Bij werkzaamheden aan de zuidzijde van de Heilig Kruiskerk, in het kader van de herbestemming van de kerk tot een multifunctionele ontmoetingsruimte werd bij de plaatsing van citernes botmateriaal aangetroffen. Nadat deze menselijk resten aan het licht kwamen werd een toevalsvondst gemeld, waarop het agentschap Onroerend Erfgoed besliste een opgraving te starten. Hieruit bleek dat het kerkhof in de 19de eeuw geruimd werd, maar dat deze ruiming zich beperkte tot de bovenste laag Omdat de geplande diepte van de put voor de citernes ca. 3 meter onder het maaiveld bedroeg, waren de intacte begravingen direct bedreigd door de werken. Daarom werd besloten om over te gaan tot een opgraving.
De werkput was ongeveer 4 meter breed en 6,5 meter lang, en was zuidwest-noordoost georiënteerd. Het eerste archeologisch niveau, de top van het kerkhofpakket, bevond zich gemiddeld 1,5 m tot 2 m onder het maaiveld. De opgraving bestond voornamelijk uit het registreren en bergen van de menselijke resten. Het volledige kerkhofpakket kon over het grootste gedeelte van de werkput van boven tot de moederbodem worden onderzocht. Hier zijn dan ook twee profielen aan de noord- en zuidzijde van de put geregistreerd
Bij de opgraving kwamen in totaal 62 sporen aan het licht. De meerderheid hiervan betreft funeraire contexten met menselijke resten. Concreet gaat het om 51 verschillende begravingen met primaire deposities en vijf knekelputten met secundaire deposities.
Het meest opmerkelijke resultaat is dat de oudste graven teruggaan tot de 10de eeuw (890 – 1030 AD). Een tweede opvallende vaststelling geeft inzicht in het ontstaan van de haven- en vissersactiviteiten van Boekhoute. Uit de dieetisotopen en het palynologisch onderzoek kan immers afgeleid worden dat tijdens de volle middeleeuwen een hoofdzakelijk vlees- en proteïnerijk dieet genuttigd werd, naast granen en eetbare planten.
Het grafritueel sluit duidelijk aan bij een christelijke begraafplaats met standaard (semi) west-oost ge-oriënteerde kistbegravingen met weinig grafgiften. Slechts bij één grafcontext is een gift vastgesteld, een munt, die op basis van het munttype in de 11de eeuw gedateerd kan worden. Mogelijk was er sprake van het christelijke ritueel om het lichaam op een bed van as en stro te leggen. Ook weegbree, een medicinale plant, en varens kunnen deel uitgemaakt hebben van dat ritueel.
De kisten bleken op basis van de gecorrodeerde houtresten in de kistnagels (de rest van het hout is compleet vergaan), voornamelijk uit laagwaardig populier/els te bestaan, dat doorgaans in de nabije omgeving te verkrijgen was.
In oktober 2023 werden menselijke resten ontdekt bij graafwerken naast de Heilig Kruiskerk in Boekhoute, die uitgevoerd werden in het kader van de herbestemming van de kerk tot ontmoetingsruimte. Bij de opgraving die volgde werden in totaal 51 inhumaties blootgelegd en geanalyseerd, daterend van de volle middeleeuwen tot de postmiddeleeuwen. Het kerkhof werd in 1857 buiten gebruik gesteld.
Het onderzoek van de begravingen toonde aan dat de dorpsgemeenschap en de kerk van Boekhoute mogelijk al sinds de 10de eeuw bestonden, wat aanzienlijk ouder is dan tot nu toe bekend was uit historische bronnen. De vondsten wijzen op een doorsnee bevolking die leefde onder relatief moeilijke omstandigheden, met aanwijzingen voor slechte hygiëne en parasitaire infecties. Het onderzoek van de stabiele isotopen toonde verder aan dat het dieet vanaf de 14de/15de eeuw beïnvloed werd door zoet- en zoutwatervoedsel. Deze verandering wordt gelinkt aan de stormvloeden en het ontstaan van de Braakman in 1375, wat leidde tot de ontwikkeling van een vissersgemeenschap.
Aangezien de opgraving beperkt bleef tot de kleine zone die nodig was voor de plaatsing van citernes, blijft een groot deel van het oorspronkelijke kerkhof onaangeroerd. Het is dan ook aannemelijk dat buiten de onderzochte zone nog menselijke begravingen of funeraire contexten aanwezig zijn.
De opgraving leverde de primaire graven van 51 individuen op die allemaal geanalyseerd werden. De aangetroffen individuen konden in de volle middeleeuwen, de late middeleeuwen en de postmiddeleeuwen geplaatst worden. In het jaar 1857 raakte het kerkhof rondom de kerk buiten gebruik door de aanleg van een nieuw kerkhof buiten de dorpskom. Het gebruik van een houten grafkist was voor deze populatie de standaard. Voor 36 individuen kon dit vastgesteld worden door de aanwezigheid van houtaflijningen en kistnagels. Er werden twee kistvormen herkend: rechthoekige en trapezoïde kisten. De meeste individuen zijn uitgestrekt op de rug aangetroffen (88%, n=45). Eén individu lag op de rechterzijde. De armen werden hoofdzakelijk vastgesteld in drie verscheidene posities; langs het lichaam, op de heup en op de borst. Er zijn bij de individuen geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van kledij. De overgrote meerderheid (78%) van de graven blijkt licht af te wijken van de strikt west-oost oriëntatie. Ze zijn namelijk eerder in een zuidwest-noordoost oriëntatie begraven net zoals de oriëntatie van de huidige kerk.
De algemene conclusie van de fysisch-antropologische analyses is dat het gaat om een doorsnee bevolking die wellicht meerdere of langere periodes van stress en moeilijke levensomstandigheden heeft doorstaan. De slechte hygiënische omstandigheden waarin ze leefden konden onder andere afgeleid worden uit de aanwezigheid van parasitaire infecties bij drie volwassen mannen.
Uit de dateringen van de grafcontexten blijkt dat de oudste graven teruggaan tot de 10de eeuw. Omdat het onbetwistbaar gaat om intentionele begravingen op een kerkhof, impliceert dit dat kerk (hoewel daarvan geen sporen zijn aangetroffen) en de dorpsgemeenschap van Boekhoute enkele honderden jaren ouder zijn dan tot dusver gekend uit de historische bronnen.
De vondstcollectie vertegenwoordigt een vrij homogeen ensemble dat in de volmiddeleeuwse periode kan worden gedateerd. Bij het aardewerk kunnen reducerend gebakken ceramiek, Rijnlands roodbeschilderd en oxiderend gebakken aardewerk onderscheiden worden. Bij IND36 werd op de linker tibia een munt aangetroffen, vermoedelijk intentioneel meegegeven in het graf. Het indivudu werd door middel van koolstofdatering gedateerd in de 10de eeuw - begin 11de eeuw.
Auteurs: Moens, Jan; De Decker, Sam
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)