Tijdens het proefputtenonderzoek met ingreep in de bodem werden in totaal 11 spoornummers uitgedeeld aan lagen, kuilen en muren. De muren konden op basis van historisch kaartmateriaal en stratigrafische relaties gekoppeld worden aan de gebouwen zoals weergegeven op 19de-eeuws
kaartmateriaal. Hoewel er verschillende ophogingspakketten aanwezig zijn boven op de begraven (laatmiddeleeuwse) ploeglaag, zijn ze ruim te dateren in de 18de-19de eeuw. Stratigrafisch is het bovenste pakket jonger, echter gezien in de verschillende ophogingslagen gediversifieerd
vondstmateriaal voorkomt, is een preciezere datering moeilijk te maken. Op basis van de ingraving van de 19de-eeuwse muurresten, kan het wel zo zijn dat het bovenste pakket bv. 19de-eeuws is, terwijl het onderste eerder in de tweede helft van de 18de eeuw te situeren valt. Het aangetroffen
vondstmateriaal omvat overwegend huishoudelijk afval met tafelwaar (eet- en drinkgerei), kookwaar en huisraad of consumptieafval. De steelpan en enkele kookpotten vertonen ook roetsporen op de onderzijde. Ze zijn dus duidelijk ook gebruikt. Gedurende het tweede en derde kwart van de 18de eeuw, maakte het Maelsloth met achtergelegen zone deel uit van het minderbroeders kloostercomplex en werd op dat moment bewoond door de geestelijke moeder ervan. Hierna kent het pand verschillende eigenaars; gewone tot vooraanstaande burgers en leden van de Heilig Hartpriorij. Het aangetroffen vondstmateriaal is niet uitgesproken luxueus en past zowel binnen het beeld van de levensstijl van religieuzen, evenals burgers. Het is dus niet specifiek te linken aan één van de eigenaren. In de C-horizont, onder de begraven ploeghorizont, en op dieptes van ca. 145 à 170 cm beneden het maaiveld, werd nog een laatmiddeleeuws sporenniveau aangetroffen dat op basis van vondstmateriaal als dusdanig gedateerd kon worden. Het gaat steevast om kuilen.
Auteurs: Pepermans, Jeska
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Indar