Er werden in totaal 103 archeologische sporen aangeduid en beschreven. De meeste sporen zijn van antropogene oorsprong. Slechts twee sporen bleken na het couperen ervan van natuurlijke oorsprong. De archeologische sporen kunnen globaal in volgende categorieën opgedeeld worden: paalkuilen, greppels, waterput/-kuil en kuilen. De meeste archeologische sporen kunnen geïnterpreteerd worden als bewonings- of nederzettingssporen en zijn te dateren in de volle middeleeuwen.
De meeste sporen behoren toe tot één enkel vol-middeleeuws woonerf. Een woonerf betreft een terrein met bebouwde en onbebouwde elementen gebruikt door een huisgroep. In de volle middeleeuwen gaat het om een centraal gelegen woonstalhuis met bijgebouwen (waaronder stallen en schuren), spiekers, hooibergen en een waterput, al dan niet omheind met een erfgreppel. Het hier aangetroffen erf bestaat echter enkel uit een bootvormig hoofdgebouw met bijhorende waterput. Andere structuren werden binnen het onderzoeksgebied niet vastgesteld. Mogelijk bevonden deze zich ten zuidoosten van het gebouw, net buiten het onderzoeksgebied.
Het hoofdgebouw is van het zgn. ‘bootvormige type’. Deze plattegronden worden gekenmerkt door een bootvormige, driebeukige constructie, die bestaat uit twee tot zes gebinten ter hoogte van de lange zijden en sluitpalen ter hoogte van de korte zijde. In dit geval is het gebouw van het type Huijbers H2 met gebogen staanderrijen en gebogen lange wanden. Dergelijk type gebouw wordt gedateerd tussen 950 en 1300. Op basis van het vondstenmateriaal kan het gebouw eerder op het einde van deze periode gedateerd worden. In de paalkuilen van het gebouw werd namelijk o.a. grijs aardewerk en vroeg-rood aardewerk teruggevonden dat op het einde van de volle middeleeuwen gedateerd kan worden (13de
eeuw). Greppel S4 is mogelijk te interpreteren als een huisgreppel van gebouw H1.
Ook leverde zowel de waterput als enkele paalkuilen van het gebouw zgn. Pingsdorf-aardewerk (10de-12de eeuw) en Maaslands aardewerk (10de-14de eeuw, maar vooral 11de-begin 13de eeuw) op. Binnen het Maaslands aardewerk werden drie zgn. manchetrand aangetroffen die ten vroegste in het tweede of derde kwart van de 12de eeuw te situeren zijn. Het gebouw is – op basis van het aardewerk – dus hoogstwaarschijnlijk in het begin van de 13de eeuw te plaatsen.
Een aantal grotere, maar ondiepe kuilen, bevinden zich ten noordwesten van de gebouwplattegrond. Deze kunnen mogelijk in verband gebracht worden met ambachtelijke of artisanale activiteiten tijdens de gebruiksfase van het gebouw. Rechtstreekse aanwijzingen voor ambachtelijke of artisanale activiteiten zijn er niet, met uitzondering van één spoor (m.n. S68) dat heel wat brokken verbrande leem vertoont.
Ook is er mogelijk binnen het onderzoeksgebied aan kleiwinning gedaan (WP2), wat mogelijk verband houdt met ambachtelijke of artisanale activiteiten in de volle middeleeuwen.
In een ruimere historische context valt te vermelden dat Lummen voor het eerst vermeld in 1200 als Lumn (Germaanse "lom", vochtig). Aanvankelijk "villa" van de bisschop van Luik, waarvan de kern (Lummen-Koersel) tot 1180 een parochie vormde. Tijdens de 10de tot de 12de eeuw legden de graven van Loon beslag op de bisschoppelijke villa en vormden een allodium in het kader van de uitbreiding van Loon in de richting van de "Pagus Toxandriae" en hun verzet tegen de hertogen van Brabant.
Na het verdwijnen van de vol-middeleeuwse bewoning werd het terrein wellicht in gebruik genomen voor landbouwdoeleinden. Er werden in totaal 14 delen van greppels geregistreerd die terug te brengen zijn tot negen afzonderlijke greppels. De greppels hebben verschillende oriëntaties en een verschillende inhoud. De meeste greppels zijn te interpreteren als perceelsgreppels en zijn wellicht in de nieuwe tijd te plaatsen. Dwars over het terrein loopt van noordoost naar zuidwest een brede greppel die bestaat uit twee afzonderlijke greppels en die het bootvormig gebouw oversnijdt.
Naast de archeologische sporen werden ook nog een heel aantal recente verstoringen aangesneden en op plan gezet. Het betreft daarbij enkele zwaar verstoorde zones en kuilen die te maken hebben met de toenmalige bebouwing op het terrein. Ook werden er een heel aantal recente, vierkante of rechthoekige paalkuilen aangetroffen en ingemeten, vooral in de westelijke hoek van het onderzoeksgebied.
Auteurs: Martens, Marleen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)