waarneming

Proving Ground

archeologisch element
ID
221296
URI
https://id.erfgoed.net/waarnemingen/221296

Beschrijving

Het plangebied is gelegen in de zogenaamde Proving Ground, de testbaan van Ford die een totale oppervlakte van ca. 320 ha heeft. Conform de specificaties in het programma van maatregelen in de archeologienota, zijn de drie delen van het onderzoek uitgevoerd. In het westelijke deel is een opgraving van ca. 9000 m² uitgevoerd, in het oostelijke deel zijn een sleuf voor documentatie van het profiel over de karrensporen en een werkput ten behoeve van staalname in functie van natuurwetenschappelijk onderzoek aangelegd.

Het onderzoek heeft twee zekere huisplaatsen opgeleverd die te dateren zijn in de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd. Kuil S6.45 behoorde mogelijk tot een derde huisplaats, die dan grotendeels buiten het plangebied gelegen heeft. Bijgebouwen zijn niet aanwezig of konden niet herkend worden vanwege de slechte conservering van de sporen. De plattegrond van huis 1 (5.9 bij 15.0 m) is te slecht geconserveerd voor een typologische toewijzing. Van de structuur resteren enkele wandpalen (of buitenstijlen) en enkele sporen van de binnenindeling. Huis 2 (7.0 bij 9.2 m) is beter geconserveerd en vertoont overeenkomsten met de types Sittard (Rekem) en Breda-Goirle. Een opvallend element is de aanwezigheid van een kuil in de plattegronden. Hiddink stelt dat deze (voorraad)kuilen een typisch element zijn in plattegronden uit de Late Bronstijd-Vroege IJzertijd. In de regio Lommel-Overpelt is het eveneens vastgesteld. In alle bekende huisplattegronden uit deze periode zijn kuilen met vondsten aangetroffen. De kuilen variëren echter in omvang en hoeveelheid vondsten. De nabijgelegen vondstconcentratie S24 (twee kommen en één pot, alle drie op hun kop geplaatst) wordt als speciale depositie beschouwd. Het geheel wordt gedateerd in de Vroege IJzertijd.

De onderzoeksresultaten kunnen ingepast worden op lokaal en microregionaal niveau. Wanneer we kijken naar het lokale niveau dan valt een relatief dichte bewoning op, enigszins geconcentreerd op een kleine verhevenheid van ca. 170 bij 360 m. Deze bewoning bestaat uit vier huisplattegronden (hutten 1 en 2, huizen 8001 en 8002) en twee mogelijke huisplaatsen, die aan de randen van de verhevenheid liggen. Vermoedelijk is de bewoning te relateren met de aanwezigheid van relatief vruchtbare bodems. De dekzandvlakte tussen de Eindergatloop en de Holvense Beek en nabije omgeving geven een uitsnede van een ingericht laat-prehistorisch landschap, waarin naast nederzettingen ook grafvelden (urnenvelden) en akkers aangetroffen en aangetoond zijn. Sporen ouder dan de Late Bronstijd zijn (nog) niet aangetroffen op de dekzandvlakte, oudere vondsten daarentegen wel. In de onmiddellijk omgeving zijn voorts ook nog enkele depotvondsten aanwezig. Het algemene beeld van urnenvelden is dat ze opkomen in de Late Bronstijd, dat vele nieuwe grafvelden in gebruik genomen worden in de Vroege IJzertijd en dat in de loop van de vijfde eeuw voor Chr. overgegaan wordt op een ander grafritueel. Urnenvelden worden als een centraal element in het territorium van een gemeenschap geplaatst, waarrond de bewoning ‘zwierf’. Dit zogenaamde ‘zwervende erven’-model wordt echter de laatste jaren steeds meer in twijfel getrokken, aangezien wel vaker sites aangetroffen worden die niet passen binnen het model. Onlangs is dan ook een aanpassing van het model gepubliceerd, waarin gesteld wordt dat het ‘zwerven’ vaak niet kan aangetoond worden en dat er waarschijnlijk eerder sprake is van een verschuiving van de bewoning. De nederzettingen in Lommel Hoeverheide, Proving Ground en Overpelt-Nolimpark betreffen telkens éénfasige huisplaatsen. Aangezien onbekend is wat de exacte chronologische verhouding is tussen de gebouwen, is het niet mogelijk om uitspraken te doen over hoe de bewoning zich verplaatste door het landschap. Op het eerste zicht lijken de nederzettingen relatief ver van lagere, natte zones te liggen. De dichtstbijzijnde beekdalen liggen op een afstand van 1 á 1.5 km. Huis 8002 in Nolimpark ligt ca. 130 m ten noorden van een depressie, maar er zijn geen aanwijzingen voor vernatting in de Late Prehistorie. Periodiek zal vermoedelijk echter wel sprake geweest zijn van een natte laagte. Sporen uit Bronstijd of IJzertijd zijn niet aangetroffen in de depressie, in zoverre deze onderzocht is. Een ven lijkt de depressie pas veel later geworden te zijn. De afstanden tot de nu bekende natte laagtes is dermate groot, dat verondersteld mag worden dat in de nabije of onmiddellijke omgeving van de voornoemde sites zulke laagtes aanwezig moeten geweest zijn. Het algemene beeld voor de zandgronden is immers dat in de Bronstijd en IJzertijd de bewoning op de hogere, droge delen ligt, terwijl de waterputten en –kuilen zich in de lagere, nattere zones aan de grenzen van de nederzetting bevinden. Niet alleen het zwerven van de bewoning wordt de laatste jaren ter discussie gesteld, ook in de bepalende factor van de urnenvelden is variatie zichtbaar. Zo is er sprake van grafvelden die enkele eeuwen in gebruik zijn en die een centrale rol kunnen vervuld hebben, maar er zijn ook kleine grafvelden – bestaande uit minder dan tien graven – die deze rol onmogelijk kunnen gespeeld hebben. Het vaststellen van variatie in de urnenvelden in Lommel en Overpelt is een lastige zaak, aangezien deze nauwelijks onderzocht zijn. Er zijn duidelijk enkele kleinere grafvelden aanwezig zoals Neerpelt-Smelen 1 en – Schietheuvel, naast enkele grotere zoals Blekerheide en Kruiskiezel, maar meer gedetailleerde uitspraken kunnen (nog) niet gedaan worden. Zo is ook niet bekend of de grafvelden ontstaan zijn rond oudere. In het aardewerkensemble uit Hoeverheide-Hut 1 zijn scherven aanwezig met kenmerken uit de Late Bronstijd, maar ook scherven die eerder in de Midden IJzertijd kunnen geplaatst worden. Gezien de zeer beperkte onderzochte oppervlakte valt niet uit te sluiten dat meerdere bewoningsfases aanwezig zijn op deze locatie. Voor de Late Prehistorie zijn in het verleden niet alleen bewoningsmodellen opgesteld, maar zijn ook modellen gestipuleerd omtrent de locatiekeuze van de bewoners en de evolutie hierin. In het Maas-Demer-Schelde gebied hebben immers meerdere onderzoeken uitgewezen dat het in cultuur brengen van leemarme zandgronden zorgde voor een degradatie van de bodem met een verplaatsing van de bewoning tot gevolg. Dit model dient echter enigszins genuanceerd te worden. Op lokaal niveau kan er weliswaar sprake zijn van een verplaatsing naar en concentratie op de leemrijkere gronden, maar er lijkt geen sprake te zijn van een grootschalig fenomeen. Voor de dekzandvlakte tussen Eindergatloop en Holvense Beek kan vastgesteld worden dat bewoning in de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd aanwezig is en dat de latere bewoning ontbreekt, voor zover bekend. Bewoningssporen uit de Midden IJzertijd zijn aanwezig ten zuidoosten van het centrum van Overpelt op lemige zandgronden. Bewoning uit de Romeinse tijd vastgesteld in het Celtic field van Lindelse Heide, waar eveneens sprake is van lemigere zandgronden. Het Romeinse grafveld Kruiskiezel ligt centraal op de dekzandvlakte.

De oudste historische kaarten laten zien dat aan het einde van de 18de eeuw nagenoeg de volledige dekzandvlakte in heidegebied getransformeerd is. Reeds in de Vroege Middeleeuwen moeten grote delen al heide geweest zijn. De ontginning de Leukens in het noordoostelijke deel van de dekzandvlakte dateert ten laatste uit de 16de eeuw, maar gaat mogelijk al terug tot de Late Middeleeuwen. In de 18de eeuw was het merendeel van de percelen van de ontginning al in onbruik geraakt. De onderzoeken op Nolimpark en Proving Ground hebben aangetoond dat tussen de 16de en de 18de eeuw (grootschalige?) verstuivingen hebben plaatsgevonden. Op dat moment was de volledige dekzandvlakte reeds getransformeerd naar een heidegebied, dat doorkruist werd met routes. Van één van die routes – de Grote Postbaan – zijn vele karrensporen aangetroffen in het onderzoek Proving Ground 2018. Deze sporen waren aanwezig over een breedte van ca. 90 m. Het gaat hier dus om een onverharde route en niet om een verharde, gefixeerde weg. Verder naar het westen zijn bij het onderzoek Proving Ground 2019 eveneens vele karrensporen gevonden. Deze behoren tot een route die zich ten zuiden van de oversteek van de (laagte van de) Eindergatloop afsplitst van de Grote Postbaan en verder zuidwaarts splitst richting de Grote Postbaan en de Varkensbaan. Deze karrensporen zijn afgedekt door een pakket stuifzand, waardoor de route verlaten/verplaatst is. Op basis van het historisch kaartmateriaal lijkt dit plaatsgevonden te hebben op het einde van de 18de of het begin van de 19de eeuw. In de loop van de 19de en het begin van de 20ste eeuw is in grote delen van de dekzandvlakte een naaldbos aangeplant.


Auteurs :  VUhbs archeologie
Datum  : 08-01-2021

Onverharde weg nieuwe tijd

Datering: nieuwe tijd
Typologie: karrensporen
Context: heiden, postwegen
Gebeurtenis:

Huisplattegrond late bronstijd

Datering: late bronstijd
Typologie: gebouwplattegronden, paalkuilen
Materiaal: aardewerk, houtskool, natuursteen
Gebeurtenis:

Huisplattegrond vroeg ijzertijd

Datering: vroege ijzertijd
Typologie: funeraire, rituele en religieuze objecten, gebouwplattegronden, paalkuilen, voorraadkuilen
Materiaal: aardewerk, houtskool, natuursteen
Gebeurtenis:

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Proving Ground [online] https://id.erfgoed.net/waarnemingen/221296 (Geraadpleegd op 03-03-2021)