Naar aanleiding van de aanleg van een vloerverwarming en vloerherstel in de Sint-Jacobsgasthuiskapel aan de Maastrichterstraat in Tongeren werd een archeologische opgraving uitgevoerd.
De sacristie in het oosten van de kapel werd eerst manueel vlakdekkend verdiept tot 40cm onder het vloerniveau. In tweede instantie zouden sleuven uitgegraven worden in dit aangelegde vlak om nutsleidingen in te plaatsen. Hierbij werden de blootgelegde structuren zoveel mogelijk gevrijwaard.
In het schip werd de omtrek van de reeds gekende grafkelder in het westen nader onderzocht. De grafkelder werd in onderling overleg niet geopend maar in situ bewaard. Met enkele gerichte putten kon de grootte van deze grafkelder bepaald worden. Verder werden in het schip 4 putten (1,55 x 1,01 x 0,81 m) uitgegraven voor de plaatsing van convectoren. Deze putten dienden symmetrisch tegenover elkaar in de vier hoeken van het schip gegraven worden. In de noordoosthoek van het schip werd ook nog een beperkte zone verdiept (put 5) aangezien de nutsleidingen vanuit de sacristie op deze plaats naar buiten worden geleid.
Bij het verdiepen in het schip werden zeer weinig vondsten aangetroffen. Het betreft een beperkte hoeveelheid los botmateriaal, enkele scherven, 2 recente munten, 1 stuk metaal en 1 scherf glas. Bij het verdiepen in de sacristie werden voornamelijk in de sleuven ten behoeve van de nutsleidingen geglazuurde ceramiektegeltjes, beschilderde pleisterfragmentjes en bewerkte en beschilderde brokken mergel en kalkmortel gevonden, evenals tegels in blauwe steen en bewerkte stukken blauwe steen.
De noord-oost-zuid-west georiënteerde muur, die in de drie noordelijke putten van het schip aangetroffen werd en de meeste oostelijke helften van de noord- en de zuidmuur in de sacristie, die in verband staan met de NW-ZO-georiënteerde muur in de sacristie vormen de fundering en een gedeeltelijk bewaard stuk opgaand muurwerk van een éénbeukige kerk/kapel met een ingesnoerd rechthoekig koor. Net ten westen van de aanzet van het ingesnoerde koor van deze kerk worden de muren verstoord door de huidige muur tussen sacristie en schip. Waarschijnlijk vormt de roodroze mortelvloer de bijhorende vloer. De hoogte van de vloer is iets hoger dan het verstek van de muur, maar de aansluiting tussen de muur en de vloer is in de beide putten verstoord door recentere vergravingen. De zuidmuur van deze éénbeukige kerk is op basis van een spiegeling onder of achter de huidige zuidmuur van de kapel te verwachten, maar werd niet aangetroffen bij de aanleg van de putten. Het west-einde van deze kerkfase is evenmin aangetroffen in de uitgegraven putten. Mogelijk betreft het de fundering en een gedeelte van de opgaande muur van de eerste kerk op deze plaats, mogelijk uit de periode 1282-1284 .
Mogelijk vormt een aangetroffen structuur gedeeltelijk opgebouwd uit gerecupereerde mergelblokken in de sacristie de fundering van een altaar. Ook het gewelf van de grafkelder in het westen van het schip bestaat uit gerecupereerde mergelblokken van diverse afmetingen. Hypothetisch zijn beide structuren opgebouwd met de gedeeltelijk genivelleerde muren van een oudere (gotische?) kerkfase uit mergelblokken. De verbouwing van de buitenmuren in baksteen zou dan de huidige kerkfase zijn en zou uit 1660 dateren.
De reeds gekende grafkelder in het westen van het schip, die grotendeels vrijgelegd maar niet geopend werd, bevat volgens een archiefdocument 18de-eeuwse begravingen.
Auteurs: Cousserier, Katrien
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)