Naar aanleiding van de geplande bouw van een appartementen- en kantoorcomplex met ondergrondse parking op de hoek tussen Pliniuswal nr. 32 en Bilzersteenweg nr. 4 te Tongeren werd een vooronderzoek uitgevoerd, bestaande uit een prospectie door middel van proefputten. In het profiel van de proefputten werden verschillende Romeinse hout- en steenbouwfases, vastgesteld evenals een bestrating. Mogelijk kon ook een neolithische site verwacht worden. Op basis daarvan werd tot verder archeologisch onderzoek door middel van een opgraving besloten.
Onder het wegdek van de Romeinse weg werd lithisch materiaal aangetroffen. In de loop van het onderzoek werd bovendien reeds herhaaldelijk de aanwezigheid van silex artefacten opgemerkt in Romeinse sporen. Aangezien het terrein gedeeltelijk is genivelleerd geworden bij de aanleg van de Romeinse weg en er sprake is van tamelijk veel verstoringen, is het een uitzonderlijk toeval dat deze artefacten nog bewaard zijn. Er werden nog een dertigtal artefacten gelokaliseerd in het zuidoostelijk gedeelte van het onderzoeksgebied. Na een 25 à 30 cm dieper afschaven van het terrein tot op de C-horizont (tot ongeveer 2m onder het huidige loopopp.) werden geen artefacten meer aangetroffen. Het lithisch vondstensemble, dat hoofdzakelijk uit klingen en afslagen bestaat, lijkt vooral in het mesolithicum te kunnen gesitueerd te worden, al kan een bijmenging van andere periodes niet worden uitgesloten. De datering in het mesolithicum is gebaseerd op de aanwezigheid van microlieten (spitsen met ongeretoucheerde basis, schuine afknotting en een segment), van artefacten uit Wommersom-kwartsiet en van microklingen. Mogelijk dateert ook een kern uit dezelfde periode.
De sporen die werden geïnterpreteerd als de oudste grondsporen in het onderzoeksgebied zijn 3 greppeltjes en 2 paalkuiltjes. Deze bewering is gebaseerd op het feit dat deze sporen zich onder de verharde Romeinse weg bevinden en doordat de oriëntatie van de greppels volledig afwijkt van de NNW-ZZO oriëntatie van de jongere sporen. De vulling van 2 greppeltjes bestond uit gevlekt wit tot lichtbruingrijs zand (restanten van de humus- en uitlogingshorizont van de podzolbodem). Beide sporen waren nog maar heel ondiep bewaard. Uit een van de greppels kwam een volledig verweerd en niet identificeerbaar bronzen muntje, de andere leverde geen vondsten op.
De derde O-W georiënteerde greppel, die dwars onder de oostelijke helft van de verharde Romeinse weg gelegen was, had duidelijk twee verschillende opvullingslagen. Bij de onderste laag waren spadesteken zichtbaar. De inspoelingslaagjes wijzen erop dat de greppel een tijd heeft opengelegen. Boven deze laag bevond zich een grijsbruin pakket met houtskool- en kalkspikkels. De greppel is doorsneden door een kuil in het oosten en door een andere, niet voornoemde greppel in het westen. De opvulling bevatte naast de bodem van een rubra-bord met onleesbare stempel ook scherven van drie verschillende sigillata koppen geproduceerd in Lyon. Het type Haltern 7b is te dateren tot 10 na Christus en de andere twee types tot 20 na Christus. De kop Haltern type 8 heeft een grafitto van zijn eigenaar (S..BO) op de onderkant en draagt de stempel VTIL aan de binnenzijde, verwijzend naar een pottenbakker die werkzaam was in Lyon tussen 10 BC en 10 AD. De kop type Haltern 9 draagt de stempel FONT, de afkorting van FONTEIANUS, een zeldzaam opschrift waarvan tot nu toe alleen 17 exemplaren in Haltern werden aangetroffen, eveneens gedateerd tussen 10 BC en 10 AD. Uit al het voorgaande mogen we besluiten dat de vulling van deze greppel uit de Augusteïsche periode dateert.
Op het terrein werd bij het aanleggen van het eerste vlak in de verrommelde pakketten van de Romeinse weg ook al een gehalveerde as uit de regeerperiode van Augustus aangetroffen, die werd vervaardigd in Lyon tussen 9 en 14 na Chr.
Op het onderzoeksterrein aan de Bilzersteenweg kon geen voorloper van de in het midden van de eerste eeuw verharde Romeinse weg onderscheiden worden. De aanwezigheid van de Augusteïsche greppel (zie derde greppel) die dwars onder de latere verharde weg loopt, wijst er alvast op dat onder de oostelijke helft van de verharde weg geen onverharde voorganger aanwezig was.
Onder het Romeinse wegdek bevonden zich, naast onder meer greppels, ook twee paalkuiltjes waarvan de paal uitgetrokken of uitgegraven is, met een diameter van maximaal 10 cm. Hun functie is onduidelijk. Ze maken mogelijk deel uit van een constructie die zich buiten het onderzoeksgebied of ze werden gebruikt voor het uitzetten van de Romeinse weg. Rond het midden van de 1ste eeuw heeft Tongeren een belangrijke vernieuwing ondergaan. Rond deze periode is ook de verharde NNW-ZZO georiënteerde cardo aangelegd in het onderzoeksgebied aan de Bilzersteenweg. Het toenmalig loopoppervlak is bij de aanleg van de Romeinse weg waar nodig aangevuld of licht geëgaliseerd geworden. Vervolgens werd een fundering van silexblokken op een zandbed aangelegd en daarop kwam dan weer een laag Maasgrind. Er was een dubbel baanvak aanwezig, wat op zich niet verwonderlijk is, aangezien dit fenomeen ook al in de Maastrichterstraat werd vastgesteld en het tenslotte om een belangrijke weg richting tempel, waarschijnlijk zelfs om de cardo maximus van de stad, gaat.
Middenin tussen de beide weghelften van de verharde Romeinse weg bevond zich een gracht, die zeer rijk was aan vondsten (aardewerk, metaal, natuursteen, bouwmateriaal en organisch materiaal), waaruit kan worden afgeleid dat op zeer regelmatige basis afval in de gracht werd gedumpt. Deze gracht was aan beide zijden geflankeerd door een greppel, die parallel met de gracht en dus ook met de weg liep. In deze greppels waren paalkuilen uitgegraven van 70 à 80 cm doorsnede waarin tamelijk zware palen moeten hebben gestaan. De paalkuilen waren sterk gevlekt, het resultaat van het vermengen van de verschillende bodemhorizonten bij het terug opvullen van de kuilen. De aarde die niet terug in de kuilen kon gegooid worden werd uitgesmeerd in de greppels, zodat in deze greppels ook een laag met sterk gevlekte vulling kan onderscheiden worden. De tegenover elkaar gelegen paalkuilen in de twee greppels waren telkens in spiegelbeeld uitgevoerd. De gracht moet bijgevolg overdekt zijn geweest door een houten constructie. Mogelijk gaat het om een houten wandelportiek in de middenberm van de dubbelweg, die naar het tempelcomplex leidde en die tegelijk de afvoergracht van de weg aan het zicht onttrok. De greppels aan beide zijden van de straat en ermee parallel lopend, mondden mogelijk uit in een vierkante kuil (waterput/beerput). Beide greppels en waterputten zijn echter zodanig verstoord dat re weinig zekerheid over bestaat.
De vroegste dateerbare vondsten die uit de gracht werden gerecupereerd dateren vanaf het midden van de eerste eeuw na Christus. Uit de greppel die de voornoemde derde greppel doorsneed, werden naast rubra nigra (o.a. een kom VV 69, te dateren in de periode Tiberius-Claudius), gebronsd aardewerk en scherven van een kurkurne, ook fragmenten van een sigillatakop type Haltern 8 gevonden, die pasten aan de Augusteïsche scherven die uit de doorsneden greppel werden gerecupereerd. Uit de greppel, die de weg flankeert aan westelijke zijde, werden slechts enkele scherven rubra en gladwandig aardewerk ingezameld die niet nauwkeurig te dateren waren.
Aangezien beide voornoemde parallel aan de weg gelegen greppels (zie vlak 4) op dezelfde wijze georiënteerd zijn als de Romeinse weg, kunnen we veronderstellen dat ze zijn gegraven op het moment dat de verharde weg werd aangelegd, of nog iets vroeger, wanneer het dambordpatroon al was uitgezet in de stad. Uit de ene greppel werd aardewerk ingezameld dat kan gedateerd worden in de eerste helft van de eerste eeuw na Christus. In de andere greppel bevonden zich vondsten die in dezelfde periode te dateren waren. Beide greppels hebben dus waarschijnlijk naast elkaar bestaan. Aanvankelijk vermoedden we dat deze greppels met de afwatering van de eerste fase van de verharde Romeinse weg te maken hadden. Beide greppels worden echter doorsneden door een kuil, opgebouwd uit 12 verschillende lagen en 2,20 meter op 1,20 meter metend. Het diepste punt ligt op circa 1 meter onder de laagste laag van het wegdek. Eerst werd aangenomen dat het om een latere verstoring zou gaan, echter de kuil bevatte heel veel vondsten, waarvan de dateerbare exemplaren te plaatsen zijn vóór het begin van de Flavische periode (ca. 70) en de meeste zelfs nog nauwkeuriger te dateren zijn, namelijk tot in het midden van de eerste eeuw. Alles wijst er op dat de greppels en de kuil gedempt werden op het moment dat de verharde weg werd aangelegd.
De schaarse dateerbare vondsten uit de paalkuilen aan weerszijden van de gracht wijzen er wel op dat rond deze periode de palen moeten zijn vervangen. Mogelijk had de constructie die de gracht overspande dan toch schade opgelopen toen de stad verwoest werd in 69/70. Ook later zijn de palen nog vervangen.
De jongste vondsten uit de gracht dateren uit het eind van de tweede tot het midden van de derde eeuw. De nadruk ligt echter vooral op de tweede helft van de eerste en de eerste helft van de tweede eeuw. De gracht tussen de twee wegdelen was oorspronkelijk vrij smal, maar in de loop der jaren stapelde het afval zich op en werd ze steeds breder, tot ze aan beide weghelften raakte. De weg werd regelmatig gerepareerd en opgehoogd. Wanneer en hoeveel keer dit precies gebeurd, is door alle verstoringen moeilijk uit te maken.
Er werden tijdens het onderzoek slechts vijf vondsten aangetroffen die met zekerheid in de laat-Romeinse periode te dateren zijn. Voor zover kon worden vastgesteld tijdens de opgravingen, waren in de vierde eeuw de muren van tempel gesloopt en uitgebroken. Mogelijk werd hij dus in die periode sterk verkleind of was er een andere functie aan het terrein gegeven. In het westprofiel, waar nog een klein stuk van de westelijke helft van de Romeinse weg in situ bewaard is, is het bovenste pakket van de weg opgebouwd uit allerlei steenslag en dakpannen. Dit fenomeen werd ook elders in Tongeren vastgesteld en is volgens Vanvinckenroye typisch voor de vierde eeuw. Er werden geen dateerbare vondsten in het pakket aangetroffen. Volledigheidshalve moet wel worden vermeld dat het oostelijke baanvak zwaar verrommeld en verstoord was en dat het jongste wegdek er mogelijk vermengd is geworden met de zwarte laag. Mogelijk is de dubbelweg verwoest of in onbruik geraakt in de woelige periode vanaf het midden van de derde eeuw en is er daarna nog maar één baanvak, het westelijke, gerepareerd en in gebruik gebleven. Misschien is de hoofdweg naar de tempel meer naar het westen opgeschoven en geraakte de oude toegangsweg daardoor geleidelijk in onbruik. Bij gebrek aan duidelijke gegevens uit de opgraving blijft het echter gissen naar de situatie in het onderzoeksgebied in de laat-Romeinse periode. Uit de schaarste aan vondsten uit de late derde en de vierde eeuw kunnen we alleszins wel afleiden dat de weg, als hij nog (ten dele) bestond, alleszins veel minder intensief gebruikt werd in vergelijking met de voorgaande periodes.
Het onderzoeksgebied bevond zich net buiten de middeleeuwse omwalling uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Er werden dan ook geen restanten van laat middeleeuwse bewoning in het onderzoeksgebied vastgesteld. Ook uit de vroege en volle middeleeuwen ontbreken bewoningssporen. Het is wel zo dat de Romeinse weg in en na de middeleeuwse periode gebruikt werd als silex- en kiezelgroeve, waarbij kuilen door de Romeinse weg werden gegraven om de stenen te kunnen recupereren. Daardoor werd de opbouw van de weg zo goed als volledig verstoord.
Naast de silexkuilen waren er ook nog enkele andere sporen die met zekerheid dateren van na de Romeinse periode, onder meer een langwerpig spoor van ongeveer 12 m lang en maximaal 3,5 m breed met een homogene donkerbruine opvulling, dat zich in het noordwestelijk gedeelte van de werkput uitstrekte. Het spoor was zeer rijk aan vondsten; het bevatte in alle aangelegde vlakken naast een uitgebreid gamma aan Romeins aardewerk ook steengoed, witbakkend en roodbakkend geglazuurd aardewerk en fragmenten van pijpjes en metaal (metaalslak).
Verder werd een oord van Ferdinand van Beieren uit de eerste helft van de 17de eeuw gevonden. Blijkbaar moet dus ergens in of na de post-middeleeuwse periode een grote kuil doorheen alle lagen uit de oudere periodes zijn gegraven.
Verschillende sporen hebben een donkerbruine losse opvulling en zijn door de bovenste pakketten van de Romeinse weg heen gegraven en zijn dus ook van middeleeuwse of nog latere oorsprong. Mogelijk gaat het ook hier om kuilen gegraven om stenen uit de Romeinse weg te recupereren. In sommige gevallen gaat het vermoedelijk om aanplantkuilen, aangezien er zich opvallend veel plantenwortels in de sporen bevinden.
Auteurs: Op de Beeck, Lies; Carlier, Eleonore
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)