In de onderste vlakken van de opgravingsput zijn heel wat romeinse sporen aangetroffen. Door de beperkte oppervlakte van de werkput kunnen de sporen niet specifieker worden gedetermineerd dan een lagen en/of kuilen. Op basis van de aanzienlijke hoeveelheid Romeins aardewerk, keramische bouwelementen en natuursteen met mortelresten kunnen deze sporen wel in de 2de en mogelijk nog in de vroege 3de eeuw n C. gedateerd worden. De Doornikse kalksteen met mortelresten wijst op Romeinse steenbouw. De vondsten wijzen in elk geval op de aanwezigheid van een Romeinse occupatie met een eerder luxueus of elitair karakter. Dit bleek ook al uit de eerdere opgravingen in de omgeving.
Vanaf de volle middeleeuwen tot aan de opgave van het parochiekerkhof in 1806, maakte de tuin waar het onderzoek plaatsvond deel uit van het kerkhof-areaal (cf. onderzoek Raakvlak 2010). Het gaat om een dik begravingspakket en inhumaties van 53 individuen die zelden nog compleet werden aangetroffen. Door de vele vergravingen is een individuele datering van de inhumaties niet meer mogelijk. De skeletresten kunnen op basis van 14C onderzoek echter wel gedateerd worden tussen de 11de en 18de eeuw. Het gaat om een doorsnee kerkhofpopulatie volgens de leeftijds- en geslachtsverdeling. Ook de pathologieƫn zijn niet uitzonderlijk. Het aardewerk is afkomstig uit de kerkhofgrond. Het gaat dus om intrusief materiaal maar dateert ook tussen de 13de en 18de eeuw.
Auteurs: Demerre, Ine; De Decker, Sam
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)