Voor de realisatie van een buurtsupermarkt met bijhorende infrastructuur zou de bestaande bebouwing gesloopt worden waarna de bouw op een vloerplaat zou plaatsvinden. Na de opmaak van een archeologienota, waarin werd geoordeeld dat het onderzoeksgebied mogelijk archeologisch potentieel kende werd overgegaan tot een landschappelijk bodem- en proefsleuvenonderzoek. Tijdens dit vooronderzoek werd de aanwezigheid van sporen van bebouwing in het zuiden van het terrein aangetoond. Hierop volgde een vlakdekkende opgraving (ca. 913 m2) waarbij het onderzoeksterrein werd opgedeeld in twee werkputten. De site kent een complexe verticale stratigrafie. Er werden vier bodemprofielen geregistreerd. Tijdens de uitgevoerde opgraving kwamen resten van bebouwing aan het licht. De bebouwing op het noordelijke perceel ontstond in de 17de of 18de eeuw op het zuidelijke perceel in de 18de eeuw. Voorafgaand aan de historische bebouwing zijn er ook resten van een oudere landindeling aangetroffen, onder de vorm van grachten, greppels en een tuinmuur. Het gebruik ervan is te situeren in de 17de of mogelijk al de 16de eeuw.
Binnen het onderzoeksgebied werden enkele paalsporen en kuilen aangesneden die mogelijk gerelateerd kunnen worden aan de bebouwing op het terrein. Deze sporen kunnen op basis van de vondsten slechts breed gedateerd worden in de late middeleeuwen tot de nieuwe tijd.
In het onderzoeksgebied werden enkele paalsporen en kuilen aangesneden die mogelijk gerelateerd kunnen worden aan de bebouwing op het terrein. Deze sporen kunnen op basis van de vondsten slechts breed gedateerd worden in de late middeleeuwen tot de nieuwe tijd.
Bij de opgraving werden twee brede grachten een greppel en een uitbraakspoor van een muur vastgesteld. Ze zijn vermoedelijk te interpreteren als resten van een oudere landindeling. In de grachten en greppel zijn geen gebruikslagen vastgesteld, enkel dempings- en nazakkingslagen. De grachten zijn waarschijnlijk te dateren in de 16de-17de eeuw.
Binnen het onderzoeksgebied zijn de resten aangetroffen van twee panden. Mogelijk startte de bouw op het noordelijk perceel hiervan reeds in de 17de of 18de eeuw. Het noordwestelijke pand strekte zich oorspronkelijk nog een stuk verder uit naar het noordwesten toe, buiten het onderzoeksgebied. De legger van de Popp-kaart vermeldt dat het pand destijds in gebruik was als pachthof. Bij de gebouwresten konden een diephuis onderscheiden worden, naast twee kelders, enkele beerputten en afvoergoten. In het uiterste westen werd een kasseiverharding vastgesteld (breedte ca. 4,20 m - vermoedelijke lengte ca. 14,50 m). Het zuidoostelijke pand omvatte gebouwresten, afvoergoten en enkele cisternes. Op basis van de historische kaarten moeten deze gebouwresten ten vroegste verschenen zijn omstreeks het midden van de 19de eeuw. Het gedeelte aan de straatzijde heeft mogelijk eerst een woonfunctie gekend, voor de bebouwing omgevormd werd tot school in 1868. Ten zuidoosten van de gebouwresten werd een onbebouwde zone vastgesteld met de resten van een kasseiverharding.
Auteurs: Bruggeman, Jordi; Moens, Jan; Reyns, Natasja
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: All-Archeo bv