Op 14 november 2024 meldde een wandelaar een zinkgat op een publiek pad in het Provinciedomein Gasthuisbossen in Ieper. In het gat, ongeveer 50 cm breed en tot anderhalve meter diep, waren houten balken zichtbaar. Gezien de ligging in de frontzone van de Eerste Wereldoorlog werd een verband vermoed met een ondergrondse oorlogsstructuur, waarna de vondst als archeologische toevalsvondst werd gemeld.
Omdat het zinkgat zich op een druk gebruikt wandelpad bevond en door uitspoeling een holle ruimte was ontstaan, moest het om veiligheidsredenen vergroot en gestabiliseerd worden. Dit gebeurde onder archeologische begeleiding van het agentschap Onroerend Erfgoed en de dienst Erfgoed van de Provincie West-Vlaanderen. Bij dit onderzoek kwam een uitzonderlijk goed bewaarde houten schuilplaats uit de Eerste Wereldoorlog aan het licht.
De schuilplaats is een kleine rechthoekige ruimte van 1,63 bij 2,45 m met een interne hoogte van 1,65 m, opgebouwd uit zware vierkante palen met goed bewaarde wanden en vloer. Het zinkgat was ontstaan door het instorten van een deel van het houten dak. De schuilplaats bevond zich op het eind van een ondiepe tunnel, die in noordelijke richting verder liep en vermoedelijk uitgaf op de Breyerweg, een verbindingsloopgraaf tussen de eerste en de tweede Duitse linie. Historische luchtfoto’s geven aan dat de schuilplaats vermoedelijk rond juni 1916 werd gebouwd door het Duitse leger. Direct ten westen werden in dezelfde periode een aantal zware bunkers en versperringen aangelegd. Mogelijk gaat het hier om een lokaal commandocentrum, waar de houten schuilplaats deel van uitmaakt. Er zijn geen aanwijzingen dat de schuilplaats nog gebruikt werd na de Derde Slag van Ieper en de Britse verovering in september 1917.
Na registratie van de constructie werd ze terug gevuld met grond, en werd het recreatiepad hersteld. Op het dak na is de schuilplaats hierdoor volledig in situ bewaard.
Auteurs: De Decker, Sam
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)