Naar aanleiding van de geplande uitbreiding van het zorgcentrum grauwzusters, met de bouw van serviceflats, werd een archeologisch vooronderzoek in de vorm van 3 proefputten uitgevoerd.
In totaal werden 29 sporen geregistreerd die alle uit proefputten 1 en 4 kwamen. In proefput 1 werden in totaal 19 spoornummers uitgegeven. Er werden 12 lagen opgetekend, 3 muurfragmenten met 1 bijhorend vloerfragment, 1 kuil en 1 paalkuil. Alle lagen werden deels afgedekt door een recente opvulling van witgeel zand die aangebracht werd bij de aanleg van de huidige parking.
proefput 1
Het jongste Romeinse niveau betreft een geelbruine laag met Romeins materiaal, kalkmortel en houtskoolspikkels erin. Het pakket is ongeveer 30 cm dik. Hieronder ligt een laag met langs de noordkant Romeins pleisterwerk erin. De eerder grijze kleur van de pleister kan er op wijzen dat deze verbrand is. De rest van deze laag is gekenmerkt door de aanwezigheid van een roze, Romeinse mortelvloer. Of deze vloer nog in situ ligt, of dat het eerder om afbraakmateriaal gaat, is aan de hand van het profiel niet duidelijk uit te maken. Doorheen de laag met langs de noordkant Romeins pleisterwerk is, lag een spoor dat geïnterpreteerd werd als een kleine kuil. In profiel is het een eerder onregelmatige kuil met een donkerbruin tot grijze vulling en kleine stukjes roze mortel en pleisterwerk erin. Daaronder ligt een laag met een donkergele tot bruine kleur, waarin de bijmenging bestaat uit spikkels houtskool en stukjes baksteen en silex. Er werden kleine fragmenten verbrand pleisterwerk geregistreerd. Ernaast ligt een laag met een gele tot bruine kleur en spikkels houtskool en bouwceramiek. Deze voornoemde lagen liggen op een dun leemlaagje, dat het jongste loopoppervlak van een Romeinse weg is waarin drie verschillende niveaus werden herkent. Het oudste niveau bestaat uit de weg zelf die bestond uit een kleilaag waarin grote platte silexblokken naast elkaar werden geplaatst en een paalkuil die de zijkant van de weg markeert. Dit werd in de Romeinse periode wel vaker gedaan en is in Tongeren ook eerder opgetekend, onder andere op het Anicius-project waar een Romeinse weg werd opgegraven die 7 verschillende ophogingen had gekend. Hier werd vastgesteld dat het oudste niveau van de weg bestond uit een afbakening van paaltjes, op een regelmatige afstand van elkaar, langs beide kanten van de weg. Een voorzichtige datering op basis van het aangetroffen aardewerk wordt geplaatst in de tweede helft van de 1ste eeuw. In de 2de eeuw is er een ophoging van de weg uitgevoerd waarbij een pakket zandige leem bovenop de bestaande weg werd geplaatst. Bij de jongste, laatste ophoging werd de weg een stuk verbreed. Hierbij werd een dik pakket silex aangevoerd dat over het pakket zandige leem en de paalkuil werd aangelegd, waarop vervolgens de Romeinse weg werd geplaatst. De dateerbare vondsten wijzen voor de silexfundering van de Romeinse weg op een datering in de tweede helft van de 2de eeuw. De mortel is hier eerder een harde, lichtgrijze kalkmortel met redelijke stukjes witte kalk erin. De resten van de Romeinse weg die in proefput 1 werden opgetekend lopen met de helling van het terrein mee. Zo is in het noordelijke profiel de bovenkant van de weg ongeveer 25 cm hoger gelegen dan in het zuidelijke profiel. Door de aanwezigheid van de voornoemde paalkuil die langs de zijkant van de weg gesitueerd wordt, zou het midden van de weg iets meer naar het oosten moeten liggen. De weg is een noord-zuid georiënteerde cardines die gedateerd wordt in de Claudische periode. Dit komt overeen met de datering van de weg zelf. Enige voorzichtigheid bij deze datering is wel nodig vermits de dateerbare vondsten binnen dit onderzoek eerder schaars waren. Tot slot werd onder deze weg nog een laatste laag opgetekend. Het betreft een groen-grijze leemlaag, waarin een aantal Romeinse scherven werden aangetroffen. In deze laag werden redelijk grote stukjes houtskool en spikkels verbrande leem en bouwceramiek opgemerkt. De datering van de vondsten uit deze laag is ook in de tweede helft van de 1ste eeuw te plaatsen.
Proefput 4:
Onder de (post-)Middeleeuwse laag is het eerste Romeins niveau geregistreerd. Deze laag heeft een donkergeelbruine kleur met stukjes houtskool, bouwkeramiek en kalkspikkels erin. De enige dateerbare vondst is in de tweede helft van de 1ste eeuw te situeren. Hieronder werd een geelbruine laag met spikkels houtskool, baksteen en kalkmortel opgetekend, die gescheiden wordt van de onderste laag, mogelijk een oude cultuurlaag, door een geel groenachtig zandlaagje. Deze laag is in het westelijk profiel zeer dun. Onder de voornoemde een oude cultuurlaag zijn in het vlak enkele paalkuilen geregistreerd. Een paalkuil die tegen het westelijke profiel lag, werd gecoupeerd. Het betreft een ronde paalkuil in het vlak met een donkergrijze tot grijze kleur. In profiel heeft de paalkuil rechte wanden met een bolvormige onderkant. De vulling lijkt, afgaan op uiterlijke kenmerken, dezelfde te zijn als de bovenliggende cultuurlaag. De overige paalkuilen in het vlak hebben eenzelfde vorm en vulling. De aanwezigheid van 4 gelijkaardige paalkuilen op een oppervlakte van minder dan 2 m2 wijst er echter wel op dat hier een gebouw heeft gestaan. In hoever dit gebouw verstoord is door de afgravingen bij de aanleg van de garageboxen is momenteel niet te achterhalen.
De aanwezigheid van een noord-zuid georiënteerde Romeinse weg in proefput 1 en de reeds gekende oost-west georiënteerde weg ter hoogte van de smalle zijgevel van het huidige zorgcentrum geven aan dat het terrein grotendeels binnen een Romeinse insula ligt wat doet veronderstellen dat er enkele huizen moeten gestaan hebben vanaf de 1ste eeuw n. Chr. De vele fragmenten Romeinse mortelvloer en het pleisterwerk dat soms beschilderd was, bevestigen dit beeld en wijzen er op dat er minstens een rijker huis met enige luxe moet aanwezig zijn. De paalkuilen in proefput 4 wijzen er op dat er voor de steenbouwfase waarschijnlijk ook een houtbouwfase bewaard gebleven is.
proefput 1:
Spoor 2 is de bovenste laag in het oostelijke profiel van deze proefput. Deze laag vormt waarschijnlijk het Middeleeuwse of Post-Middeleeuwse pakket dat de onderliggende Romeinse lagen afdekt. Ze heeft een donkergrijze tot bruine kleur met stukjes baksteen, houtskool en kalkmortel erin. Daarnaast is de laag in het profiel te zien als 4 grote mergelblokken (spoor 4) met ertussen een laagje groengele leem als bindmiddel vermoedelijk een middeleeuws spoor. Deze laag is doorheen de jongste Romeinse laag gegraven. Net boven deze mergelblokken werden ook nog enkele brokken mergelsteen aangetroffen, wat er mogelijk op kan wijzen dat hier een muur of gewelf heeft gestaan. Tegen de noordkant van de proefput ligt de best bewaarde muur. Het betreft een bakstenen muur (23 x 11 x 6 cm) met een gele, redelijk zachte kalkmortel. In deze muur zit een kleine dicht gemetselde nis. De muur is ongeveer 1,30 m hoog bewaard en langs de westkant is deze uitgebroken. De muur zelf, vermoedelijk een keldermuur, heeft geen fundering en is rechtstreeks op een dun leemlaagje geplaatst dat bovenop een silexfundering van een Romeinse weg ligt. Deze muur is stratigrafisch de oudste Middeleeuwse of Post-Middeleeuwse muur. Daarnaast was er nog een lage bakstenen slecht bewaarde muur (23 x 11 x 5 cm) die over de hele breedte van de proefput zichtbaar was, tevens stond op het dun leemlaagje en aangezet was tegen voornoemde muur. De mortel is hier eerder een harde, lichtgrijze kalkmortel met redelijke stukjes witte kalk erin. Het meest oostelijke stuk baksteenmuur (20 x 11 x 7 cm) dat in deze proefput werd aangetroffen, is met eenzelfde mortel opgebouwd. Ook deze muur is rechtstreeks op de Romeinse weg geplaatst zonder echte fundering. Tot slot is er nog een restant van een bakstenen vloer die ook deels op de Romeinse weg is geplaatst maar waar voor een deel (enkel daar waar de silexfundering stopte) ook gele leem werd onder geplaatst als egalisatielaag. Tussen de neergelegde bakstenen (20 x 11 x 6 cm) werd zand geplaatst om de stenen te stabiliseren.
proefput 4:
Bovenaan ligt de middeleeuwse of postmiddeleeuwse laag. De vondsten in deze laag zijn Romeins van aard, maar eerder als opspit te beschouwen.
proefput 1:
Bovenaan ligt er een puinlaag (spoor 1) met een lichtgrijze kleur, die de volledige proefput vulde, maar niet meer zichtbaar was in het meest oostelijke profiel. Ze bevat heel veel bouwpuin zoals bakstenen, mortel, maar ook fragmenten vensterglas. Op basis van de aangetroffen vondsten kan deze laag beschouwd worden als de afbraaklaag van de vier kleine huisje die tussen 1844 en 1890 werden gebouwd. Alle vondsten uit deze laag worden rond 1970 gedateerd.
Auteurs: Carlier, Eleonore; Jansen, Isabelle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)