Tijdens het vooronderzoek werden voornamelijk greppels, een groot aantal paalkuilen en een drietal kuilen aangetroffen, alsook enkele fragmenten aardewerk.
Ter hoogte van het kijkvenster in het zuiden van werkput 2 zijn verschillende paalkuilen aangetroffen met een donkergrijze zandige vulling zonder veel inclusies. Enerzijds de vorm en vulling van de paalkuilen en anderzijds de paalzettingen doen denken aan vol middeleeuwse gebouwplattegronden. Ook in het werkputten 1, 4 en 5 zijn paalkuilen aangetroffen. Er zijn geen vondsten aangetroffen in de sporen. De paalkuil was duidelijk uitgegraven tot op de steenhoudende tertiaire lagen. Deze paalkuilen kunnen gedateerd worden in de volle middeleeuwen.
Vlakbij de paalsporencluster in het kijkvenster van werkput 2 zijn greppels S2011, S2012 en S2018 aanwezig (W-O). Mogelijk kunnen deze gelinkt worden aan de aanwezige bewoning. Ze hadden telkens een gelijkaardige donkergrijze zandige vulling als de paalkuilen. Deze greppels kunnen net zoals de paalsporencluster gedateerd worden in de volle middeleeuwen.
Aangezien in de meeste aangetroffen greppels geen vondsten aanwezig waren, is het moeilijk om een bepaalde datering of interpretatie naar voor te brengen voor deze sporen. Mogelijk hebben sommige te maken met postmiddeleeuwse perceelindelingen. Op basis van de oriëntaties die ruwweg lijken overeen te komen met de oude en huidige percelering, kunnen greppels S1009-1013 (N-Z), S1008-2010-3001-4003-5009 (W-O) en S2005-5001 (W-O) mogelijk als perceelsgreppels geïnterpreteerd worden.
Ter hoogte van het noordelijk kijkvenster in werkput 1 is een grote kuil aangetroffen, met een minimale lengtedoorsnede van 5,5 m. Het gaat om een onregelmatig ovaal spoor met een donkergrijze zandige vulling met veel inclusies van aardewerk, bouwmateriaal en natuurstenen. Het aangetroffen aardewerk is in de late middeleeuwen te dateren (14de – 15de eeuw).
Naast deze kuil zijn nog twee andere kuilen aangetroffen op het terrein, zonder enig dateerbaar materiaal in waardoor een interpretatie voorlopig moeilijk blijft. Het gaat om kuilen S1010 en S4005.
Er werden tien aardewerk fragmenten aangetroffen in spoor S1012 (greppel). De rand van een deksel in roodbakkend aardewerk werd gekenmerkt door roetsporen en strooiglazuur aan de onderzijde. De rand van een pan in roodbakkend aardewerk had spatten strooiglazuur aan de buitenzijde en strooiglazuur aan de binnenzijde, op de bodem. Ook waren er roetsporen aanwezig aan de onderzijde. Van deze pan waren ook twee wandfragmenten ingezameld. Daarnaast is ook een randfragment van een teil ingezameld met gietsneb in roodbakkend aardewerk en loodglazuur aan de binnenzijde. Vier vermoedelijke bodemfragmenten in roodbakkend aardewerk hadden loodglazuur aan de binnenzijde. Daarnaast zijn nog een bodem- en wandfragment van een kruik ingezameld in Rijnlands steengoed. Alle fragmenten konden in de 14de – 15de eeuw gedateerd worden.
Auteurs: Verhaeghe, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)