Tijdens de opgraving aan de Weverstraat in Asse werden archeologische sporen aangetroffen uit de late middeleeuwen, vroegmoderne tijd en het einde van de 19de eeuw. Het gaat om (afval )kuilen en greppels zonder echte gebouwstructuren of bijgebouwen.
Enkele van de aangetroffen kuilen zijn vrij omvangrijk en hebben wellicht initieel gefungeerd als leemwinningskuilen. In de loop van de late middeleeuwen (vanaf de 12de eeuw) en de vroegmoderne tijd (tot 15de-16de eeuw) werd er huishoudelijk afval gedumpt in de kuilen. De aangetroffen sporen kunnen dan ook geïnterpreteerd worden als grondsporen die zich in het achterliggende tuingebied bevinden waar men afval deponeerde in kuilen en greppels. Greppel S18 werd gebruikt als landindeling om de grens tussen de verschillende percelen aan te duiden. Vanaf de eerste cartografische bronnen blijkt de greppel omgevormd te zijn tot een voetweg, waarna deze lijn in het landschap in de loop van de 20ste eeuw
opnieuw gebruikt zal worden als perceelgrens.
In het begin van de 18de eeuw werd er een herenwoning opgericht ten westen van de opgravingszone. Deze woning zou vanaf 1835 ingericht worden als zwartzusterklooster met een bijhorend weeshuis. De opgravingszone bevindt zich in de achterliggende tuinzone van het kloosterdomein. Hierbij werden in het noordwesten van de opgravingszone 8 inhumatiegraven aangetroffen van volwassen vrouwen. De fysisch antropologische analyse, textielanalyse en vondsten uit de inhumatiegraven bevestigen dat het om begravingen van de Zwartzusters gaat.
Auteurs: Pepermans, Jeska; Praet, Maarten
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Indar