Naar aanleiding van rioleringswerken en de herinrichting van het centrum van Torhout werd archeologisch onderzoek uitgevoerd. Eerdere proefputten en toevalsvondsten toonden al aan dat het bodemarchief onder het plein en de omliggende straten uitzonderlijk goed bewaard bleek. Ondanks de korte tijdspanne van het veldonderzoek werd een grote hoeveelheid nieuwe data verzameld. Het onderzoek toont aan dat het bodemarchief cruciale lacunes uit de geschreven geschiedenis van de stad opvangt, lacunes die ontstonden na het verlies van het stadsarchief in de 16de eeuw. Het onderzoek documenteert een evolutie van een Romeinse nederzetting naar een religieus centrum in de vroege middeleeuwen, gevolgd door een sterke stedelijke en economische expansie in de 11de-13de eeuw en een duidelijke terugloop in de daaropvolgende eeuwen.
Het onderzoek bevestigde en verfijnde eerdere aanwijzingen voor een Romeinse aanwezigheid in de Torhoutse stadskern. De aangetroffen sporen omvatten onder meer een gracht, paalsporen en een mogelijke waterput. In combinatie met een omvangrijk ensemble aan Romeinse vondsten in secundaire positie, waaronder luxueus tafelwaar, dakpanfragmenten (tegulae/imbrex), mortelcomponenten en indicaties voor een hypocaustum, wijzen deze gegevens op een relatief welvarende nederzetting of site met een bijzondere status. Het merendeel van de vondsten gedateerd in de 2de tot begin 3de eeuw, werd aangetroffen in de zones aan de kerk, maar ook op het plein tussen de kerk en het vrijetijdshuis.
De Pollenanalyse (obv. een grondstaal uit een gracht) wijst op een bosrijk landschap, de verkoolde macroresten (van gebruikelijke graansoorten voor Romeinse vindplaatsen in België) wijzen op landbouw in de omgeving.
Er is geen duidelijke centrale structuur binnen de opgegraven zones aangetroffen, maar de rijkdom aan artefacten impliceert dat steenbouw aanwezig was en dat de kern van de Romeinse occupatie deels buiten de onderzochte zones kan liggen.
Hoewel schriftelijke bronnen nadrukkelijk de aanwezigheid van een religieus centrum ‘cella Turholtensis’ beschrijft in de Merovingische periode, ontbreekt hiervan overtuigend archeologisch bewijs in de opgegraven zones. Alleen een ondergrondse silo (brokjes houtskool gedateerd met 14C tussen 430-610 n.C.) op de huidige markt en enkele vondsten (waaronder een sceatta uit ca. 720-740 n.C.) dateren met enige voorzichtigheid uit deze periode.
In deze silo is dan weer een atypische en niet-dateerbare kling teruggevonden. De silo vertoont ook vormkenmerken uit het neolithicum en de metaaltijden. Deze beperkte indicaties zijn echter onvoldoende om conclusies uit te trekken over dergelijke oudere datering.
Het gebrek aan duidelijke sporen versterkt in elk geval de hypothese dat de Merovingische nederzettingskern zich buiten het onderzoeksgebied situeerde, met name rond de huidige kerkzone.
Torhout speelde een nog meer prominente rol in de Karolingische periode. De massieve funderingsresten van de Karolingische kerk en talrijke geschreven bronnen getuigen hiervan. Toch zijn net als in de Merovingische periode tastbare archeologische sporen uit deze eeuwen erg schaars in de hier besproken onderzoekszone. Het belangrijkste spoor is een brede gracht ten oosten van het vrijetijdshuis van tussen ca. 770 en 900 (14C datering). Daarnaast werden enkele intrusieve Karolingische vondsten in jongere lagen aangetroffen.
Tussen de kerk en het vrijetijdshuis werd onderin het archeologisch pakket een boslaag aangesneden die tot grasland in cultuur was gebracht. De laag werd op basis van 14C-datering tussen de 7de en 9de eeuw gedateerd.
Het beperkt aantal vroege middeleeuwse contexten én de natuurwetenschappelijke gegevens wijzen erop dat deze onderzoekszone dus eerder aan de rand lag van de primaire (monastieke) nederzettingskern en pas in de 2de helft van de vroege middeleeuwen ontgonnen werd.
In de loop van de 11de - eerste helft 12de eeuw breidde de kern zich uit. Dit uitte zich in een groot aantal archeologische resten. Een vondstrijke organische laag vóór de kerk duidt op intensieve activiteit. De bouw van de Romaanse kerk werd archeologisch bevestigd via aangetroffen restanten van de Romaanse kerkhofmuur in veldsteen, gedateerd via stratigrafie en 14C‐analyse in de 11de eeuw.
Ten westen van de kerkhofmuur volgde de met veldsteen verharde weg exact de kromming van die kerkhofmuur om ter hoogte van de huidige Breidelstraat en Hoedemakersstraat langsheen het noordwesten van de markt af te draaien. Deze weg kon verder tot in de Zuidstraat worden gevolgd. De weg werd herhaaldelijk hersteld en opgehoogd. In de organische ophogingslagen werden tal van artefacten gevonden (waaronder munten en gebruiksvoorwerpen). Het herstel en onderhoud van deze noord-zuid verkeersas door Torhout kan gelinkt worden met de internationale faam van Torhout als stad waar vanaf de 2de helft van de 11de eeuw jaarmarkten plaatsvonden.
De start van de economische bloeiperiode zette zich verder in de 2de helft van de 12de en 13de eeuw. Deze periode levert de rijkste en meest diverse archeologische dataset op. De opgraving legde een dicht bebouwde stedelijke structuur bloot.
De identificatie van een substantiële 13de‐eeuwse bakstenen handelshal ten zuiden van de kerk is een van de meest significante resultaten. Zij bevestigt Torhouts rol binnen het stedelijke en economische netwerk van middeleeuws Vlaanderen.
Het huidige marktplein - waar meerdere bouwfasen, organische pakketten en bewoningssporen werden gedetecteerd uit de 11de tot 13de eeuw, functioneerde in deze periode dus niet als open ruimte maar als een intensief gebruikt woon‐ en ambachtsgebied. Deze situatie bleef wellicht bestaan doorgetrokken tot in het midden van de 20ste eeuw, wanneer het centrale bouwblok definitief wordt afgebroken. Langs de weg zijn paalsporen en lemen vloeren waargenomen die wijzen op constructies in vakwerk. De gekende bouwevolutie uit Vlaanderen is hierbij vastgesteld: van verticale palen in uitgegraven putten naar een bouwwijze op houten liggers. Verder zijn centraal op de huidige markt ook funderingen in baksteen en veldsteen aangetroffen, bedoeld als plinten voor constructies in vakwerk.
Uit de 13de eeuw dateert eveneens een klein kerkhofareaal, gelegen ten zuiden van de stadshal. Het is mogelijk verbonden met eenzelfde (adellijke) familie (nog niet bevestigd door DNA onderzoek). Een gebedshuis is niet gevonden in de nabijheid.
Het merendeel van de bevolking moet echter in het kerkhof aan de Sint-Pietersbandenkerk zijn begraven. De beperkte onderzoeksdiepte liet niet toe middeleeuwse skeletten op te graven, maar de oudst aangetroffen begravingen uit eerdere opgravingen dateren wél uit deze periode.
In tegenstelling tot de voorgaande bloeifase toont de 14de eeuw duidelijke signalen van demografische en economische achteruitgang. Brandsporen, kuilen met verbrande leem en asrijke contexten duiden op meerdere episodes van verwoesting, gedateerd in de (late) 13de en begin 14de eeuw via 14C in combinatie met de aangetroffen vondsten. De stilstand in infrastructuurwerken en de recuperatie van straatmateriaal wijzen op een afname van centrale stedelijke functies. Deze bevindingen sluiten aan bij de historische context met regionale conflicten binnen de 100-jarige oorlog en economische verschuivingen.
In tegenstelling tot resten uit de 15de eeuw, die niet tot nauwelijks zijn aangetroffen, zijn er enkele opmerkelijke ensembles uit de 16de eeuw. Zo kan een grote hoeveel pottenbakkersafval, afkomstig uit de vulling van het ondergrondse niveau van de 13de-eeuwse handelshal, gelinkt worden met een pottenbakker die in het midden van de 16de eeuw werkzaam was in Torhout. Het vervaardigen van lokaal vaatwerk, waar Torhout zo bekend om is, kent dus reeds een lange traditie. Enkele ‘greppels’ met verkoolde resten werden eveneens gedateerd in de 16de eeuw. Mogelijk gaat het hier om brandresten die te linken zijn aan de godsdienstoorlogen in deze periode. Een dieptepunt vond plaats 1579, wanneer de stad in vlammen opgaat.
De inwoners bleven wel op het kerkhof begraven worden. Dit resulteerde in een complex meerlagig begravingspakket van anderhalve meter met herbruik van graven. Tijdens het onderzoek werd naast de vele individuele christelijke begravingen ook een meervoudig graf aangetroffen met zes volwassen mannen, wellicht slachtoffers van de woelige periode op het einde van de 18de eeuw.
Auteurs: Demerre, Ine; Vanholme, Nele
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Raap België bvba