waarneming

Alveringem-Maldegem Lot 3: Oedelem Vliegend paard

archeologisch element
ID
979477
URI
https://id.erfgoed.net/waarnemingen/979477

Beschrijving

Archeologisch onderzoek naar aanleiding van de aanleg van een aardgasvervoersinfrastructuur.

Deeltraject 3 (Oedelem Vliegend Paard) leverde de meest spectaculaire resultaten op. De aangetroffen sporen en sites konden vooral in twee perioden opgedeeld worden, namelijk de metaaltijden en de middeleeuwen. Ook hier doorsneed een deel van de werkpiste een grafheuvelgordel. De metaaltijden bestreken enkele sites waarbij vooral bijgebouwen aangesneden werden. Vermoedelijk ging het om randfenomenen van verschillende erven die op regelmatige afstanden van elkaar zullen gelegen hebben. Enkel te Beernem 1 werd een hoofdgebouw aangesneden, naast verschillende bijgebouwen en een waterkuil. Geen van deze kon met zekerheid aan het hoofdgebouw gekoppeld worden. Van de grafheuvelgordel werden geen sporen aangetroffen. De enige twee sporen die hiermee in verband konden worden gebracht, waren twee graven die op basis van de ligging als vermoedelijke secundaire begravingen in een grafheuvel konden geïdentificeerd worden.

Vooral voor Beernem 1 waren sporen uit de middeleeuwen nadrukkelijk aanwezig. Tussen de Zandgrachtstraat en de Parochieweg werd langsheen een beek op de flank van de cuesta een volmiddeleeuws pottenbakkersatelier aangesneden. De aangetroffen sporen gaven aan dat er minstens gedurende drie eeuwen op deze locatie aardewerkproductie heeft plaatsgevonden. In totaal konden 21 ovenstructuren herkend worden, waarvan 20 als pottenbakkersovens en één als mogelijke tegeloven konden geïdentificeerd worden. De aardewerkproductie vond plaats tussen de laat-Karolingische periode en het derde kwart van de 12e eeuw. Vermoedelijk verplaatste de aardewerkproductie zich in het vierde kwart van de 12e eeuw naar Brugge. Vanaf de 13e eeuw was de Brugse pottenbakkersindustrie langsheen de Potterierei gevestigd.

 


Auteurs :  BAAC bvba Vlaanderen, Peleman, Bieke
Datum  : 22-07-2020

Grondsporen Bronstijd

Datering: middenbronstijd, vroege bronstijd
Typologie: bijgebouwen, crematiegraven, grafheuvels, greppels, kringgreppels, waterkuilen
Materiaal: bot, houtskool
Gebeurtenis:

Beschrijving:
De oudste aangetroffen sporen dateren uit de vroege bronstijd-midden bronstijd, op basis van een koolstofdatering (eenmaal op het gecremeerd bot, eenmaal op houtskool uit de vulling). Het gaat om twee crematiegraven die vlakbij elkaar zijn aangetroffen, middenin de grafheuvelcluster gekend uit het luchtfotografisch onderzoek van de jaren 1980. Gezien beide graven nog zijn aangetroffen, en gezien de nabijheid van bijgebouw B6, wordt hier gedacht aan twee secundaire bijzettingen, aan de rand van een reeds verdwenen grafheuvel. Het centrale graf is niet aangetroffen, gezien deze ook niet zo diep werden ingegraven. De grafheuvel had waarschijnlijk geen kringgreppel. Deze is in ieder geval niet waargenomen tijdens het veldwerk.

Een iets jongere vondst, maar niettemin stammend uit de midden bronstijd B, is een greppel met een NNO-ZZW oriëntatie. De greppel had een sterk uitgeloogd karakter en kon op basis van oversnijdingen in ieder geval ouder dan de 12de eeuw gedateerd worden. Een koolstofdatering op een stukje houtskool uit de vulling geeft een datering in de midden bronstijd B. Gezien de afkomst van het houtskoolfragment onduidelijk is, dient deze datering met enige voorzichtigheid behandeld te worden, maar duidt deze niettemin op activiteit in deze periode. Het is trouwens niet ongewoon dat lineaire structuren worden aangetroffen te midden een grafheuvellandschap. Meestal gaat het dan om iets jongere monumenten die worden toegevoegd aan een ouder funerair en/of ritueel landschap. Dergelijke lineaire greppels kunnen deel uitmaken van rechthoekige of vierkante monumenten, maar kunnen ook gewoon een lineair fragment zijn.

Een onzekere datering betreft ook die van de waterkuil in deze zone. De waterkuil is gedateerd op basis van een fragmentje houtskool in de midden bronstijd A. Deze datering roept een aantal vragen op, zeker gezien de algemene context van de waterkuil. Deze is gevonden te midden van een grafheuvellandschap, terwijl een waterkuil wijst op een nederzettingscontext, of toch in ieder geval agrarische activiteiten. Ook de resultaten van het botanisch onderzoek en de palynologie lijken de datering in vraag te stellen. Deze spreken namelijk van een zeer gesloten landschap in de onmiddellijke omgeving van de waterkuil, met mogelijk enkele akkers op enige afstand. Er lijkt geen sprake te zijn van een graslandschap. En grafheuvels worden eigenlijk in zeer open landschappen aangelegd. Ze dienen als landmarks in een wijder, open landschap, waardoor de aanwezigheid van een gesloten landschap en akkers dit eerder uitsluit. De aanwezigheid van akkers rondom grafheuvels wordt pas verwacht op het moment dat de regio ook gedesacraliseerd wordt, ongeveer in de late bronstijd of vroege ijzertijd. Vanaf dit moment worden ook structuren ingepland rond de grafheuvels.

Pottenbakkersoven vroege 10de eeuw

Datering: eerste helft 10de eeuw
Typologie: kuilen, pottenbakkersovens
Materiaal: aardewerk
Gebeurtenis:

Beschrijving:
De tweede productiefase (vroege 10de eeuw) omvat één ovenstructuur. Ook deze oven en het materiaal in deze oven zijn uitzonderlijk te noemen aangezien het aardewerk uit deze oven de overgang tussen de laat-Karolingische traditie en de volmiddeleeuwse traditie aantoont. De vormgeving van de randen is duidelijk volmiddeleeuws, maar de afwerking vertoont nog steeds Karolingische invloeden (externe schraapsporen op hals en rand). Het aardewerk bestond hoofdzakelijk uit kogelpotten, maar ook enkele fragmenten van bakpannen werden herkend. Helaas kon slechts één extra kuil samen met deze ovenstructuur tot productiefase 2 gerekend worden. Het is bij deze kuil ook niet duidelijk of het om een residueel fragment gaat, dan wel een contemporain aan het vullen van de kuil.
Ook deze ovenstructuur vertoonde meerdere gebruiksfasen, waardoor er mogelijk kan uitgegaan worden van een household industry productieniveau. Ook deze oven produceerde vermoedelijk meer dan de strikt noodzakelijke hoeveelheid aardewerk voor een boerenfamilie.

Pottenbakkersoven 10de eeuw - 11de eeuw

Datering: 11de eeuw, tweede helft 10de eeuw
Typologie: afvalkuilen, extractiekuilen, kleiwinning, kuilen, pottenbakkersovens, zandwinning
Materiaal: aardewerk, houtskool
Gebeurtenis:

Beschrijving:
Vanaf de derde productiefase (midden 10e-eind 11e eeuw) neemt het aantal sporen gevoelig toe. In totaal kunnen vier ovenstructuren in deze productiefase gedateerd worden. In alle gevallen ging het om sleutelgatvormige ovens met een enkele stookkuil. Ovenstructuur 1 was een oven met drie verschillende bakfasen, waarvan de oudste fase bestond uit een lemen wand waarin kogelpotfragmenten tot een soort van schervenwand waren verwerkt. De oven zelf was vrij goed bewaard gebleven. Vanaf deze fase komen ook veel meer kuilen voor. Deze kuilen zullen waarschijnlijk deels voor de extractie van zand of klei gegraven zijn, maar kunnen ook als afvalkuil gegraven zijn.
Aan de overzijde van de beekvallei bevonden zich drie ovenstructuren. Ook hier zijn de ovens vrij goed bewaard, met vrij grote afmetingen en een duidelijke stookkuil. In ovenstructuur 15 waren nog drie kogelpotten vermoedelijk in situ bewaard.
Het antracologisch onderzoek van de ovens te Oedelem werd uitgevoerd op twee ovenstructuren uit deze productiefase. Ovenstructuur 1 werd gestookt met eik en beukenhout, waarbij het eikenhout vooral van grotere stamfragmenten afkomstig was, terwijl het beukenhout eerder van jong stamhout en van takken afkomstig was. Ovenstructuur 15 werd op basis van de kleine houtskoolfragmenten enkel met eik gestookt. Op basis van deze gegevens lijkt het er op dat voornamelijk eik en beuk als belangrijkste stookmaterialen werd gebruikt.
De schaal van de aardewerkproductie neemt vanaf deze periode duidelijk toe. Gezien de hoeveelheid pottenbakkersovens die op deze kleine oppervlakte geconcentreerd zitten, lijkt de productie eerder naar een individual workshop of zelfs al naar een nucleated production te verschuiven. Het gaat in deze productiewijze om productie waarbij de aardewerkproductie zelf de bron van inkomsten is.

Pottenbakkersoven 12de eeuw

Datering: 12de eeuw
Typologie: extractiekuilen, kuilen, paalkuilen, pottenbakkerijen, pottenbakkersovens, tegelbakkerijen, zandwinning
Materiaal: aardewerk, houtskool
Gebeurtenis:

Beschrijving:
De laatste en vijfde productiefase (tweede en derde kwart van de 12de eeuw) was ook de meest intensieve periode qua sporen en vondsten. De productie bereikte op dit moment zijn hoogtepunt. Er kan in deze fase met recht gesproken worden over een pottenbakkersdorp. De productie in deze periode moet een bijna semi-industrieel niveau bereikt hebben.
In totaal werden vier ovenstructuren voor de productie van aardewerk en één voor de productie van bouwkeramiek uit deze productiefase aangetroffen. Het ging hierbij om drie pottenbakkersovens van het type met twee stookkuilen en één pottenbakkersoven met slechts één stookkuil. Over het type tegeloven kon wegens het niet volledig binnen het opgravingsterrein liggen van de structuur weinig gezegd worden. Drie van de pottenbakkersovens bevonden zich ten oosten van de beek. Opvallend genoeg bevond zich ook één oven ten westen van de beekvallei. Deze oven was binnen de opgegraven zone de enige ovenstructuur van de jongste (4 en 5) productiefasen die aan deze zijde van de beek gelegen was. Opvallend genoeg bevond deze oven zich wel in de zelfde lijn als de oudere ovens uit productiefases 1 tem 3. Grachten of aanwijzingen voor een bovengrondse grens werden niet herkend. Een reden voor deze lijn ovens kon niet achterhaald worden. Mogelijk speelde de nabijheid van de beek hierbij een rol, hoewel dit niet kon worden hard gemaakt. Naast de ovens werden verschillende enclosures aangetroffen die vermoedelijk verschillende werkzones vertegenwoordigden. Hoewel zeer veel paalkuilen aangetroffen werden, kon slechts één structuur herkend worden. Vermoedelijk ging het hierbij om een grote (droog)schuur. Deze structuur bevond zich midden in één van de enclosures. Ook twee mogelijke locaties van draaischijven werden aangesneden, zij het zeer fragmentair.

Aan de westelijke zijde van de beekvallei konden zeer veel extractiekuilen waargenomen worden. In totaal konden drie clusters extractiekuilen herkend worden. De extractiekuilen waren heel waarschijnlijk gericht op de extractie van glauconiethoudend zand dat hier op geringe diepte aanwezig was. De verschillende kuilen waaierden allen ter hoogte van deze glauconiethoudende zanden, waardoor kon verondersteld worden dat eerst een werkkuil werd uitgegraven tot het niveau waarop het juiste zand bereikt werd. Hierna werd onderin zoveel mogelijk zand verzameld. Hierna werd de kuil waarschijnlijk onmiddellijk gedempt met het niet gewenste materiaal. Bovenin werden vaak stortpakketten pottenbakkersafval gegooid, vermoedelijk om verdere degradatie van het terrein te voorkomen. In het uiterste westen werd eveneens een lineair patroon van ontginningskuilen aangesneden dat vermoedelijk het restant van een houthakkant was. De houtkant werd vermoedelijk volledig uitgegraven om hier ook de wortels te recuperen om als brandhout te dienen. Dit past in het beeld van houtschaarste die vanaf de 12de eeuw sterk merkbaar is in het archeologisch record.
Deze houtschaarste toont zich ook in het antracologisch onderzoek. In ovenstructuur 4 werd uitsluitend beuk als brandhout aangetroffen. Het ging hierbij uitsluitend om stamhout. In ovenstructuur 16 weren dan weer iep en berk in de westelijke stookkuil aangetroffen, in de opvulling van de oven zelf werd eveneens een kleine hoeveelheid berk en eik, maar vooral els aangetroffen. Opvallend is ook dat naast stamhout vaak vrij jong stamhout of takken gebruikt werden om de ovens te stoken. Het gebruik van takken of jong stamhout past in het beeld van het gebruik van houtkanten. De gegevens van het antracologisch onderzoek bevestigen de algemene tendenzen van de zware ontbossing in de loop van de 12de eeuw.

Het aardewerk bestond vooral uit fijn verschraald, gedraaid grijs aardewerk. Daarnaast komen ook lokaal roodbeschilderd en vroegrood aardewerk voor. Het aardewerk bestaat hoofdzakelijk uit kogelpotten, maar ook tuitpotten, bakpannen en de vuurklok komen voor.

Er kan dus duidelijk gesproken worden van een zeer strak georganiseerd atelier dat duidelijk gecommercialiseerd was en gericht op de productie voor Brugge en het Brugse ommeland.
Na het derde kwart van de 12de eeuw houdt het pottenbakkersatelier schijnbaar op met aardewerkproductie op deze locatie. Het hele atelier lijkt hierbij te zijn ontmanteld. Over een groot gedeelte van het terrein zullen de storthopen uitgespreid worden om zo het terrein te egaliseren. Dit komt overeen met laag 5002 die zowel in het vlak als in de profielen herkend kon worden.

Karolingische pottenbakkersoven

Datering: Karolingische periode
Typologie: greppels, pottenbakkersovens, waterputten
Materiaal: aardewerk
Gebeurtenis:

Beschrijving:
De oudste middeleeuwse sporen zijn een waterput en pottenbakkersoven. De waterput wijst vermoedelijk op de aanwezigheid van een nederzetting. De waterput kon op basis van de dendrochronologische gegevens in de vroege 8e eeuw gedateerd worden. Het is bijgevolg dus niet zeker of de pottenbakkersoven en de nederzetting gelijktijdig waren.
De vondst van een pottenbakkersoven waarin duidelijk laat-Karolingisch materiaal in aanwezig was, is een unicum binnen de Vlaamse archeologie. Karolingische pottenbakkersovens waren tot op heden nog niet aangetroffen binnen het archeologische record. De vondst te Oedelem was dan ook de eerste Karolingische ovenvondst binnen het voormalige graafschap Vlaanderen.
Hoewel de oven in het vlak oversneden werd door een greppel, bleek in de coupe de oven grotendeels bewaard te zijn. De aanzet van de koepel en de ovenmond waren ook nog goed bewaard. De stookkuil leek ook vrij goed bewaard te zijn, maar deze kon door de tijdsdruk helaas niet volledig onderzocht worden. Het ingezamelde aardewerk bestond volledig uit kogelpotten met extern geschraapte randen. Gezien het frequente hergebruik van deze oven (tot drie productiefasen) kan niet meer gesproken worden van een huishoudelijke productie, maar moet eerder gedacht worden aan een huishoudelijke 'industrie' of mogelijk al een individueel atelier.

Pottenbakkersoven 11de eeuw - 12de eeuw

Datering: eerste helft 12de eeuw, tweede helft 11de eeuw
Typologie: kuilen, pottenbakkerijen, pottenbakkersovens
Materiaal: aardewerk, houtskool
Gebeurtenis:

Beschrijving:
In productiefase 4 neemt de productie nog steeds toe. In totaal kunnen negen ovenstructuren herkend worden. Bij de ovens komt nu een nieuw type oven voor, namelijk het langgerekt ovaal type met twee stookkuilen. De ovens in deze productiefase liggen allen ten oosten van de beek gesitueerd. Het ging vooral om een sterke clustering in het zuiden van werkput 5, waarbij een aantal van de ovens buiten het onderzoeksgebied verder bleven doorlopen. Op basis van de huidige gegevens kon niet bepaald worden of het centrum van het pottenbakkersatelier reeds aangesneden was of niet.
Op basis van het aardewerk kan een eerste demping van de beekvallei in deze periode ook verondersteld worden. De menselijke invloed op het landschap wordt in deze periode ook duidelijk merkbaar. De vermoedelijk oorspronkelijk veel bredere beekvallei zal vanaf deze periode sterk gekanaliseerd worden. Deze demping kon ook stratigrafisch aangetoond worden, aangezien enkele van de ovens in de dempingslagen van de beekvallei waren uitgegraven.
Op basis van het aardewerk kan een datering tussen het eind van de 11de en het eerste kwart van de 12de eeuw waargenomen worden. De productie bestaat quasi volledig uit gedraaid grijs aardewerk, met een sterke homogenisatie qua randtypes en baksels. De belangrijkste aardewerkvorm is de kogelpot, gevolgd door de tuitpot en de bakpan. Het dominante randtype wordt de naar binnen afgeschuinde rand op een korte hals.
Naast het gedraaid grijs aardewerk komt ook vaak het lokaal roodbeschilderd aardewerk voor tussen het aardewerkspectrum.
Gezien de zeer grote hoeveelheid ovens, de sterke homogeniteit van de productie lijken er op te wijzen dat er vanaf deze periode sprake is van een nucleated production, een echt pottenbakkersdorp. Het lijkt er op dat de productieschaal vanaf de 11de eeuw een sterke groei kent. Een vermoedelijke afzetmarkt kan in Brugge of het Brugse ommeland gezocht worden.
Ook het houtgebruik in deze periode werd onderzocht door middel van antracologisch onderzoek. In totaal werden twee ovenstructuren (7 en 12) onderzocht. Helaas was het houtskoolstaal uit ovenstructuur 12 niet geschikt voor verdere analyse. Het houtskool uit ovenstructuur 7 bevat een combinatie van eik en beuk, maar in dit monster is elzenhoutskool qua aantallen dominant aanwezig. Daarnaast is er ook verkoold essenhout in het monster aangetroffen. De meer verschillende soorten hout geven aan dat de keuze voor brandhout meer divers is geworden door mogelijk een dreigende houtschaarste.


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Alveringem-Maldegem Lot 3: Oedelem Vliegend paard [online] https://id.erfgoed.net/waarnemingen/979477 (Geraadpleegd op 27-02-2021)