De archeologische evolutie op het terrein volgt een duidelijke lijn: van een vroege rurale nederzetting, over een sterk gestructureerd heerlijkheidsdomein, naar stedelijke achtererven, vervolgens een intensief bebouwd stadsweefsel in de nieuwe tijd en ten slotte een gemoderniseerde woonzone in de nieuwste tijd. Elke periode draagt zo bij aan een gedetailleerd inzicht in de stadsontwikkeling, huishoudelijke consumptie, bouwtradities, ambachten en de sociale geschiedenis van Menen als stedelijke kern.
De oudste sporen tonen een rurale nederzetting met kuilen, paalsporen en een greppel. Het vondstmateriaal bestaat vooral uit handgevormd vroeg-grijs aardewerk en occasionele importen. De aanwezigheid van een basaltlava maalsteen wijst op huishoudelijke activiteiten op kleine schaal. De bewaring en spreiding van de sporen suggereren een eerder tijdelijke of beperkte occupatie met agrarisch karakter, voorafgaand aan systematische bebouwing en stadsvorming nabij dit Leie-overgangsgebied.
In deze periode maakt het terrein deel uit van de heerlijkheid Menen, wat duidelijk wordt door de vondst van een brede mottegracht. De gracht was in gebruik tussen ca. 1250 en tot 1315 (14C datering 1040 – 1220 n.C.). De vullingen bevatten hoogwaardige consumptiegoederen en organische resten, wat wijst op een hoge-statuscontext. De gracht en omliggende kuilen illustreren een landschap in gebruik voor zowel residentiële als domein-gerelateerde activiteiten. De demping in de 15e eeuw sluit aan bij historische verkavelingen en markeert een overgang naar een meer stedelijke inrichting van het terrein.
Na de demping van de mottegracht wordt het terrein verkaveld en ontwikkeld tot stedelijke achtererven. De oudste beerputten en waterputten verschijnen in dit stadium. Hun rijke organische vullingen – waaronder fruitpitten, zaden, dierlijke resten en luxe aardewerk – tonen een stedelijke huishouding met verhoogde economische status. Dit is de eerste duidelijke fase waarin het onderzoeksgebied structureel onderdeel wordt van het stedelijke woonweefsel. 14C-datering uit een beerput bevestigt dat de rijke organische vulling dateert van rond 1510 en 1560.
Deze periode is archeologisch het rijkst vertegenwoordigd. Het terrein wordt volledig bebouwd met woonhuizen met kelders (vloeren, trappen, muren, gewelfde daken en scheidingsmuren) en bijhorende erven. 12 beerputten leveren een uitgebreid spectrum aan huishoudelijk afval op, waaronder faience, majolica, steengoed, glaswerk en metalen objecten (de vulling uit één beerput wordt na 1680 gedateerd met 14C). Natuurwetenschappelijke analyses tonen een gevarieerd en deels geïmporteerd dieet, evenals tekenen van ambachtelijke activiteit zoals schoenmakerij (cf. het 16-17de-eeuwse leerafval). Het terrein fungeert duidelijk als volwaardig stedelijk woongebied met continue bebouwing en afvalstromen.
Moderne bouw- en sloopfasen domineren deze periode, maar beerputten, waterputten en één tonput blijven aanwezig tot ver in de 19e eeuw. Het vondstmateriaal weerspiegelt industriële productie en veranderende consumptiepatronen. Sommige structuren waren sterk verstoord door moderne ingrepen, maar de resterende archeologische contexten tonen de overgang van vroegmodern stedelijk wonen naar een gemoderniseerde stedelijke infrastructuur.
Auteurs: Deconynck, Jasper; Demerre, Ine
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)