Het noordelijk deel van het onderzoeksgebied werd in de Romeinse periode in gebruik genomen als grafveld. Op basis van het vondstmateriaal kan gesteld worden dat het gebruikt werd vanaf het midden van de 1ste tot het einde van de 2de eeuw n.C. Het grafveld bestaat uit 21 brandrestengraven en loopt mogelijk nog door in noordoostelijke en westelijke richting. De graven komen geclusterd voor over een ruimere zone. Mogelijk vertegenwoordigen de clusters families of gezinnen. Dit kan echter niet met zekerheid gezegd worden. Geen van de graven oversnijden elkaar, waardoor ze wellicht een bovengrondse markering hadden. Verschillende graven waren omringd door een enclos. Enkele graven hadden een nis waarin een aardewerken recipiënt was bijgezet. In één graf bevatte de nis een muntschat. Bij enkele graven bevatte de houtskoolvulling fragmenten aardewerk die samen met de overledene als bijgift werden verbrand. Het fysisch antropologisch onderzoek wees ook uit dat bij één graf resten van een medium tot groot zoogdier als bijgift werden gedeponeerd.
3 graven behoorden toe aan kinderen (< 5 jaar). Eén van de kinderen bevond zich in een dubbelgraf met een individu van ten minste 12 jaar oud. Van de zes volwassen individuen waren er vijf tussen de 20 en 40 jaar overleden en één individu tussen 30 tot 50 jaar oud. Van drie individuen kon het geslacht worden bepaald. Het ging om twee vrouwen en één man. Eén individu leed wellicht aan een longontsteking. Verder zijn er geen ziekteverschijnselen waargenomen. Er werden geen bijzonderheden aangetroffen in het grafritueel. Er is ook geen chronologisch onderscheid te maken en er kan op basis van de bijgiften ook geen onderscheid gemaakt worden tussen het geslacht of de status van de overledene.
In het zuidelijke deel van de opgravingszone werden verschillende bewoningssporen geattesteerd van één bewoningssite. De paalsporen vormen 4 gebouwplattegronden, telkens van bijgebouwen. Sporen van een hoofdgebouw situeren zich mogelijk buiten het plangebied. Daarnaast werd op een kruispunt van verschillende greppels en grachten een waterkuil aangetroffen. Op basis van aflijning en het uitzicht kunnen de sporen in eenzelfde periode worden gedateerd. Het weinige vondstmateriaal aangetroffen bevestigt deze theorie. Deze kunnen weliswaar slechts algemeen aan de Romeinse periode worden toegeschreven.
In de veronderstelling dat de bewoningssporen vrij gelijktijdig zijn met het grafveld in het noordelijk deel van de opgraving, situeert deze bewoning zich dus ook tussen het midden van de 1ste tot het einde van de 2de eeuw n.C.
Na het verlaten van de site eind 2de eeuw n.C. blijft het terrein onbewoond tot in de recente periode. In de 15de eeuw wordt een NW-ZO georiënteerde gracht uitgegraven in het zuidoostelijk deel van het terrein. Bewoningssporen uit deze periode ontbreken. Vermoedelijk had de gracht of greppel een afbakenende en waterafvoerende functie en werd het terrein in deze periode en de periodes erna in gebruik als landbouwgrond.
Enkele grachten en greppels konden op basis van vulling, vergelijkingen met historische kaarten en de huidige perceelsgrenzen gedateerd worden in de 19de tot 20ste eeuw.
Auteurs: Demerre, Ine; Bracke, Maarten; Acke, Bert
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
De Losse vondsten uit de greppels bestaan uit een gesp, loden musketkogel, aardewerk en andere metaalvondsten.