Het aardkundig onderzoek toonde aan dat het plangebied sterk wordt gekenmerkt door alluviale afzettingen en ophogingslagen van voornamelijk 19de‐eeuwse datum. Twee voormalige beeklopen werden vastgesteld, met duidelijke gelaagdheid en sporen van antropogene beïnvloeding. Er werden geen stabiele bodemontwikkelingen of afgedekte loopvlakken aangetroffen die zouden wijzen op langdurige bewoning.
Tijdens het veldwerk werden 19 bodemsporen geregistreerd. Na uitsluiting van natuurlijke lagen en recente verstoringen bleven 15 archeologisch relevante sporen over. Deze omvatten onder meer greppel- en grachtsegmenten, kuilen, een paalspoor, recente lagen, een bakstenen goot en resten van muurwerk. De meeste sporen dateren uit de late middeleeuwen tot de nieuwe en nieuwste tijd, met een duidelijke concentratie in de 19de eeuw. De oudste archeologisch interpreteerbare elementen zijn de beeklopen, die op basis van stratigrafie en vondstmateriaal in de late middeleeuwen worden geplaatst. Er werden geen pre‐ of vroegmiddeleeuwse bewoningssporen aangetroffen.
In totaal werden 17 vondsten ingezameld. Het vondstmateriaal bestaat hoofdzakelijk uit aardewerk, aangevuld met natuursteen, een beperkt aantal metaalvondsten en één fragment onverbrand dierlijk bot. Het aardewerk dateert overwegend uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (ca. 15de–19de eeuw) en werd voornamelijk aangetroffen in grachtvullingen en ophogingslagen. Na determinatie werd een deel van het materiaal gedeselecteerd wegens beperkte archeologische informatiewaarde.
Auteurs: Anoniem; Derweduwen, Natascha
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Raap België bvba