deze sporen bestaat uit vroeg-Romeins aardewerk, waaronder terra rubra, oxiderend en reducerend gedraaid aardewerk en lokaal handgevormd vaatwerk. De sporen maken deel uit van een rurale nederzetting gerelateerd aan landbouw en veeteelt.
Vrijwel direct onder de Ap-horizont (op ca. 30 cm -mv) en rustend op het colluvium werden talrijke sporen uit de Eerste Wereldoorlog geattesteerd: 10 loopgraafsegmenten behorende tot een Duits loopgravenstelsel met gevechts- en verbindingsloopgraven uit 1915–1917; één houten schuilplaats/shelter van 2,5 bij 2,5 m grenzend aan een gevechtsloopgraaf, met bewaarde houten wand- en bodemplanken; en 35 inslagkraters/bomkraters met inclusies van shrapnel, glas, hout en pigtail pickets. 19 munitierestanten werden geregistreerd en veiliggesteld (waaronder 18-pounder en 4.5-inch artilleriegranaten, Duitse KKM patroonclips en een steelhandgranaat) alsook een Britse transportklem voor een artilleriegranaat.
Auteurs: Deconynck, Jasper; Anoniem; Van Poucke, Wolle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)