Het landschappelijk bodemonderzoek en het proefsleuvenonderzoek toonden aan dat de bodemopbouw gekenmerkt wordt door een sterke antropogene ophoging (drie Ap-lagen met een gezamenlijke dikte van ca. 75 tot 100 cm) bovenop de natuurlijke zandige moederbodem (Formatie van Gent) met in de top de resten van een verploegde podzol. Het archeologisch leesbare vlak bevond zich op ca. 100 cm -mv. Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden drie antropogene bodemsporen geattesteerd: een noordoost-zuidwest georiënteerde gracht, tot 1 m diep bewaard onder de antropogene lagen met drie vullingsfasen (vermengde basislaag, gebruiksfase en donkere dempingslaag met houtskoolspikkels); een noordoost-zuidwest georiënteerde greppel (27 cm restdiepte) die een haakse hoek van 90° naar het noordwesten maakt, vermoedelijk fungerend als een perceelsafbakening zonder geassocieerde binnensporen; en een noordwest-zuidoost georiënteerde greppel (65 cm breed, 10 m lang, 5 cm restdiepte) die in het noordwesten uitmondt in een trapeziumvormige kuil met een sterk gelaagde zandige vulling die op een trage, geleidelijke opvulling wijst. De sporen worden geïnterpreteerd als ongedateerde off-site fenomenen gerelateerd aan ontwatering of historische percelering.
Auteurs: Polfliet, Bruno; Van Caenegem, Rune; Van Poucke, Wolle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)