Bij graafwerken aan de noordzijde van de kerk werden resten van een kerkhof aangetroffen en gemeld als toevalsvondst. Dichtbij de kerk was een grafkelder aanwezig. Ten noorden daarvan werden fragmenten hout en menselijk bot aangetroffen.
De grafkelder is in rode baksteen gemetst met een rechthoekig plan en een tongewelf. De afgesloten toegang bevindt zich in aan de westzijde. De top van het gewelf bevindt zich nauwelijks 30 cm onder het maaiveld. De grafkelder bevat voor zover zichtbaar vier goed bewaarde kistbegravingen, die in twee lagen boven elkaar op zware ijzeren profielen 'schabben' werden bijgezet. De twee bovenste kisten zijn in hout en gedecoreerd met een houten kruis met een metalen Christusbeeld op het deksel, noppen in koperlegering rondom de rand van het deksel, en metalen handvaten aan de zijwanden. De twee onderste kisten zijn in zink. Op één houten kist is een metalen plaatje bevestigd met daarop 'V.B. 1907' en '477', op de andere met 'V.B. 1889' en '655'. Deze grafkelder, of toch minstens de begraving, lijken dus uit de lage 19de en vroege 20ste eeuw te stammen.
Ten noorden daarvan werd in een aantal kleine putjes los menselijk bot en fragmenten hout aangetroffen op ongeveer 50 cm diepte. Dit zijn waarschijnlijk resten van (kist)begravingen in volle grond. Op deze diepte zijn ze mogelijk verstoord, maar dieper kunnen nog in situ begravingen aanwezig zijn. Deze zijn waarschijnlijk niet ouder dan de late 17de eeuw, aangezien toen de kerk werd gebouw en de eerste bewoning van het dorp startte.
Auteurs: Van Gils, Marijn
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)