De vlakdekkende opgraving op ca. 200 m2 langs de Verhaegenstraat in Mechelen legde drie opeenvolgende gebruiksfasen bloot.
De oudste sporen betreffen wellicht de demping van de D-vormige portusgracht (de eerste stadsomwalling van Mechelen). In profiel was deze vulling zichtbaar als een reeks sterk hellende sedimentlagen, vermoedelijk afkomstig van de wal zelf. Na de aanleg van de tweede, ruimere stadsomwalling rond 1264–1268 verloor de gracht haar militaire functie en werd ze geleidelijk dichtgegooid om het terrein bouwrijp te maken.
Bovenop deze gedempte gracht ontstond het parochiekerkhof verbonden aan de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk, die reeds in 1134 parochierechten verkreeg. Dit kerkhof bleef meer dan vijf eeuwen in gebruik en vormt het hart van de opgravingsresultaten. In totaal werden 37 grafsporen geregistreerd, waaruit skeletresten van minimaal 42 individuen werden gerecupereerd. Het werkelijke aantal ligt vermoedelijk hoger, alleen al in het meervoudige graf S5 worden twintig of meer individuen vermoed.
De vroegste kerkhoffase, die gedateerd wordt tussen 1273 en 1392 n.C., kenmerkt zich door meervoudige inhumaties in kuilen zonder kistsporen, noordwest-zuidoost georiënteerd.Vermoedelijk gaat het om herbegravingen na eerdere kerkhofruimingen. Voor de volgende fase, te situeren van de 14de tot de 17de eeuw, werden er kistbegravingen met een strikte west-oostoriëntatie vastgesteld. Kistnagels en houtresten bevestigen de aanwezigheid van eenvoudige houten kisten. Talrijke oversnijdingen getuigen van het intensieve hergebruik van dezelfde begravingsruimte, waarbij nieuwe graven regelmatig oudere doorsneden en losse botten secundair werden verzameld in meervoudige gracen. De jongste begravingen, tot aan de opheffing van het kerkhof, zijn onder meer gedateerd via een munt van Maria Theresia uit circa 1750 en een radiokoolstofdatering van 1632–1799 n.C. Mannen, vrouwen, kinderen en zuigelingen lagen door elkaar begraven, zonder aantoonbare ruimtelijke ordening op basis van geslacht of leeftijd.
Na het edict van keizer Jozef II in 1784, dat begraven binnen de stadsgrenzen om hygiënische redenen verbood, werd het kerkhof ontruimd en het terrein geïntegreerd in het openbare stratenpatroon. Moderne infrastructuur zoals rioleringen, leidingen en kabels heeft de bovenste archeologische niveaus lokaal zwaar verstoord, maar heeft de diepere grafcontexten grotendeels ongemoeid gelaten.
De opgraving leverde voor Mechelen unieke gegevens op over de vroegste stadsomwalling én over meer dan vijf eeuwen funeraire praktijk in een stedelijke parochiale context. Ze toont hoe dezelfde beperkte ruimte generatie na generatie werd hergebruikt.
Het fysisch-antropologisch onderzoek biedt een zeldzaam venster op de gezondheid, leeftijd en pathologieën van de middeleeuwse en vroegmoderne stadsbewoner. Osteologisch onderzoek op negen goed bewaarde individuen (8 volwassenen en één adolescent. Alle onderzochte individuen vertoonden dentale glazuurhypoplasie, een aanwijzing voor periodes van fysiologische stress tijdens de jeugd, vermoedelijk veroorzaakt door ziekte of voedseltekorten. Daarnaast kwamen degeneratieve aandoeningen zoals artrose, degeneratieve schijfziekte, enthesopathieën en andere slijtageverschijnselen frequent voor. Deze bevindingen wijzen op een bevolking die gedurende haar leven geregeld zware fysieke arbeid verrichtte. Ook enkele aangeboren afwijkingen, waaronder spina bifida occulta, werden vastgesteld.
Auteurs: Coenaerts, Jan
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: ABO NV