Het onderzoek toonde aan dat de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied hoofdzakelijk bestaat uit een antropogene plaggenbodem (Ap1 en Ap2 van 40–60 cm dik) direct gelegen op de C-horizont van het eolische dekzand.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden 13 archeologische sporen geregistreerd, waaronder 5 paalkuilen, 4 kuilen en 2 greppels. Uit het vlak in een werkput werd een handgevormde wandscherf uit de ijzertijd ingezameld. Eén kuil bevatte een handgevormde wandscherf met een grove kwartsmagering, eveneens te dateren in de ijzertijd. Twee greppels, die door de Ap2-horizont worden doorsneden en dus ouder zijn dan de plaggenbodem, dienden vermoedelijk voor perceelsafbakening, erfstructurering of drainage.
Bij het couperen van een paalkuil werden twee kleine fragmenten van Romeins aardewerk teruggevonden. In een andere kuil werd eveneens een klein fragment Romeins aardewerk aangetroffen. Een wandscherf laat- of postmiddeleeuws aardewerk in dezelfde kuil betreft een intrusief element door bioturbatie. Het sporenensemble wijst op een coherente nederzettingscontext uit de ijzertijd en Romeinse periode, vergelijkbaar met de nabijgelegen site aan de Stijn Streuvelsstraat (op ca. 200 m).
De afwezigheid van bebouwing op historische kaarten toont aan dat het terrein tot de tweede helft van de 20e eeuw onbebouwd landbouwgebied bleef.
Auteurs: Bosmans, Tom; Heirbaut, Elly
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)