Op 14 mei 2013 werd door de toenmalige stadsarcheoloog tijdens een controle archeologische resten en sporen vastgesteld in de deels uitgegraven liftkokers van een kelder van een nieuw appartementsgebouw een toevalsvondst gemeld. De registratie gebeurde in twee fasen, aangepast aan de plannen van de aannemer. Er werd op twee plaatsen onderzoek verricht en er werden 4 werkputten aangelegd.
Door het verspreid zijn van de archeologische sporen en vondsten op dit terrein, in het midden van de bebouwde stad Tongeren, is het moeilijk om de gegevens uit deze toevalsvondst te interpreteren. Het gaat om flarden van de historie van dit perceel.
(eerste werkput) Naast de nagenoemde ovale kuil in het zuidelijk deel van de put was een sequentie van Romeinse opvullings- en ophopingslagen waar te nemen die op de moederbodem lagen. Een van deze lagen bevatte houtskool en verbrande leem waardoor we deze met grote waarschijnlijkheid, ook gezien haar positie, aan de brand uit 69 n. Chr. kunnen toeschrijven. Een overzicht van het aangetroffen Romeins aardewerk (66 scherven) in deze respectievelijke lagen worden weergegeven in een determinatielijst. Het onderzoek van de botanische macroresten uit deze laagjes toonde aan dat het resultaat goed aansluit bij eerder onderzoek uitgevoerd in Tongeren. De dierlijke resten uit deze sporen waren te schaars om interpretaties toe te laten.
De hierna genoemde beerput 2 werd waarschijnlijk reeds vroeger in gebruik genomen als waterput in de Late Middeleeuwen.
(eerste werkput) In het vlak werden in de vaste ondergrond de funderingen van een min of meer vierkant keldertje aangetroffen, opgebouwd met rechthoekige blokken in Maastrichtersteen van verschillende grootte, geplaatst in een smalle funderingssleuf en gemetseld met een witte kalkmortel en aan de binnenzijde bezet met een witte pleisterlaag, met een identieke samenstelling als de gebruikte mortel. Dit keldertje maakte waarschijnlijk deel uit van de aansluitende grote kelder die zich aan de straatzijde bevond. Binnenin het vierkant bevinden zich in de hoek, twee parallelle, met eenzelfde hoogte bakstenen muurtjes, haaks gemetseld met een grijze kalkmortel, wat doet denken aan de aanzet van een keldertrap. Beide muren waren aan de binnenzijde en het uiteinde met een pleisterlaag afgewerkt. . Een exacte datering van deze kelders is moeilijk te geven. In het keldertje bevinden zich twee opvullingslagen. De meest noordelijke, een licht grijsbruine laag met puin van baksteen en Maastrichtersteen en mortelfragmentjes bevatte geen vondsten. De andere laag, die zowel binnen de keldermuurtjes als ten zuiden ervan zichtbaar is, is grijsbruin en bevat minder grof puin dan de vorige laag. Hierin werden vooral 19de-eeuwse aardewerkfragmenten (37 stuks) aangetroffen die grotendeels bestonden uit faience fine, een scherf industrieel wit en een scherf porselein. Verder was er ook nog 17de-18de-eeuws witbakkend, rood en grijs aardewerk. Naast dit aardewerk werden er een steelfragmentje van een pijpaarden pijp, twee fragmenten van leien, een gebakken tegel, twee leerfragmenten van vermoedelijk schoenen en 17 fragmenten van groene en kleurloze glazen flessen verzameld. Een ijzeren kram en wat dierenresten vervolledigen het lijstje.
In het zuidelijk deel van werkput 1 bevond zich een ronde tot ovale kuil. Bovenaan in het profiel, onder een puinlaag van de afbraak, zaten vier opvullingslagen gaande van grijsbruin tot bruin. Eén laag bevat puin van blokken Maastrichtersteen, talrijke baksteen- en mortelfragmenten en silex. De kuil werd om veiligheidsredenen niet volledig uitgehaald. In de bovenste laag werd naast een scherf van een Romeinse kruik (residueel) nog 8 scherven witbakkend Maaslands aardewerk (18de – eerste helft 19de eeuw) en een scherf in roodbakkend aardewerk versierd met loodglazuur ingezameld. Deze structuur leverde ook wat dieren-en plantenresten en wordt in de rapportering daarvan als ‘beerput 2’ aangeduid.
In een andere werkput (3) kwam enkele dagen later de helft van een beerput (beerput 3) aan het licht bij het graven van een liftkoker. Deze put was cirkelvormig en opgebouwd uit baksteen en sporadisch een blok in Maastrichtersteen. De bovenzijde was ook hier vernield door recentere vergravingen. De bakstenen wand van de beerput was bewaard vanaf de top van de bewaarde vaste ondergrond. Het onderzochte profiel toonde drie opvullingslagen. Bovenaan een donkerbruine laag met een weinig puin, dan volgde een geel-grijze laag met wat puin en talrijke gele fijne mortelfragmenten en onderaan zat een dik pakket grijsbruine opvulling vol met baksteen-, Maastrichtersteen-, silex- en mortelfragmenten. In deze vulling zaten 23 scherven Romeins aardewerk, dat we als residueel kunnen beschouwen. Buiten één ijzeren spijker zaten er geen archeologische vondsten in.
In het westelijk profiel aan de straatzijde van de uitgegraven kelder werden de restanten van een muurfundering en de aanzet van een gewelf opgemerkt. Deze muur is post-Romeins en bestaat onderaan uit blokvormig gekapte silexblokken die een zwarte patina vertonen. Hogerop is de paramentsteen verdwenen door graafwerken en is alleen de kern van de muur zichtbaar, bestaande uit onregelmatige silexblokken en gemetseld met een poederachtige, gele zandige mortel. Helemaal bovenaan lijkt een deel van de aanzet van een gewelf bewaard te zijn in Maastrichtersteen. Op sommige plaatsen zijn er nog restanten van een onregelmatig uitgestreken grijze cement- of pleisterlaag zichtbaar. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een post-middeleeuwse keldermuur, opgebouwd met gerecupereerd Romeins materiaal (silexblokken en dakpanfragmenten), die later werd opgenomen in de recentere gebouwen.
De voorbeschreven bakstenen beerput (beerput 3) en de grotere kuil (beerput 2), waarvan de bodem niet kon worden bereikt, zijn moeilijk te dateren. Alleen kan gesteld worden dat in de laatste opvullingslagen 18de- en 19de-eeuws materiaal aanwezig was. Er werden in beide putten zeer weinig botanische en dierlijke resten aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de silex funderingsmuur en het bijhorend restant van een kelder waarvan we zowel in de archieven als op de cartografische bronnen geen referenties hebben teruggevonden. Ook de gegevens op het terrein konden geen uitsluitsel geven over een eventuele datering.
De tweede werkput was een uitgegraven liftkoker waarin een kwart van een ronde beerput (beerput 1) zichtbaar was. Deze was bovenaan volledig vernield door oudere bouwwerken en uitgravingen. Ter hoogte van de moederbodem waren nog de resten bewaard van de putwand, opgebouwd in blokken Maastrichtersteen. Er waren drie opvullingslagen waarvan de bovenste vooral bestond uit puin. De twee andere zichtbare, bruin- tot grijsbruine opvullingslagen bevatten talrijke fragmenten aardewerk, glas en botmateriaal. Deze lagen werden een 60 cm dieper uitgehaald vanaf het werkniveau. Het aardewerk, 318 scherven in het totaal, was zeer verscheiden en bestond uit faience (fine) en porselein uit de 18de en 19de eeuw, Engels industrieel wit aardewerk daterend vanaf het midden van de 18de en de 19de eeuw, witbakkend Maaslands met loodglazuur en mangaanglazuur uit de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw, Chinees porselein met blauwe decors uit de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw, roodbakkend aardewerk met loodglazuur uit de 17de - 18de eeuw, Westerwald steengoed uit de 18de eeuw, Rijnlands steengoed uit de late 18de en 19de eeuw maar ook een bijna volledige Zuidnederlandse majolica albarello met tinglazuur en polychrome beschildering uit de 16de - begin 17de eeuw. Deze laatste vondst kunnen we als residueel beschouwen. Buiten het aardewerk werden in deze lagen veel scherven groen en kleurloos glas gevonden van vooral flessen en enkele bekers. Zes fragmenten vensterglas waren alle in groen glas. Andere vondsten waren 2 ijzeren spijkers, 2 fragmenten en één volledige tegel (13 x 13 x 3 cm), 4 fragmenten van leien met nagelgat, een stuk stof en een benen handvat van een haarborstel. Wegens de veiligheid werd er niet dieper gegraven en werd de bodem van de put niet bereikt. We kunnen deze opvullingslaag globaal dateren tussen 1700 en 1900 maar de beerput zelf werd waarschijnlijk al vroeger in gebruik genomen, mogelijk als waterput in de Late Middeleeuwen. Deze beerput geeft meer informatie, ook al werd de bodem van deze structuur eveneens niet bereikt. Onder de bovenliggende puin- en opvullingslagen bevonden zich duidelijk afgelijnde opvullingslagen die veel archeologische vondsten opleverden. Het aardewerk en de andere culturele vondsten wijzen op een rijkere context, met materiaal dat van heinde en ver werd ingevoerd. Ook de dierenresten wijzen op een meer begoed huishouden. Deze context is globaal te dateren in de 18de - 19de eeuw ook al werden er oudere aardewerkfragmenten aangetroffen. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat de bodem van deze beerput niet werd bereikt en we de beginfase van de vulling dus niet kunnen achterhalen. Het onderzoek van de botanische resten leverde een resultaat op dat vergelijkbaar is met een 17de-eeuwse beerput die aan de Hasseltsepoort te Tongeren in de jaren negentig van vorige eeuw werd onderzocht.
Auteurs: Carlier, Eleonore
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)