Tijdens het proefsleuvenproject werden 40 sporen aangetroffen. Deze bevinden zich voornamelijk in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied en vormen lokaal enkele kleine concentraties.
De sporen bestaan voornamelijk uit paalkuilen en één mogelijke waterput en wijzen op menselijke activiteit. Op basis van het aangetroffen vondstmateriaal kunnen de aangetroffen activiteiten globaal worden gedateerd vanaf de middenbronstijd tot de Romeinse periode. De handgevormde scherf uit S 3006 vormt hierbij een aanwijzing voor een mogelijke bronstijdcomponent.
Verder werden er ook enkele vondsten aangetroffen, waaronder 13 scherven aardewerk, 4 fragmenten natuursteen en 1 fragment vuursteen.
Het merendeel van de geregistreerde archeologische sporen bestaat uit paalkuilen. Deze hebben een ronde tot ovale vorm en worden gekenmerkt door een overwegende grijze vulling, die soms sterk uitgeloogd is. Drie sporen onderscheiden zich door een donkerdere vulling. Op basis van de ruimtelijke spreiding van de sporen konden geen duidelijke structuren worden herkend.
Op basis van het aangetroffen vondstmateriaal kunnen twee chronologische fases worden vastgesteld. Zo werd tijdens het couperen van S3006 een handgevormde scherf aangetroffen die aan de midden bronstijd kan worden toegeschreven op basis van de kwartsverschraling. Het overige aangetroffen vondstmateriaal kon globaal worden gedateerd in de periode van de late bronstijd tot de Romeinse periode.
Naast de paalkuilen werd één kuil aangetroffen (S 6001). Deze werd op basis van de vorm, vulling en overige kenmerken geïnterpreteerd als waterput.
Er zijn tijdens het onderzoek 13 scherven aardewerk aangetroffen. Het gaat zonder uitzondering om handgevormd aardewerk, dat te dateren is in de late prehistorie.
Binnen het ensemble zijn twee groepen te onderscheiden, op basis de magering. De eerste groep wordt gevormd door een wandscherf met grote fragmenten kwarts uit spoor 3006. Op basis van de kwartsverschraling lijkt een datering in de midden bronstijd waarschijnlijk, al wordt in deze regio kwarts tot in de late bronstijd of zelfs vroege ijzertijd nog gebruikt om aardewerk te verschralen. Al het andere aardewerk is verschraald met potgruis. Het gaat om 11 kleine wandfragmenten en een randfragment. Op deze rand zijn nog vingertopindrukken zichtbaar. Het aangetroffen aardewerk met potgruisverschraling is voorlopig niet nader te dateren dan de periode late bronstijd tot vroeg Romeinse tijd.
Bij de aanleg van het vlak in werkput 4 zijn twee fragmenten natuursteen aangetroffen. Het gaat om vesiculaire lava, die hebben behoord tot een maalsteen. Het materiaal kent een opvallend goede bewaring. De vesiculaire lava brokkelt niet en de bewerkte vlakken zijn nog intact en laten nauwelijks verwering zien. Er zijn duidelijk twee platte vlakken aanwezig. Vesiculaire lava komt uit de Eifel en werd in de regio rond Mayen gedolven en al sinds de ijzertijd gebruikt als maalsteen voor graan.
Ter hoogte van het spoor met kwartsverschraald aardewerk is ook een gebroken fragment vuursteen aangetroffen. Vermoedelijk gaat het om een artefact, al is een natuurlijke oorsprong niet volledig uit te sluiten. Het lijkt te gaan om een afslag, al is de slagbult niet goed zichtbaar. Deels is de cortex nog aanwezig. Het uiteinde van de afslag is mogelijk bewerkt maar door het contact met schep of kraanbak is dat niet meer goed zichtbaar.
Auteurs: Van Mol, Robin; Hazen, Peter
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)