Het landschappelijk bodemonderzoek registreerde over het terrein een matig natte lemige zandbodem met een dikke antropogene humus A-horizont op een C-horizont, zonder bewaarde B-horizont (geen bewaarde steentijdartefactensite).
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden in een mollengang twee scherven dikwandig handgevormd aardewerk uit de metaaltijden aangetroffen.
In een kuil werd een randfragment van een kookpot in Eifelwaar uit de Romeinse periode ingezameld. Dit materiaal bevindt zich in een secundaire context en betreft vermoedelijk verspit materiaal.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden in het oosten en zuidwesten meerdere rechthoekige tot ovale kuilen geregistreerd. Aan de hand van vondstmateriaal (Raeren/Frechen steengoed) en de weergave van bomen op historische kaarten (Villaret en Ferraris) worden deze geïnterpreteerd als plantkuilen uit de late middeleeuwen tot de nieuwe tijd.
In totaal werden 2 muren (een fundering van een schoolgebouw 1922 en een muur van een kloostertuin) en 18 grondsporen geregistreerd: 10 kuilen, 2 greppels (waaronder één met Westerwald steengoed), 1 spitspoor, 2 recente verstoringssporen (bij een gesloopte kelder) en 3 natuurlijke sporen (boomval). De sporen zijn te relateren aan recente bebouwing, landindeling en landbewerking.
Auteurs: Kennis, Jef; Reyns, Natasja
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)