waarneming

Stationsstraat 53-55

archeologisch element
ID
982599
URI
https://id.erfgoed.net/waarnemingen/982599

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als gebied geen archeologie, gewestelijk Gebied 9350
    Deze aanduiding is geldig sinds

Beschrijving

Gezien de ligging van het terrein op de rand van het volmiddeleeuwse Ieper en binnen de Bourgondische omwalling werd besloten de stap van prospectie over te slaan en onmiddellijk over te gaan tot een opgraving.
De opgraving aan de Stationsstraat heeft ondanks de hoge verwachting slechts een handvol archeologisch relevante resultaten opgeleverd. Opvallend zijn het lage aantal artefacten dat werd aangetroffen in een stedelijke context. De aanwezigheid van enkele recente keldervolumes heeft méér dan waarschijnlijk zijn impact gehad op het bodemarchief. Daarnaast waren de (paal)kuilen, tonputten en ophogingslagen relatief ‘schoon’ en arm aan vondstmateriaal. Dit doet vermoeden dat de historische activiteiten binnen het onderzoeksterrein van kortstondige aard waren of gekoppeld moeten worden aan activiteiten die weinig sporen en vondsten nalaten.
Het onderzoek heeft de ontwikkeling van het terrein in de volle en late middeleeuwen in kaart kunnen brengen. Volgende fases kunnen worden onderscheiden:
• Fase 1: late 12e en 13e eeuw: losse sporen van bewoning en/of artisanale activiteit waaronder een greppel, tonwaterputten en enkele (paal)kuilen
• Fase 2: 14e eeuw: bakstenen funderingspoeren vermoedelijk van de Bourgondische stadsmuur en een aarden wal afkomstig van de 13e-eeuwse of Bourgondische stadsomwalling
• Fase 3: 20e eeuw: muurresten en regenputten
In de late 12e tot 13e eeuw is het gebied nog vrij landelijk ingericht. Getuige hiervan zijn een perceels- of ontwateringsgreppel, twee tonwaterputten en enkele (paal)kuilen. De greppel met een uiterst homogene vulling zonder artefacten is stratigrafisch gezien het oudste spoor binnen het plangebied. De structuur wordt oversneden door een kuil met een vermoedelijke datering in de 13e tot vroege 14e eeuw.
Op basis van dendrochronologisch onderzoek dateert tonwaterput S16 ten vroegste op het einde van de 12e eeuw (vanaf 1168-1185). Hoogstwaarschijnlijk was de waterput gelijktijdig in activiteit met enkele van de aangetroffen 13e-eeuwse kuilen. Slechts één van de kuilen kon worden geïnterpreteerd als een mestkuil. Aan de overkant van de straat op de hoek van de Aardestraat met de Stationsstraat werd een volmiddeleeuws gebouw aangetroffen dat vermoedelijk verder doorliep onder de huidige Stationsstraat. Het is mogelijk dat beide waterputten en de (paal)kuilen verband houden met deze volmiddeleeuwse nederzetting.
De tonputten kunnen eveneens wijzen op voldersactiviteiten in de textielnijverheid. De bodemplaat van de ton uit waterput S16 was geperforeerd om het grondwater te laten opwellen. Op de Solidum Terra-site aan de Lombaardstraat (Vulderstraet op de Poppkaart) zijn gelijkaardige laatmiddeleeuwse tonstructuren aangetroffen. Op het einde van de 12e tot het begin van de 13e eeuw bevond het onderzoeksterrein zich buiten de stadsversterking in de nabijheid van de Tempelierswijk. Rekening houdende met het feit dat de volders grote hoeveelheden water nodig hadden om het gevolde laken te spoelen en het vuile spoelwater op een efficiënte manier te kunnen lozen, vonden dergelijke activiteiten overwegend plaats in buitengebied.

De 12e-13e-eeuwse waterputten en (paal)kuilen worden vermoedelijk reeds in de eerste helft van de 13e eeuw afgedekt door ophogingslagen, ter voorbereiding van de constructie van de 13e-eeuwse stadsversterking. Deze versterking kwam tot stand tussen 1214 en 1248 en bestond uit een aarden wal en een dubbele begrachting. De ophogingspakketten 4 en 5 in profiel AB bevatten geen vondstmateriaal wat kan wijzen op de kortstondige aard van deze activiteit. Bovenop de ophoging bevond zich een ‘schone’ zandige ophoging S15 (lagen 1-3 in profiel AB) waarin aardewerk uit de 13e tot vroege 14e eeuw werd gevonden. Deze ophoging is mogelijk een restant van de aarden wal van de 13e-eeuwse stadsversterking. Het is echter niet uitgesloten dat de wal bij de Bourgondische omwalling hoort. Ook de interpretatie van de laag als aarden wal blijft onzeker. De twee massieve, bakstenen poeren die op basis van het baksteenformaat in de 13e eeuw dateren, doorsneden het ‘schone’ zandpakket tot in de ophoging. De poeren kunnen worden geïnterpreteerd als fundering van de Bourgondische stadsmuur. Geleidelijk aan werden houten funderingen vervangen door bakstenen of natuurstenen basissen. Vermoedelijk werden de poeren opgebouwd met 13e-eeuws herbruikmateriaal en deden ze dienst als fundering voor de Bourgondische stadsmuur.

De vol- tot laatmiddeleeuwse sporen van bewoning en/of artisanale activiteit kunnen vermoedelijk worden gelinkt aan de Tempelierswijk ten zuiden van het onderzoeksterrein. De activiteiten binnen deze wijk spreidden zich mogelijk uit richting de Stationsstraat en het Colaertplein in het noorden. Op basis van het aardewerk en het dendrochronologisch onderzoek dateren deze sporen op het einde van de 12e eeuw tot de eerste helft van de 13e eeuw.
De bakstenen funderingspoeren en de restanten van een aarden wal kunnen mogelijk worden gelinkt aan de constructie van de laatmiddeleeuwse, Bourgondische stadsomwalling die werd opgericht op het tracé van de versterking uit 1214-1248. De aarden wal gaat mogelijk terug tot deze 13e-eeuwse fortificatie. De aanwezigheid van deze vestingen binnen het onderzoeksterrein doet vermoeden dat de occupatiefase uit de late 12e tot vroege 13e eeuw van zeer korte duur was. Dit kan verklaren waarom de archeologisch relevante sporen relatief ‘schoon’ waren en weinig tot geen vondsten bevatten. De kernvulling van tonwaterput S16 wijst eveneens op een korte actieve fase en een snelle demping met moederbodem, beide fasen zonder vondstmateriaal.
De oprichting van de middeleeuwse stadsomwalling met de ophoging van het terrein en de aanleg van een aarden wal was waarschijnlijk een activiteit van beperkte duur wat eveneens de relatieve homogeniteit en ‘schoonheid’ van de pakketten verklaart. Dat er geen postmiddeleeuwse sporen en structuren werden aangetroffen is dan hoogstwaarschijnlijk te wijten aan de aanwezigheid van het verdedigingselement (wal en muur). Ook hebben de diepe 20ste-eeuwse keldervolumes vermoedelijk oudere sporen vernield. Zo konden de restanten van de kazernes uit de 17e en 19e eeuw niet worden geregistreerd.


Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: BAAC Vlaanderen bvba

14de eeuw

Datering: 14de eeuw
Typologie: wallen (morfologische elementen)
Materiaal: aardewerk
Gebeurtenis:

20ste eeuw

Datering: 20ste eeuw
Typologie: muurresten, waterputten
Gebeurtenis:

Late 12de en 13de eeuw

Datering: 12de eeuw, 13de eeuw
Typologie: greppels, kuilen, paalkuilen, waterputten
Gebeurtenis:

Relaties

  • Is deel van
    Historische stadskern van Ieper


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Stationsstraat 53-55 [online], https://id.erfgoed.net/waarnemingen/982599 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.