Naar aanleiding van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe sporthal werd binnen het plangebied een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd.
Eerst werd een landschappelijk bodemonderzoek verricht om inzicht te krijgen in de bodemopbouw. Hiervoor werden 13 landschappelijke boringen uitgevoerd. De resultaten toonden aan dat de bodem in een deel van het studiegebied voldoende goed bewaard was en potentieel bezat voor de aanwezigheid van goed bewaarde archeologische resten, zowel van steentijdartefactensites als van sporensites.
In de noordelijke hoek en het westelijke deel van het projectgebied werd immers nog een bewaarde B-horizont vastgesteld. Daarom werd op deze locaties een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Met behulp van 30 boringen werd onderzocht of er een steentijdartefactensite aanwezig was. Dit onderzoek leverde echter geen steentijdartefacten op.
Tot slot werd een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd binnen het volledige onderzoeksgebied. Daarbij werden geen relevante archeologische sporen of vondsten aangetroffen.
Auteurs: Hertoghs, Sarah
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)