is aangeduid als gebied geen archeologie, gewestelijk Gebied 8002
Deze aanduiding is geldig sinds
In totaal werd 505m² onderzocht. Het onderzoek gebeurde in één archeologisch vlak. Dit vlak werd aangelegd op ca. 7,7m TAW. Tijdens de opgraving zijn 55 bodemsporen aangetroffen en geadministreerd. Dit aantal verminderd met de recente verstoringen en de natuurlijke bodemsporen, levert een totaal van 26 archeologisch relevante sporen op.
Het gaat om middeleeuwse resten, voornamelijk resten van erfafbakeningen, zoals grachten, greppels en een palissade aangetroffen.
Deze laatste was opgetrokken uit op gelijkmatige afstand geplaatste palen langsheen een gracht. De verschillende grachten liepen over elkaar heen, wat wijst dat deze niet gelijktijdig in gebruik waren. Op basis van het aardewerk uit de grachten kunnen deze worden gedateerd in de 10de tot 13de eeuw. Tussen en over deze grachten werden ook twee diepe kuilen van ca. 1 m diep opgegraven. De functie ervan kan niet met zekerheid achterhaald worden. Mogelijk werden ze in eerste instantie uitgegraven voor het winnen van leem dat gebruikt werd voor onder meer de bouw van huizen. De kuilen waren geleidelijk aan opgevuld en bleken ook eenmaal opnieuw te zijn heruitgegraven. Het aardewerk uit deze kuilen dateert uit de overgang van de volle naar de late middeleeuwen (12de-13de eeuw). Deze kuilen bevatten verder lagen met een meer organische vulling die wijzen op fasen van onbruik.De studie van stuifmeelkorrels uit de onderste lagen leverde een goed beeld op van de vegetatie uit deze periode. Het ging om een vrij open gevarieerd landschap waar akkers, weiden en zowel open als meer gesloten bossen elkaar afwisselden.Dit landschap vormde het kader waarin het erf zich tijdens de middeleeuwen situeerde. Van de woning of schuren die tot het erf behoorden zijn geen resten gevonden. Enkel de grachten en palissade getuigen dus van bewoning in deze periode.
Er werden in totaal 83 scherven gerecupereerd, goed voor 30 individuen. Het gaat steeds om kleine concentraties aardewerk met een variatie van 1 tot 8 fragmenten, afkomstig uit 14 sporen.
Het volledige aardewerkensemble kan chronologisch op de overgang tussen de volle en late middeleeuwen worden gesitueerd. De kogelpot is de duidelijk dominante vormsoort en heeft een morfotypologie die kenmerkend is voor de 12de of vroege 13de eeuw. Enkele scherven zijn echter duidelijk ouder. Het gaat om handgevormd grijs aardewerk met een radstempelversiering die typisch is voor de 10de eeuw. Ook een fragment gedraaid aardewerk met een gelijkaardige radstempelversiering kan mogelijk nog inde 11de eeuw geplaatst worden. Verder zijn nog een drietal handgevormde scherven gerecupereerd die de Romeinse periode of ouder.
Rest nog een kleine hoeveelheid rood en steengoed aardewerk met vormsoorten als de teil, pan en drinkkan die duidelijk laatmiddeleeuws zijn. De postmiddeleeuwse periode wordt vertegenwoordigd door één enkele kookpot in rood aardewerk.
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Raap België bvba