De opgravingsresultaten tonen aan dat er in meerdere periodes bewoning was, van de late bronstijd tot en met de vroege middeleeuwen, en dat er in latere periodes, vanaf de late middeleeuwen, landgebruik plaatsvond. Het was niet mogelijk om alle sporen aan een specifieke periode toe te wijzen, met als gevolg dat de fasering en interpretatie van de site onduidelijk blijven.
De aanwezigheid van paalsporen, kuilen en enkele gebouwplattegronden wijst op bewoning tijdens verschillende periodes. De resultaten van de radiokoolstofdateringen zijn te groeperen in drie fasen: de late bronstijd/vroege ijzertijd, late ijzertijd/vroeg-Romeinse tijd en vroege middeleeuwen.
Van de late middeleeuwen tot in recentere tijden zijn perceels- of afwateringsgreppels gegraven in het kader van landgebruik.
Auteurs: Debruyne, Sofie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
Het was moeilijk om individuele sporen aan een specifieke periode toe te wijzen omdat het vondstmateriaal voornamelijk uit weinig diagnostisch handgevormd aardewerk bestond. Uit de radiokoolstofanalyses blijkt dat verschillende periodes vertegenwoordigd zijn, van de late bronstijd tot en met de vroege middeleeuwen. De grondsporen waren slecht bewaard. Er konden enkele plattegronden herkend worden, onder andere van spiekers. Een opvallend spoor was een kuil uit de late ijzertijd die veel houtskool van eik bevatte. Het betreft waarschijnlijk geen kuilmeiler omwille van de datering, en de afwezigheid van sporen van verhitting.