Tijdens wegeniswerken in de wegkoffer van de Sint-Elisabethstraat in het stadscentrum van Ieper werden in een werkput van ca. 11 bij 5,5 m de Schipleet en heel wat muurwerk aangesneden die op maandag 26 en dinsdag 27 augustus 2019 door het agentschap Onroerend Erfgoed als toevalsvondst werden onderzocht. Het verdere archeologisch onderzoek bracht met behulp van historische en cartografische bronnen een meerfasig gebruik van deze zone aan het licht. Met behulp van de baksteenformaten gecombineerd met het onderzoek van de historische stadsplannen kon ook de chronologie van deze fasen bepaald worden.
Centraal in de werkput loopt in noord-zuid richting de Schipleet. Tussen de oudste structuren werd het ophogingspakket aangesneden waarmee de vallei van de Ieperlee in de 13de eeuw werd aangevuld om deze brede strook in de stad bouwrijp te maken. Bij toekomstig archeologisch onderzoek in de zone langs de Ieperlee en Schipleet wordt aangeraden een boring te zetten om de dikte van het laatmiddeleeuwse ophogingspakket te verifiëren.
Fase 1 van aangetroffen structuren omvat muur 3 en muurwerk 17 dat wellicht samenging met een oudere fase van muurwerk 14. Ze vormen naar alle waarschijnlijkheid de kademuren van de Schipleet. Muurwerk 17 is zelfs mogelijk de restant van de aanzet van de brug. De aanleg van deze fase kan op basis van de baksteenformaten vermoedelijk na 1600 gedateerd worden. De Schipleet was in deze fase ca. 5 m breed. Aangezien de Schipleet rond 1800 overwelfd werd, is deze fase tussen 1600 en 1800 te dateren.
Fase 2 wordt vertegenwoordigd door kademuren 14 en 16 waarbinnen de overwelving van de Schipleet is gebouwd. De Schipleet is daarbij heel wat versmald; binnen de werkput bedraagt de maximale breedte ca. 3 m, versmallend naar het zuiden toe naar slechts ca. 2 m. Ook riool 13, die via kademuur 14 in de Schipleet uitmondt, en muur 8 zijn tot deze fase te rekenen. Wellicht bevond riool 13 zich onder de bewoning – het ontbreken van een rioolbodem bestempelt het eerder als een afvoergoot – en was muur 8 een binnenmuur; de rooilijn lag toen dus een stuk noordelijker. Deze fase is rond 1800 te dateren.
Fase 3 omvat enkel muur 9, die muur 8 snijdt. Ook muur 9 geeft aan dat de rooilijn noordelijker lag.
Fase 4 wordt vertegenwoordigd door muur 15 en de eerste fase van muur 2, die samen de gevelmuur vormen van een gebouw dat over de ingekokerde Schipleet liep. Deze bebouwing is in de 19de eeuw te dateren. De bakstenen vloer 10 behoort wellicht tot dit gebouw. Ook de aanleg van riool 1 is in deze fase te plaatsen. De riool bevond zich onder het toenmalige wegdek en mondde uit in de Schipleet.
Fase 5 dateert van later/laat in de 19de eeuw, na de introductie van standaard baksteen. Een nieuwe gevelmuur werd opgetrokken. Gezien de bepleistering betrof het wellicht een neo-classicistische lijstgevel, typisch voor de 19de eeuw. In het gebouw volgen de tegelvloeren 6 en 5 elkaar op. Samen met deze verbouwing gebeurde ook een renovatie van de inkokering van de Schipleet. De nieuwe overwelving (21) versmalde de Schipleet tot slechts ca. 1,40 m (aan de zuidkant van de werkput). Riool 1 functioneerde nog steeds; er gebeurde wel een herstelling met de aanleg van een stuk bakstenen gewelf.
Fase 5 eindigt tijdens de Eerste Wereldoorlog; enkel puinen bleven nog over van deze bewoning. De brandlaag die tegelvloer 5 afdekt, getuigt van de vernietiging. Na de Eerste Wereldoorlog wordt de inkokering van de Schipleet niet meer hersteld en dus niet zoals op andere plaatsen vernieuwd met een betonnen overwelving. De Schipleet wordt hier gedempt en de volledige zone wordt genivelleerd met het puinpakket. De rooilijn wordt naar achter geschoven tot de huidige rooilijn, en de restanten van de vooroorlogse en eerdere bewoning en het Schipleet verdwijnen onder het wegdek.
Auteurs: Vanhoutte, Sofie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)