Naar aanleiding van de geplande riolerings- en omgevingswerken werd een archeologische opgraving in de vorm van een werfbegeleiding geadviseerd.
Het belangrijkste archeologische resultaat uit deze periode is de ontdekking van een zware bakstenen muur met een fundering op ijzerzandsteen en kwartsiet, rustend op een paalroosterwerk van brede eiken balken en heipalen. Dendrochronologisch onderzoek van een balk uit deze fundering wijst op een kapjaar rond 1532. Deze muur wordt geïnterpreteerd als een kademuur, aangelegd na het bevaarbaar maken van de Grote Gete tot Tienen in 1525. Specifieke vondsten uit deze fase ontbreken, maar de constructie zelf is van groot historisch belang.
Uit deze periode werden in meerdere werkputten muurresten en kelderstructuren aangetroffen, die overeenkomen met het muurwerk op de Atlas der Buurtwegen (ca. 1840). In werkput 5 werden drie kelders gevonden, waarvan twee met cementtegelvloeren en één met een mortelvloer. Deze structuren zijn te koppelen aan de stedelijke bebouwing uit de 18de en vroege 19de eeuw. Bij de vondsten hoort een tuitpot van rood aardewerk met kamstreken en loodglazuur, gedateerd in de 13de eeuw, maar deze werd als losse vondst aangetroffen en is mogelijk secundair verplaatst. Daarnaast werd in werkput 7 een munt (XII Heller uit Aken, late 18de eeuw) gevonden.
Auteurs: Van Genechten, Ben
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: BAAC Vlaanderen bvba