waarneming

Voorstraat - Zuidstraat

archeologisch element
ID
980949
URI
https://id.erfgoed.net/waarnemingen/980949

Beschrijving

De sporen en vondsten van de opgraving te Kaprijke Voorstraat kunnen in verschillende periodes onderverdeeld worden. De oudst vertegenwoordigde periode betreft het mesolithicum. Hierop wijst de aanwezigheid van een microklingenkern evenals één, maar mogelijk twee haardkuilen. Haardkuilen zijn ingegraven structuren die op de bodem van hun vulling vaak gekenmerkt worden door een uitgesproken pakket houtskool. Ze worden in de Lage Landen, en dan met name Midden- en Noord-Nederland, regelmatig op mesolithische sites aangetroffen. Ze komen daarbij zowel geïsoleerd voor als in clusters. Deze clusters kunnen op hun beurt zijn opgebouwd uit meerdere tientallen tot honderden exemplaren. Voor Vlaanderen lijken deze sporen voornamelijk te dateren uit het late Boreaal en het vroege Atlanticum (ca. 7600-6400 cal. BC). De door middel van radiokoolstof gedateerde haardkuil uit Kaprijke is duidelijk ouder en stamt uit de overgang van Preboreaal naar Boreaal (ca. 8569-8297 v. Chr). De beide haardkuilen wijken ook af door de vastgestelde roodverkleuring langs de rand. Dit wijst op in situ verbranding; iets wat bij de Vlaamse haardkuilen steeds lijkt te ontbreken. Onder meer, als gevolg daarvan worden door bepaalde vorsers dan ook twijfels geopperd over het antropogene karakter van deze haardkuilen. Het onderzoek in Kaprijke maakt duidelijk dat over de haardkuilen het laatste woord nog niet is gezegd.

Uit de ijzertijd dateren huisplattegronden vanaf de midden ijzertijd tot in de late ijzertijd, waarbij de overgang naar de Romeinse tijd wordt ingezet. Gezien in deze periode nog weinig vat is op de opbouw van de erven, vooral door een gebrek aan erfafbakeningen, is het moeilijk aan te geven hoe deze erven zijn opgebouwd, hoe deze elkaar hebben opgevolgd en of er eventueel een continue bewoning is geweest. Er zijn bovendien weinig andere sporen tot deze periode toe te wijzen. Het gebrek aan vondstmateriaal draagt hier zeker toe bij. Het aardewerk is zeer beperkt gebleken, naast gefragmenteerd en weinig diagnostisch. Absolute dateringen waren dus noodzakelijk, maar bleken bemoeilijkt door de schaarste aan dateerbaar organisch materiaal, wat dan weer zeer typisch is voor de zandgronden. Het fragmentair beeld gegeven door de verschillende opgegraven zones zorgt er bovendien voor dat er geen overzicht kan weergegeven worden en dat de relatie tussen de verschillende sporen uit dit tijdsvak moeilijk te plaatsen is.

De Romeinse occupatie is veel denser dan deze uit de ijzertijd, en dit niet enkel in tijd maar ook in sporenaantallen. Bovendien zijn de aard van de sporen veel meer divers waardoor een beeld kan geschetst worden van de opbouw van een Romeins erf. Opvallend in ieder geval is de compacte sporencluster ter hoogte van de huisplattegronden H11 en H12, waar verschillende verbouwingen hebben plaatsgevonden op dezelfde locatie, waarbij de indeling van het erf in ieder geval intact is gebleven en verschuiving in de inrichting van dit erf niet noodzakelijk waren. Door het microreliëf zijn ook in bepaalde zones vondstenconcentraties bewaard gebleven die een beeld schetsen van de vondstverspreiding op een dergelijk erf. Gezien dit niet over de gehele site het geval is gebleken zijn hier moeilijk conclusies betreft activiteiten aan te koppelen, maar het wijst wel op een intense occupatie. De vele gebouwen, waarbij de hoofdgebouwen duidelijk centraal in zone 4 zijn geconcentreerd, wijzen op een strakke functionele indeling, gezien ook de verschillende greppels deze indeling bevestigen en vastleggen. De relatie met de sporen in zone 2 is wat moeilijker te maken gezien de opsplitsing in verschillende opgravingszones, maar ook doordat een deel van het erf vermoedelijk verder loopt naast het plangebied. Hoe de waterput in zone 3 binnen dit verhaal past is onduidelijk. Deze zone is te beperkt opgegraven om een eventuele link met het opgegraven erf te kunnen leggen. Het is goed mogelijk dat deze waterput bij een ander erf hoorde dat niet is opgegraven of buiten het plangebied ligt. Te vermelden is bovendien de vondst van maal- of slijpstenen in paalkuilen van gebouwplattegronden of opvallende plaatsen in greppels, waardoor een rituele depositie vermoed kan worden. Pollenonderzoek wijt op een halfopen landschap, waarbij de aanwezige bossen worden onderbroken door lage vegetatietypen. Els is het het dominante boompollentype. De els is een belangrijke boomsoort in bossen op natte bodem. Eik, hazelaar en berk zijn de overige belangrijke boompollentypen. Deze pollentypen wijzen op een open bladerdak en doen daarom vermoeden dat de aanwezige bossen betrekkelijk intensief werden geëxploiteerd. Een aantal van de aanwezige bos- en bosrandsoorten produceert eetbare vruchten en noten, namelijk eik, hazelaar, braam, framboos en sleedoorn. Van het niet-boompollen is de grassenfamilie het meest abundante pollentype. Hoewel grassen niet uitsluitend in grasland voorkomen, is dit pollentype om voor de hand liggende redenen wel in deze categorie ingedeeld. Het belang van het vegetatietype grasland blijkt ook uit andere typen graslandplanten, zoals scherpe boterbloem-type, smalle weegbree-type en veldzuring-type. Deze typen zijn sterk vertegenwoordigd en worden geassocieerd met matig intensief graslandgebruik, dus begrazing voor een groot deel van het jaar. Knoopkruid-type, ratelaar-type en blauwe knoop-type wijzen daarentegen eerder op een lagere begrazingsdruk. Soorten binnen deze typen komen bijvoorbeeld veel voor in hooilanden. Er is een aantal sporen van mestschimmels aangetroffen, die sterk indicatief zijn voor de aanwezigheid van vee op de vindplaats. Het pollenaandeel van vegetatie van permanent natte bodem is beperkt.

Na de Romeinse occupatie valt de bewoning in het plangebied stil. Er zijn nog enkele middeleeuwse sporen aangetroffen, op de rand van zone 1, die mogelijk wijzen op een occupatie in deze periode. Na de middeleeuwen lijkt de occupatie van het plangebied vooral te bestaan uit beakkering, getuige niet alleen het vondstmateriaal maar ook de inrichting van het plangebied waarvan de huidige perceelsgrenzen nog steeds de erfgenamen zijn.

De vondsten te Kaprijke zijn uniek in de omgeving. Hoewel bewoning uit de verschillende hier aangetroffen periodes wel degelijk werden verwacht in Kaprijke, werden deze tot op heden nog niet vastgesteld. Standaard in de chronologie van de streek is hoe er een breuk lijkt voor te komen tussen de late ijzertijd en de eerste Romeinse occupatie. Hier te Kaprijke zijn een aantal huisplattegronden blootgelegd waarvan de datering een mogelijke continue chronologie kunnen aanduiden, maar gezien de ruime dateringen van de plattegronden, de ruime dateringen in het vondstmateriaal maar ook de ruime dateringen binnen de absolute dateringen is dit moeilijk hard te maken. Het zou uitzonderlijk zijn, mocht hier te Kaprijke voor de eerste maal een continuïteit vastgesteld worden. Dit hoeft niet noodzakelijk te wijzen op een doorleven van eenzelfde familie, maar kan even goed wijzen op de geschiktheid van de locatie, die continue bewoning aanspoorde. Bovendien is het opmerkelijk hoe het Romeins erf vasthield aan zijn locatie, met de verschillende verbouwingen en aanpassingen in het hoofdgebouw.


Auteurs :  BAAC bvba Vlaanderen
Datum  : 28-01-2021

Mesolithicum

Datering: mesolithicum
Typologie: haardkuilen, werktuigen
Materiaal: houtskool, lithisch materiaal
Gebeurtenis:

Midden-Late IJzertijd

Typologie: gebouwplattegronden, paalkuilen
Context: agrarische gebouwen, agrarische nederzettingen
Materiaal: aardewerk
Gebeurtenis:

Romeinse tijd

Datering: Romeinse tijd
Typologie: archeologische depots, bijgebouwen, gebouwplattegronden, greppels, paalkuilen, waterputten, woonstalhuizen (archeologisch erfgoed)
Context: agrarische gebouwen, agrarische nederzettingen, halfopen landschappen
Materiaal: aardewerk, natuursteen, plantaardig materiaal
Gebeurtenis:

Middeleeuwen

Typologie: greppels
Context: akkerlanden
Gebeurtenis:

Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Voorstraat - Zuidstraat [online] https://id.erfgoed.net/waarnemingen/980949 (Geraadpleegd op 25-06-2021)