Bij de aanleg van nutsleidingen in de Driekruisenstraat werden funderingen van een deel van de Romeinse stadsmuur en sectie van een ronde hoektoren aangetroffen. Ze werden als archeologische toevalsvondst gemeld en gedocumenteerd. Het gaat respectievelijk om een recht stuk muur en een rand van een gebogen muur.
De rechte muur is over de volledig vrijgelegde hoogte van 0,80 m opgetrokken in onbekapte silexknollen gezet in een overvloedig aangebrachte, harde gele kalkmortel. De meetbare breedte bedraagt 1,70 tot 1,80 m, de totale breedte van de stadsmuur wordt traditioneel op 2,10 m bepaald. De bewaarde bovenkant van het muurmassief ligt onmiddellijk onder het bed van de stoeptegels en onder de kiezellaag waarop het straatasfalt is aangebracht.
Het gebogen muursegment is ook opgetrokken in onbekapte silexblokken in een gele kalkmortel en haalt een maximale dikte van 60 cm. Het hoogst bewaarde deel ligt onmiddellijk onder de oude kasseien van de kerkhofingang ligt en is over 3-4 steenrijen of 40 cm hoog bewaard.
Het waargenomen muurwerk met zijn onbekapte stenen en overvloedig mortelgebruik is duidelijk te identificeren met het bovendeel van de fundering, dat men - enigszins verwarrend - ook zou kunnen bestempelen als ‘muurbasis’.
Om de resten zoveel mogelijk ongeschonden in situ te behouden, werd het tracé van de nutsleidingsleuf licht gewijzigd.
Daarnaast werd 2-3 m noordwestelijker van de gebogen muur in de sleufgraafwerken zwaardere, donkerbruin-zwarte grond aangesneden die qua textuur en vochtigheidsgehalte duidelijk verschilde van de grond aan de gebogen muur. Het gaat hier mogelijk om de vulling van een stadsgracht, misschien de binnenste van een complex van 2 of 3 grachten.
Auteurs: Pauwels, Dirk
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)