In augustus 2018, tijdens het bouwrijp maken van het terrein aan de Vaartstraat, stootte men op massieve muurresten. Dit noordelijk deel van het perceel bleek eerder slechts oppervlakkig gesaneerd waardoor archeologische sporen hier intact waren gebleven. De toevalsvondst werd gemeld, waarna het agentschap Onroerend Erfgoed een opgraving uitvoerde.
De onderzochte structuren maken deel uit van de ontwikkeling van het terrein vanaf de late middeleeuwen en gedurende de nieuwe en nieuwste tijd. Er werden minstens vier fasen herkend, die aan de hand van het historisch kaartmateriaal beter gesitueerd konden worden. Het betreft achtereenvolgend; een tuinzone uit de late middeleeuwen, het gebruik als een terrein met broodovens in de 18de eeuw, een stadsmagazijn op het einde van de 18de eeuw en de zeepziederij bij het begin van de 20ste eeuw.
Kijkend naar het ruimer beeld van de site kan gesteld worden dat het plangebied en zijn omgeving een enorme industriële ontwikkeling meegemaakt heeft. Dit gebeurde in het kader van de aanleg van de Vaartkom, waardoor het economisch centrum van de Vismarkt naar de noordoostelijke stadsrand van Leuven verschoof. Deze buurt werd vanaf de tweede helft van de 18de eeuw de nieuwe draaischijf voor handel en nijverheid. De resten die aangetroffen werden tijdens de opgraving getuigen daarvan, een deel van de funderingen bleef ondanks de sloop in de 20ste eeuw en de saneringswerken goed bewaard.
De vroegste ontwikkelingen binnen het terrein lijken zich in de volle en late middeleeuwen te situeren. De ruimte tussen de eerste een tweede stadsomwalling behield gedurende lange tijd haar landelijk karakter. Dit heeft een bepalende rol gespeeld voor het terrein, oudere resten zijn tijdens de opgraving niet aangetroffen. Binnen het plangebied zelf zijn er weinig aanwijzingen in de vorm van vondsten of resten voor deze ontwikkelingsfase aangetroffen, maar op basis van de bodemopbouw kunnen enkele conclusies getrokken worden:
Het onderste niveau bestaat uit een grijsachtige zeer kleiige laag waarin restanten van wortelgroei voorkomen. Daarboven bevinden zich twee veenlagen. Het is mogelijk dat dit oppervlak gedurende een tijd niet afgedekt was, mogelijk kan het niveau in verband gebracht worden met landbouwactiviteiten, eventueel voorafgaand aan de (volle?) middeleeuwen.
De veenlaag werd afgedekt met een vermoedelijk alluviaal leempakket. Deze gaat vervolgens over in een meer heterogene geelbruine leemlaag vermengd met houtskoolpartikels en baksteeninclusies. Hierin komen ook kleine fragmenten bot en een aardewerkscherfje uit de 14de eeuw voor. Dit wijst op een stabiele periode waarbij vanaf dan (terug) een menselijke aanwezigheid kan worden vastgesteld.
Het veen wordt vervolgens ook afgedekt door een heterogene grijsbruine ophogingslaag van lemig zand vermengd met houtskool en grotere hoeveelheden constructie en huishoudelijk afval. Deze wordt op basis van het vondstmateriaal eveneens in de 13de tot 14de eeuw gedateerd en kan gelinkt worden aan het gebruik als tuinzone.
In deze laag werden enkele laatmiddeleeuwse bewoningssporen aangetroffen. Het betreft onder andere een beerput en een afvalkuil. De beerput vormt de oudste fase (1) binnen het aangetroffen muurwerk, deze kan op basis van het aardewerk omstreeks de 14de-15de eeuw gedateerd worden. De natuurwetenschappelijke analyse van de vulling wijst op een redelijk typische samenstelling voor de late middeleeuwen, het relatief gevarieerde aanbod kan wel op een zekere welstand van de gebruikers duiden. De grote hoeveelheid resten van hennep is eerder ongewoon, mogelijk werd hier uit de zaden olie geperst.
Ook de gemetste waterput in het centrale deel van het terrein, waarover verder weinig informatie voorhanden is, kan vermoedelijk ook in het kader van de laatmiddeleeuwse tuinzone geïnterpreteerd worden. Het lijkt dus – ook omwille van de grote omvang van de structuur – te gaan om een gemeenschappelijke waterput. Dit komt overeen met het beeld dat de 16de-eeuwse kaarten weergeven, het gebied langs de toenmalige straatzijdes was bebouwd en het centrale deel bleef eerder in gebruik als tuinzone.
In 1746 werd Leuven verplicht om broodovens te bouwen voor de bevoorrading van de Franse bezettingstroepen. De stad bouwde ovens in een bestaand stapelhuis en bijkomend werden twee extra gebouwen opgetrokken nabij de Sint-Jobkapel. De bakkerij bleef drie jaar in gebruik. Aanvankelijk werd vermoed dat de vierkante structuur met kruisvormige onderverdeling en de aanpalende vloer mogelijk een restant was van deze 18de-eeuwse ovens. Dit kon tijdens het onderzoek niet bevestigd worden.
Daarna werden deze gebouwen opnieuw in gebruik genomen als stadsmagazijn voor goederen aangevoerd via de Dijle. Op een plan uit 1791 is de indeling van deze pakhuizen die zich deels binnen het projectgebied situeerden te zien.
De muur in ijzerzandsteen (S2) overlapt met de buitenmuur van een bijgebouw van het stapelhuis, dit vormt een tweede fase binnen het aangetroffen muurwerk. Dit deel stond aangeduid als de woning van de tuinman.
Vervolgens kunnen ook muren S25, S26, S27 en S44 gerelateerd worden aan het deze kaart en het voormalige entrepot. Het lijken scheidingsmuren opgebouwd met een kalkmortel en bakstenen. Ook de archeologische resten die behoren tot een vierde fase in het oosten (onder andere muren S24-S29) stemmen in grote mate overeen met de gebouwen op het plan. Verder kunnen ook muren S1-S4 en S11 tot deze fase gerekend worden. Muur S1 lijkt samen met de oudere muur S2 een gang te vormen. Het ensemble van de woning van de tuinier is minder gestructureerd dan de entrepotgebouwen en lijken meer organisch gegroeid. Het is niet uitgesloten dat deze gebouwen een restant zijn van de huizen uit de 17de eeuw of eerder. Ze werden in dat geval in de 18de eeuw geïncorporeerd in de entrepot en militaire bakkerijen.
Fase 5 (S3, S5 en S9) en Fase 6 (S6, S7, S8, S10 – S17, S19, S30, S31, S55, S57) zijn vermoedelijk eveneens te linken aan bouwingrepen in het entrepot. Beide fases kunnen echter niet meteen aan historische kaarten gelinkt worden, zo zijn ze niet meer te herkennen op de kaart uit 1791.
De nodige voorzichtigheid is uiteraard geboden bij de vertaling van historische bronnen naar archeologische feiten. Toch lijkt het vrij aannemelijk dat een groot aantal van de aangetroffen restanten deel uitmaakten van het voormalige openbaar depot op het einde van de 18de eeuw.
De oude entrepotgebouwen tussen de Dijle, de Gasstraat en de Vaartstraat werden in 1854 openbaar verkocht en grotendeels geïntegreerd in de gasfabriek. In relatie hiermee werden geen resten aangetroffen tijdens de opgraving.
De fabriek werd in 1905 overgenomen door het stadsbestuur en verplaatst naar een andere locatie langs de Vaart. De gastanks aan de Gasstraat werden daarop gesloopt. Een deel van de fabrieksgebouwen kwam in handen van industrieel Oscar Verbruggen, hij vatte het plan op om in de gebouwen een installatie op te richten voor de zeepproductie. Het oude entrepotgebouw werd destijds door de zeepziederij gebruikt als opslagplaats. Mogelijk zijn de overwelfde citerne, enkele bezinkputjes en de vierkante bakken in het kader van deze zeepfabriek te interpreteren. Ook de meest recente muren met de teerachtige donkere cementmortel zijn waarschijnlijk in deze fase te plaatsen. Al deze muurresten (S15, S16, S20, S22, S14, S28 en S48) vormen de zevende en meest recente fase binnen het muurwerk op de site.
Auteurs: Brion, Marc
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)