Het landschappelijk bodemonderzoek en de proefsleuven registreerden een matig droge lemige zandbodem met een AC-opbouw (twee teelaardepakketten van elk 20-30 cm dik) op de geel- tot witbruine lemig zandige C-horizont op ca. 40 tot 60 cm -mv.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden in het noordelijke deel van het terrein de resten aangetroffen van een ronde kuil met een grijzige vulling, die op basis van de aflijning en vulling in de metaaltijden tot de Romeinse periode wordt gedateerd. In het noordelijke deel van het terrein werden twee rechthoekige, houtskoolrijke sporen aangetroffen met een onderlinge afstand van ca. 30 meter en een NO-ZW tot NW oriëntatie. Aanwezigheid van een secundair verbrande randscherf van een Romeins bord in Lowlandsware (1e tot 3e eeuw n.Chr.) in één van de sporen doet een functie als brandrestengraf (meegeplaatst op de brandstapel bij de crematieritus) vermoeden, hoewel een interpretatie als houtskoolmeiler evenmin volledig uitgesloten is.
Auteurs: Wyns, Gwendy; Fonteyn, Paulien; Bracke, Maarten; Acke, Bert
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)