waarneming

Meijerbroek

archeologisch element
ID
997257
URI
https://id.erfgoed.net/waarnemingen/997257

Beschrijving

Algemeen

De resultaten van het archeologisch vooronderzoek maakten duidelijk dat in het plangebied een zanddrug - een vermoedelijke kronkelwaardrug - aanwezig is die aan de noordzijde geflankeerd wordt door een verlandde paleogeul. De zandrug zelf wordt op zijn beurt door- of ingesneden door een ondiepe geul of depressie; mogelijk een zijarm van de Rupel, Dijle of Nete of een geul die met de heractivatie van één van deze rivieren in verband moet worden gebracht. De genese van zowel de depressie als de zandrug is vooralsnog onduidelijk.
Het natuurwetenschappelijk onderzoek richt zich op het creëren van een paleolandschappelijk kader waarbinnen de vindplaats, en bij uitbreiding ook de vindplaatsen in de buurt, kunnen worden ingepast. De klemtoon ligt hierbij op het verder karakteriseren en dateren van zowel de zandrug(gen) als de geulen/depressies binnen het plangebied, met daarbij aandacht voor hun genese, het veranderende landschap en de evolutie van de vegetatie.

Gezien de relatief jonge genese van het kronkelwaardsysteem is menselijke aanwezigheid in het onderzoeksgebied voor het laat-neolithicum weinig waarschijnlijk. Het opgeboorde vondstmateriaal (m.n. vuursteen, verbrand bot en verbrande leem/aardewerk) moet dan ook in een relatief korte periode aan het eind van het neolithicum worden gedateerd.

Steentijd - Neolithicum

De opdeling van de vastgestelde kronkelwaardrug in het onderzoeksgebied in een oostelijke rug en een hoger gelegen westelijke rug was in het midden-neolithicum al een feit. Het precieze ontstaan van deze zijgeul en het begin van de opvulling ervan kon niet achterhaald worden, aangezien de onderzijde van de geulsedimenten ontbrak in de beschikbare boring. Zeker is dat dit vóór de periode 3655-3523 v.Chr. moet zijn geweest. Deze vermoedelijke geul tussen beide ruggen verlandde gedurende ruim een millennium, tot de periode 2450-2138 v.Chr. en is daarmee een belangrijk archief gebleken voor landschappelijke veranderingen in het laat- en finaal-neolithicum.

In het laat-neolithicum is de kronkelwaardrug en de directe omgeving zeer sterk bebost. Afhankelijk van diverse milieuomstandigheden, waarbij rivierdynamiek een belangrijke rol speelt, ontwikkelden zich verschillende bostypen, waaronder hardhoutooibossen met bomen zoals eik, iep, hazelaar, es en linde, terwijl zich op meer dynamische plekken die frequenter overstromen zachthoutooibossen vormden waarin wilg domineert. Op plekken die eveneens nat zijn, en waar water stagneert, waren elzenbroekbossen te vinden waarin els de belangrijkste component vormt. Het lokale voorkomen van zwarte els wordt bevestigd door de vondst van diverse macroresten van deze boom. Na de periode 3300-2900 v.Chr. is er sprake van een sterke afname in iep, één van de belangrijke boomsoorten in de hardhoutooibossen. Mogelijk staat dit in verband met de elm decline die ook elders in Noordwest-Europa is waargenomen, maar waar nog geen eenduidige verklaring voor is. Voor het laat-neolithicum is het bewijs voor menselijke invloed zeer beperkt in de boringen. Op een enkele stuifmeelkorrel van het gerst/tarwe-type na, zijn er nauwelijks antropogene indicatoren aanwezig in de zijgeul. Ook in de top van de ruggen zijn geen resten van cultuurgewassen of andere consumptie-indicatoren zoals verkoold parenchym aanwezig.

In het finaal-neolithicum was er sprake van een lichte opening van de bossen op de hoge, drogere gronden, met daarin een nieuwkomer: beuk. Opvallend genoeg zijn er twee niveaus met een meer geprononceerde terugval in bosareaal. Zachthoutooibossen en elzenbroekbossen waren op de nattere delen van het landschap, die regelmatig overstroomden, nog altijd belangrijke vegetatietypen. Menselijke invloed lijkt in het finaal-neolithicum goed merkbaar. Opvallend is de aanwezigheid van stuifmeel van granen (gerst/tarwe-type en tarwe-type) in de niveaus met erosie-indicatoren. Aangezien in één van deze niveaus de top van de westelijke rug nog niet is verdronken, is het goed denkbaar dat dit een geschikte plek bood voor akkerbouw. Op het andere niveau is de top nét verdronken. Het is niet uitgesloten dat er materiaal van de top van de zojuist verdronken rug in de basis van het (vermorsings)veen terecht is gekomen of dat men op een andere nabijgelegen hoge plek buiten het onderzoeksgebied heeft geakkerd.

Bronstijd

Hoewel de bossen nog altijd een belangrijke rol zullen hebben gespeeld gedurende de vroege en midden-bronstijd, was er sprake van een verdere opening van het landschap. De afname van droge bossen lijkt niet enkel toegeschreven te moeten worden aan het verdwijnen van hoge, droge gronden, maar lijkt ook het gevolg te zijn van menselijk handelen. Adelaarsvaren, een indicator voor het verdwijnen van ‘oud’ bos, breidde zich uit, maar de (talrijke) aanwezigheid van pollen van beuk en linde laten zien dat er nabij de noordelijke geul nog altijd droge plekken geweest moeten zijn. Bossen met beuk en linde konden een behoorlijk gesloten karakter hebben. Graslanden zijn een belangrijker vegetatietype geworden in de omgeving. Deze graslanden werden extensief beheerd, zo blijkt uit de soortensamenstelling. Er zijn indicatoren voor de aanwezigheid van dieren in de vorm van mestschimmels aangetroffen.

Beuk heeft zich gedurende de bronstijd uitgebreid in het landschap.

Het aandeel pollen van graslandplanten is met 25-29% sterk toegenomen in vergelijking met de oudere niveaus.

Auteurs: Perdaen, Yves; Woltinge, Inger; Verbruggen, Frederike; van Kappel, Kirsten
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)

Bronstijd

Datering: bronstijd
Materiaal: aardewerk, vuursteen
Gebeurtenis:

Laat/Finaal-Neolithicum

Datering: neolithicum
Materiaal: aardewerk, vuursteen
Gebeurtenis:

Je kan deze pagina citeren als: INVENTARIS ONROEREND ERFGOED 2026: Meijerbroek [online], https://id.erfgoed.net/waarnemingen/997257 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.