Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden er in totaal twaalf bodemsporen aangetroffen. Elf van de bodemsporen werden in het vlak als archeologisch relevant beschouwd. Vier hiervan werden na couperen als natuurlijk geïnterpreteerd waardoor er sprake is van zeven archeologisch relevante sporen binnen de contouren van het onderzoeksgebied. Het sporenbestand omvat vier (paal)kuilen, twee greppel en één gracht.
De sporen tekenen zich duidelijk af in de moederbodem en kennen een heterogeen bruingrijze lemige vulling. Twee sporen kenmerken zich in het vlak als ovaalvormige sporen die zich op ca. 2 m van elkaar bevinden. In het profiel gaat het bij beiden om een komvormige (paal)kuil die tot ca. 26 cm onder het archeologisch niveau bewaard gebleven is. De sporen leverde geen archeologisch relevant materiaal op. Afgaande van de onderlinge distributie van de sporen en hun gelijkaardige spoorkenmerken, maken deze mogelijks deel uit van een Middeleeuwse plattegrond die in het noordoosten van het projectgebied te situeren valt.
Tijdens het onderzoek werden twee greppels en een gracht aangetroffen. In de vulling van de gracht kon een fragment roodoranje baksteen met zeer fijne inclusies en één randfragment Raerensteengoed ingezameld worden. De drie sporen worden gedateerd in de post-middeleeuwen.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden er twee vondsten ingezameld. Beide vondsten zijn afkomstig uit het vlak binnen de contouren van de perceelgracht in het zuidwesten van het projectgebied. Het vondstmateriaal omvat één fragment roodoranje baksteen met zeer fijne inclusies en één randfragment Raeren steengoed.
Auteurs: Decramer, Ward; Doucet, Alexander
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)