Tijdens het onderzoek zijn verspreid over de 3 proefsleuven sporen aangetroffen die dateren van de late middeleeuwen tot de nieuwste tijd.
De oudste maar niet dateerbare sporen zijn een 4-tal greppelfragmenten die behoren tot twee tracés. De greppels bevatten geen vondsten en zijn noord-zuid georiënteerd. Het oostelijk tracé is tot 28 cm bewaard. Het westelijk tracé bleef ondieper bewaard. Een eventuele samenhang is onduidelijk. Er zijn geen andere gerelateerde sporen aangetroffen. De greppels worden als ‘oud’ bestempeld door hun sterke uitloging en vage aflijning in vlak en doorsnede.
In het zuidwesten van het projectgebied bevinden zich twee oost-west georiënteerde perceelsgrachten. Het beperkte materiaal (faience en bloempotfragmenten) uit de opvulling dateert uit de 19de eeuw. Deze datering komt overeen met het kaartmateriaal en de sterk heterogene vulling en scherpe insnijding.
Op het terrein zijn ook veel drainagebuizen van terra cotta teruggevonden. Géén van deze zijn nog actief.
Uit de eerste Wereldoorlog zijn een aantal granaattrechters en twee communicatiekabels aangetroffen. Er is slechts één fragment van een artilleriegranaat (V1) aangetroffen.
Van de bovenliggende structuren die via het historisch onderzoek zijn beschreven is niets teruggevonden. Het spoorwegenknooppunt (info uit een terreinfoto van 22 februari 1918) toont een accumulatie van smalsporen. Het gaat vooral om bovengronds opgeworpen structuren boven wellicht een soort fundering of stabilisatielaag. De enige aanwijzingen voor deze laag zijn verspreid gevonden in de Ap horizont: veel fragmenten leisteen, Doornikse kalksteen, grind, fijn gebroken bouwmateriaal en restafval van kooks (of cokes) (gezuiverde steenkool).
Auteurs: Deconynck, Jasper; Demerre, Ine
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)