Teksten van De Haan Concessie

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/122109

De Haan Concessie ()

ALGEMENE SITUERING

Villawijk in de badplaats De Haan, die begrensd wordt door de Noordzee (noorden), de gedeeltelijk beboste duinstroken (noordoosten en zuidwesten) en de Nieuwe Rijksweg (N34e) (zuiden).

Quasi parallel met de kustlijn wordt de Concessie in het noordwesten doorsneden door de historische kustbaan (Koninklijke Baan). Fysisch-geografisch gezien is de Concessie gelegen in de duinen en bewaart er zoveel mogelijk het oorspronkelijke reliëf van.

HISTORISCHE INLEIDING

Vanaf het einde van de 19de eeuw ontwikkelt het gehucht De Haan zich tot badplaats. In 1887 verzoekt koning Leopold II Louis Leopold Van der Swaelmen senior, een plan te ontwerpen om de duinen tussen Oostende en Blankenberge te bebossen en tot een groot park om te vormen. Binnen dit concept wordt ter hoogte van het huidige De Haan een idyllische modelvillaverkaveling voorzien, geïnspireerd op de toenmalige Engelse tuinwijkgedachte. Het stedenbouwkundig plan voor De Haan wordt in 1888 uitgetekend door de Londense architect William Kidner. Zijn ontwerp kenmerkt zich door een centrale, cirkelvormige aanleg met er omheen door elkaar kruisende slingerwegen die het duinenreliëf volgen. Op 29 juli 1889 verkrijgen architect Edouard Colinet (Oostende) en Albert Passenbronder (Antwerpen) van de Belgische Staat een erfpacht voor circa 50 ha duin, gelegen ten noorden van de tramlijn op het grondgebied van Klemskerke en Vlissegem. Als eigenaar bepaalt de Staat een aantal voorschriften met betrekking tot de stedenbouwkundige en architecturale vormgeving. Opgelegd worden onder meer een voldoende bebossing en een beperkte bouwoppervlakte voor het verplichte villatype; de bouwvergunningen en de aanleg van de wegen zijn onderworpen aan de goedkeuring van Bruggen en Wegen. Ten gevolge van het overlijden van architect Colinet komt de Concessie, na enige moeilijkheden in verband met de opvolging, op 4 april 1896 in handen van de "Société Anonyme de Coq-sur-Mer", met notaris Delphin Depuydt, burgemeester van Gistel, en Léon Herreboudt, verzekeringsagent te Brussel, als aandeelhouders.

Het eerste officiële urbanisatieplan wordt goedgekeurd bij B.V.R. van 08/02/1900; oudere plannen respectievelijk van 1898 en 1899 tonen voornamelijk de toestand van het aangelegde wegennet met de Leopoldlaan als centrale noord-Zuid-as, waaraan de eerste bebouwing ontstaat. Het officiële plan vertoont een romantische verkaveling, geïnspireerd op de Engelse landschapsaanleg, de rust bevorderend en uitnodigend tot wandelen. Het gebied is ingedeeld in grillige blokken, waarin regelmatige kavels met villa's. De wegen hebben een gebogen tracé en zijn opgedeeld in drie categorieën van respectievelijk 6, 10 en 15 meter breedte die het verschil uitmaken tussen wandelpaden en lanen; de Koninklijke Baan volgt nagenoeg de kustlijn; centrale, deels cirkelvormige lanen als de Leopold-, Clementina-, Maria Hendrika- en de Albertlaan omsluiten het "Parc Royal", in de volksmond "La Potinière", eertijds opgebouwd rond een kiosk, thans minigolf en tennis.

In 1904 wordt de Concessie voor het eerst uitgebreid met de hoge duin van 3 ha, gelegen ten noorden ervan. Ter bescherming van de duin en van de badplaats is men genoodzaakt een stenen glooiing (dijk) te bouwen. Deze infrastructuurwerken, uitgevoerd door de Staat en voor de helft bekostigd door de vermelde N.V., zijn voltooid in 1907. De stenen glooiing is voorzien van een wandelgang, het strand wordt toegankelijk gemaakt via drie trappen en twee verbindingswegen worden aangelegd tussen de Koninklijke Baan en de rudimentaire Zeedijk, samen met twee grasperken. Hetzelfde jaar gaat deze N.V. in vereffening.

Op 2 augustus 1911 wordt een nieuwe N.V."Le Coq-sur-mer" opgericht, voornamelijk bestaande uit Brusselaars, onder meer de architecten Ernest Acker en Camille Damman; laatstgenoemde wordt aangeduid als "administrateur-directeur". Een jaar later sluit deze N.V. met de Belgische Staat een overeenkomst, waarin de regels, opgesteld door architect-urbanist J. Stübben, worden aanvaard; voor het eerst wordt de huurders de mogelijkheid geboden een lot in volle eigendom te verwerven. Tezelfdertijd wordt de Concessie voor de tweede maal uitgebreid met 15 ha, gelegen ten oosten van de bestaande; net zoals voor de vorige erfpachten geldt 28 juli 1979 als einddatum. Het plan met als titel "Extension et Amémagement de la colonie balnéaire de Coq" naar ontwerp van Josef Stübben, daterend van 20 november 1910, is vermoedelijk opgesteld in opdracht van de Staat. In vergelijking met het plan van 1900 vallen enkele structurerende, "geometrische" aanpassingen op. Belangrijk is de centrale, rechte oost-westas (Jean d'Ardenne-, Normandiëlaan) waarop - van west naar oost - een ovaal, een cirkelvormig en een rechthoekig plein zijn geënt. Het deel tussen de Koninklijk Baan en de zee is deels geherstructureerd door het toevoegen van enkele toegangen tot de Zeedijk, de nu zogenaamde "hellingen"; ter hoogte van de Christina- en de Bretoenselaan wordt het halfronde Christinaplein gecreëerd als tegenhanger van het Leopoldplein. Het plan van Josef Stübben voorziet een verhoging van de dijk met wandelweg. Het nieuw toegevoegde Oostelijke deel van de huidige Concessie wordt volgens een geometrischer schema verkaveld zie rechte lanen zoals de Waterkasteel-, Marie José-, Louisa-, Prins Karellaan. Vroegere voorschriften zoals maximale groenvoorziening, met verhouding 1/3 terreinbezetting en 2/3 begroeiing en het behoud van het duinenreliëf blijven bewaard.

In 1912 wordt een conventie, opgesteld naar de richtlijnen van Stübben, gesloten die inhoudelijk in feite neerkomt op een verfijning en een verstrakking van de bepalingen vastgelegd bij de stichting in 1889. Deze overeenkomst valt uiteen in twee delen: algemene en de specifieke voorwaarden; laatstgenoemde gelden respectievelijk voor de vier zones waarin de Concessie is opgedeeld. Algemene voorwaarden waren onder meer: alle constructies nemen het type aan van villa's, "maisons de plaisance" of cottages; zeer gedetailleerde plans worden voorgelegd aan de Dienst voor Bruggen en Wegen; er wordt geen reclame aangebracht op de gevels; omheiningen met een maximale hoogte van 50 cm worden ten laatste op 1 juni van het jaar volgend op de bouw van het huis opgericht.

Voor de zone ten zuiden van Koninklijke Baan gelden de volgende richtlijnen: met uitzondering van enkele precies aangeduide zones worden enkel een- of tweegezinswoningen gebouwd; de loten voor alleenstaande villa 's bedragen minimum 400 m2; de gebouwen worden op minimum 4 m van de baan en van de aangrenzende loten opgetrokken; alle gevels worden naar behoren versierd. In de zone te noorden van de Koninklijke Baan worden de gebouwen in groepen of alleenstaand opgericht, volgens de aanduidingen op het plan. De gebouwen liggen minstens 4 m van de Koninklijke Baan, deze wijkruimte kan rond de squares en de binnenwegen ofwel verminderd ofwel weggelaten worden. De Zeedijk werd opgedeeld in twee zones, één voor aaneengesloten en één voor losstaande bebouwing. Op de drie plaatsen, met voorzien behoud van het duinenreliëf, worden eengezinswoningen of losstaande meergezinswoningen gebouwd, die in grote lijnen aan de dezelfde voorwaarden zijn onderworpen als de bebouwing ten zuiden van de Koninklijke Baan . De aaneengesloten bebouwing aan de Zeedijk moet o.m. beantwoorden aan volgende voorwaarden: de voorgevels zijn naar behoren versierd; de achtergevels zijn bekleed met helder gekleurde, gevoegde baksteen of beschilderd of bepleisterd in een heldere kleur; de achtergevels worden steeds goed onderhouden.

Voor elk van de vier zones zijn bepalingen ingelast in verband met de afmetingen van loggia's, balkons en in verband met de inplanting en afwerking van de externe keldertrappen.

In 1979 is het concessiecontract afgelopen. Om het karakter van de badplaats te behouden wordt krachtens het K.B. van 24/06/1981 de perimeter van een dorpsgezicht met daarin drie monumenten vastgelegd. Dit dorpsgezicht omsluit het gedeelte gelegen rond de noord-zuidas vertrekkende vanaf het tramstation, tot aan de Koninklijke Baan en vervolgens het gedeelte aan de Rembrandtlaan met een tiental villa's naar ontwerp van de Gentse architect Valentin Vaerwyck. Het tramstation (Klemskerke, Nieuwe Rijksweg nummer 1), de kiosken (Koninklijk Plein zonder nummer en Leopoldlaan rechts van nummer 1) en het huidige gemeentehuis (Leopoldlaan nummer 24) werden toen beschermd als monument.

Als gevolg van het B.V.R. van 02/10/1986 is het BPA De Haan-Concessie van kracht: via een reeks stedenbouwkundige voorschriften wordt gepoogd de aanleg van de Concessie te behouden. Na zes jaar blijkt het BPA echter niet voldoende garanties te bieden voor het behoud van het karakteristieke beeld waardoor bij B.V.R. van 8/03/1995 de hele concessie wordt beschermd als dorpsgezicht. In 2008 geeft de gemeente de opdracht voor de opmaak van een herwaarderingsplan dat moet toelaten een dynamischer erfgoedbeleid te voeren aangezien de eigenaars vanaf de goedkeuring ervan kunnen beroep doen op de onderhoudspremie voor beschermde monumenten. Het herwaarderingsplan is bij M.B. van 05/12/2011 goedgekeurd.

RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BOUWKUNDIG ERFGOED

Het grosso modo uitgevoerde aanlegplan naar ontwerp van Josef Stübben (1910) is tot op heden bewaard. De bebouwing bestaat uit een conglomeraat van kleinschalige villabouw, onder meer meergezinswoningen, aangevuld met enkele grote indrukwekkende gebouwen (hotels, homes) voornamelijk geconcentreerd aan de Leopoldlaan. De oudste bebouwing - type alleenstaande burgerhuizen met verdieping en pittoresk dakenspel - daterend van rond de eeuwwisseling, ligt voornamelijk aan en in de omgeving van de noord-zuidas, zoals onder meer de tweegezinsvilla zogenaamd "Gallica" en "Canteklaar" (Leopoldlaan nummers 2-4) van 1890; het voormalige Casino, opgetrokken in exotische stijl in 1899, werd afgebroken in 1929; "Le Grand Hôtel du Coq-sur-Mer" (Leopoldlaan nummer 24), het huidige gemeentehuis dateert van 1898. Voorts geleidelijke invulling van de kavels met recentste bebouwing in het uiterste Oostelijke gedeelte (Waterkasteellaan en omgeving).

De bebouwing aan de Zeedijk dateert van het einde van de jaren 1920-1930 aan de Westzijde; de Oostzijde is eerder bebouwd met losstaande appartementsblokken van het einde van de jaren 1940-begin 1950; tevens grote nieuwbouw uit jaren 1990. Het gaat hier duidelijk om vrijetijdsarchitectuur, gekoppeld aan het begrip van vakantie en ontspanning, zowel voor de privé-woningen (voornamelijk tweede verblijven) als voor de publieke residenties (hotels, homes, pensions). De laatste jaren duidelijke verschuiving naar het opdelen van grotere gebouwen tot appartementen en het verdwijnen van hotels; weliswaar opkomst van B&B's. De hybride bouwstijl sluit veelal aan bij de Anglo-Normandische bouwtrant of de "cottagestijl". Typerend zijn het wisselend dakenspel onder meer met wolfseinden, dakvensters en -kapellen; pseudo-vakwerk in de bovenpartijen; erkers, loggia's, balkons; verzorgd houtwerk onder meer standvinken, schoorstukken, modillons, leuningen, luiken, kleine roedeverdelingen. Art-deco-invloed komt tot uiting in een aantal constructies, hetzij in de volumewerking, hetzij in de gevelversiering; frequent is de combinatie van Normandische en art-decokenmerken. Enkele villa's sluiten uitzonderlijk aan bij het modernisme onder meerenkele vroege ontwerpen van architect Léon Ide (De Haan), één werk van Jules Lippens (Gent). Belangrijke creaties van architect Valentin Vaerwyck (Gent), daterend van de jaren 1925-1927, liggen voornamelijk aan de Rembrandtlaan (nummers 10-19) en sluiten aan bij de traditionele landelijke stijl naar "Vlaams concept". Naar het einde van de jaren 1930 toe worden reeds kleinere, oudere cottages verbouwd en verruimd; ook komt op samengevoegde percelen eerder gegroepeerde villabouw voor, opgenomen in een eenheidsproject voor twee à drie vakantiehuizen. Omtrent dezelfde tijd verschijnen de eerste "moderne" en gerieflijke flats ondergebracht in doorsneeconstructies met villa-allures. Wat al deze vakantieverblijven gemeen hebben is de uitgekiende inplanting, het voordelig gebruik van terreinhellingen en de "functionele" organisatie van de interieurs afgestemd op maximaal gebruik van onconventionele ruimten zonder overbodige circulaties. De bouwpercelen zijn volgens de voorschriften steeds omheind hetzij door een bakstenen muurtje aansluitend bij de bouwtrant met het hoofdgebouw; vaak worden gevelstenen met namen van architect en aannemer ingewerkt in de pijlers van het toegangspoortje. Afzonderlijke of aangebouwde garages komen reeds voor in bewaarde bouwaanvragen vanaf het midden van de jaren 1920. Niettegenstaande de bouwheren voornamelijk uit het binnenland afkomstig zijn (Brussel, Gent, Antwerpen, Brugge, ...) komen in verhouding niet zoveel architecten uit deze steden voor, wel onder meer Gustave Carlier (Brussel), Valentin Vaerwyck (Gent), Antoine Laenen (Schaerbeek), Edmond Lauwens (Antwerpen), Viérin (Brugge), en Frits Coppieters (Gent). Veel en lang voorkomende architect is Léon Ide; daarnaast doch in mindere mate ook (burgemeester) Maurice Haegebaert (De Haan) en architect René Derleyn (Wenduine). Tijdens de oorlogsjaren worden een aantal villa's doeltreffend beschadigd; deze worden nadien terug opgebouwd, veelal met verschillende aanpak: enerzijds naar oorspronkelijk (licht vereenvoudigd) plan of anderzijds volledig nieuw, passend in de vereenvoudigde, naoorlogse "landelijke stijl"-mode, zie een zekere stijleenheid vertonend met citaten uit de streekeigen bouwtrant: onder meer overkragende dakranden, steunberen, sierankers, geprofileerde deuromlijstingen, beluikte vensters, gepikte plinten, tuitgevels met getrapte schouderstukken. Wederopbouw gebeurt vaak door "lokale" architecten als onder meer Léon Ide en Maurice Haegebaert, die ook verder buiten de Concessie plannen ontwerpen voor kleinere eengezinswoningen (onder meer in de context van de Wet De Taeye). Vanaf de jaren 1950 toenemende vervlakking en clichematigheid van de "landelijke" kenmerken en ontbreken van de cottage-invloeden, zie massievere volumes, verdwijnen van het vakwerk en verdwijnen van de gelaagdheid door de uniforme gevelbehandeling, in casu witbeschilderde gevels met witgeschilderd schrijnwerk. Voornamelijk in oostelijk gedeelte van villawijk (zie Spreeuwen-, Waterkasteellaan et cetera) met verschillende ontwerpen van architect Léon Ide. Verschillende villa's zijn de laatste decennia gaan dienen als permanente bewoning en verschillende villa's zijn parallel met de groei van het toerisme - voornamelijk langs de grote assen - op de begane grond omgevormd voor handels- en horecadoeleinden.

  • BALLEGEER J., De Haan in oude prentkaarten. Zaltbommel, 1982.
  • BALLEGEER J. & VANDENBERGHE E., Tussen Noord-ee en Noordzee in oude prentkaarten. Zaltbommel, 1978.
  • BOTERBERGHE R., Geschiedenis van de landelijke parochies Klemskerke-Vlissegem en van de badplaats De Haan, Brugge, 2000.
  • CONSTANDT M., 100 jaar toerisme. Een eeuw vakantie in West-Vlaanderen, Tielt, 1986, p. 316-321.
  • DELETANG M., Le Coq-sur-mer sous le signe de Léon Ide, in Bâtir, juli 1938, nummer 68, p. 316-320.
  • DELETANG M., Evolution de l'architecture régionale, in La Maison, 1946, nummer 2, p. 54-56.
  • DEMEY A., Valentin Vaerwyck. Van Oud-Vlaenderen tot nieuw provinciehuis, Gent, 1993.
  • DEVENT G., Zee en duinen. Kusttoerisme in de 19de eeuw, Brugge, 1991.
  • DEVENT G., De Oostkust van toen; van Knokke tot Bredene, Brugge, s.d.
  • IDE Y., Leon-Ed. Ide. Een levensbeschouwing in het licht van een plaatstelijke ontwikkeling. Onuitgegeven studie, 1995.
  • GILLES P., Nos architectes au littoral, in Batir, 1937, nummer 56, p. 1297-1304.
  • S.n., Villas à Coq sur Mer. Archtitecte: Léon Ide, in La Maison, 1948, nummer 8, p. 186-188.
  • S.n., Habitations à Coq-sur-Mer. Architecte: Léon Ide. in La Maison, 1949, nummer 8., p. 248-249.
  • STAESEN L., Ontstaan en ontwikkeling van de Concessie De Haan-aan-Zee rond de eeuwwisseling (1886-1912). Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Gent, 1984-85.
  • VANDENBERGHE E. e.a., De Haan: van gehucht tot elegante badplaats, s.l., 1996.
  • Herwaarderingsplan Concessie De Haan, Kleio en Mino, 2011.

Auteurs:  Vanwalleghem, Aagje
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: De Haan Concessie [online], https://id.erfgoed.net/teksten/141140 (geraadpleegd op ).


De Haan Concessie ()

Op 29 juli 1889 verkrijgen architect E. Colinet (Oostende) en A. Passenbronder (Antwerpen) van de Belgische Staat een erfpacht voor circa 50 ha duin, gelegen ten noorden van de tramlijn op het grondgebied van Klemskerke en Vlissegem. Als eigenaar bepaalt de Staat een aantal voorschriften met betrekking tot de stedenbouwkundige en architecturale vormgeving. Opgelegd worden onder meer een voldoende bebossing en een beperkte bouwoppervlakte voor het verplichte villatype; de bouwvergunningen en de aanleg van de wegen zijn onderworpen aan de goedkeuring van Bruggen en Wegen. Ten gevolge het overlijden van architect E. Colinet (Oostende) komt de Concessie na enige moeilijkheden met betrekking tot de opvolging op 4 april 1896 in handen van de "Société Anonyme de Coq-sur-Mer", met notaris D. Depuydt, burgemeester van Gistel, en L. Herreboudt, verzekeringsagent te Brussel, als aandeelhouders.

Het eerste officiële urbanisatieplan wordt goedgekeurd bij M.B. van 8 februari 1900; oudere plannen respectievelijk van 1898 en 1899 tonen voornamelijk de toestand van het aangelegde wegennet met Leopoldlaan als centrale noord-zuidas, waaraan de eerste bebouwing ontstaat. Het officiële plan vertoont een romantisch verkavelingsplan, geïnspireerd op de Engelse landschapsaanleg, de rust bevorderend en uitnodigend tot wandelen. Het gebied is ingedeeld in grillige blokken, waarin regelmatige kavels met villa's. De wegen hebben een gebogen tracé en zijn opgedeeld in drie categorieën van respectievelijk 6, 10 en 15 m breedte die het verschil uitmaken tussen wandelpaden en lanen; de Koninklijke Baan volgt nagenoeg de kustlijn, centrale, deels cirkelvormige lanen als de Leopold-, Clementina-, Maria Hendrika- en de Albertlaan, omsluiten het "Parc Royal", in de volksmond "La Potinière", eertijds opgebouwd rond een kiosk, thans minigolf en tennis.

In 1904 wordt de Concessie voor het eerst uitgebreid met de hoge duin van 3 ha, gelegen ten noorden ervan. Ter bescherming van het duin en van de badplaats was men immers genoodzaakt een stenen glooiing te bouwen. Deze infrastructuurwerken, uitgevoerd door de Staat en voor de helft bekostigd door de vermelde N.V. zijn voltooid in 1907. Hierbij wordt een stenen glooiing met wandelgang opgericht, het strand toegankelijk gemaakt via drie trappen en twee verbindingswegen aangelegd tussen de Koninklijke Baan en de rudimentaire Zeedijk, samen met twee grasperken. Hetzelfde jaar gaat deze N.V. in vereffening.

Op 2 augustus 1911 wordt een nieuwe N.V."Le Coq-sur-mer" opgericht, voornamelijk bestaande uit Brusselaars, onder meer de architecten E. Acker (Sint-Gillis) en C. Damman (Elsene); laatstgenoemde aangeduid als "administrateur-directeur". Een jaar later sluit deze N.V. met de Belgische Staat een overeenkomst, waarin de regels, opgesteld door architect-urbanist J. Stübben, worden aanvaard; voor het eerst wordt de huurders de mogelijkheid geboden een lot in volle eigendom te verwerven. Later wordt de Concessie voor de tweede maal uitgebreid met 15 ha, gelegen ten oosten van de bestaande; net zoals voor de vorige erfpachten geldt 28 juli 1979 als einddatum.

Het plan met als titel "Extension et Amémagement de la colonie balnéaire de Coq" naar ontwerp van J. Stübben, daterend van 20 november 1910, is vermoedelijk opgesteld in opdracht van de Staat. In vergelijking met het plan van 1900 vallen enkele structurerende, "geometrische" aanpassingen op. Belangrijk is de centrale, rechte oost-westas (Jean d'Ardenne-, Normandiëlaan) waarop - van west naar oost- een ovaal, een cirkelvormig en een rechthoekig plein zijn geënt. Het deel tussen de Koninklijk Baan en de zee werd deels geherstructureerd door het toevoegen van enkele toegangen tot de Zeedijk de nu zogenaamde "hellingen"; onder meer ter hoogte van de Christina- en de Bretoenselaan wordt het halfronde Christinaplein gecreëerd als tegenhanger van het Leopoldplein. Het plan van J. Stübben voorziet een verhoging van de dijk met wandelweg. Het oostgedeelte, de tweede uitbreiding, wordt volgens een geometrischer schema verkaveld zie rechte lanen zoals Waterkasteel-, Marie José-, Louisa-, Prins Karellaan... Vroegere voorschriften zoals maximale groenvoorziening, met verhouding 1/3 terreinbezetting en 2/3 begroeiing en het behoud van het duinenreliëf blijven bewaard.

De conventie van 1912, opgesteld naar de richtlijnen van Stübben, komt in feite neer op een verfijning en een verstrakking van de bepalingen vastgelegd bij de stichting in 1889. Deze overeenkomst valt uiteen in twee delen: algemene en de specifieke voorwaarden; laatstgenoemde gelden respectievelijk voor de vier zones waarin de Concessie is opgedeeld. Algemene voorwaarden waren onder meer: alle constructies nemen het type aan van villa's, "maisons de plaisance" of cottages; zeer gedetailleerde plans worden voorgelegd aan de Dienst voor Bruggen en Wegen; er wordt geen reclame aangebracht op de gevels; omheiningen met een maximale hoogte van 50 cm worden ten laatste op 1 juni van het jaar volgend op de bouw van het huis opgericht.

Voor de zone ten zuiden van de Koninklijke Baan gelden de volgende richtlijnen: met uitzondering van enkele precies aangeduide zones worden enkel een- of tweegezinswoningen gebouwd; de loten voor alleenstaande villa 's bedragen minimum 400 m2; de gebouwen worden op minimum 4 m van de baan en van de aangrenzende loten opgetrokken; alle gevels worden naar behoren versierd.

In de zone te noorden van de Koninklijke Baan worden de gebouwen in groepen of alleenstaand opgericht, volgens de aanduidingen op het plan. De gebouwen liggen minstens 4 m van de Koninklijke Baan, deze wijkruimte kan rond de squares en de binnenwegen ofwel verminderd ofwel weggelaten worden.

De Zeedijk werd opgedeeld in twee zones, één voor aaneengesloten en één voor losstaande bebouwing. Op de drie plaatsen, met voorzien behoud van het duinenreliëf, worden eengezinswoningen of losstaande meergezinswoningen gebouwd, die in grote lijnen aan de dezelfde voorwaarden zijn onderworpen als de bebouwing ten zuiden van de Koninklijke Baan. De aaneengesloten bebouwing aan de Zeedijk moet onder meer beantwoorden aan volgende voorwaarden: de voorgevels zijn naar behoren versierd; de achtergevels zijn bekleed met helder gekleurde, gevoegde baksteen of beschilderd of bepleisterd in een heldere kleur; de achtergevels worden steeds goed onderhouden.

Voor elk van de vier zones zijn bepalingen ingelast in verband met de afmetingen van loggia's, balkons en in verband met de inplanting en afwerking van de externe keldertrappen.

In 1979 is het concessiecontract afgelopen. Om het karakter van de badplaats te behouden werd krachtens het K.B. van 24.06.1981 de perimeter van een dorpsgezicht met daarin drie monumenten vastgelegd; deze omsloot het gedeelte gelegen rond de noord-zuidas vertrekkende vanaf het tramstation, tot aan de Koninklijke Baan en vervolgens het gedeelte aan de Rembrandtlaan met een tiental villa's naar ontwerp van architect V. Vaerwyck. Het tramstation (Markt 2), de kiosken (Koninklijk Plein) en het huidige gemeentehuis (Leopoldlaan 24) werden toen beschermd als monument.

Ten gevolge het M.B. van 02.10.1986 is het BPA De Haan-Concessie van kracht; via een reeks stedenbouwkundige voorschriften wordt gepoogd de aanleg van de Concessie te behouden. Na zes jaar bleek het BPA niet voldoende garanties te bieden voor het behoud van het karakteristieke beeld; daarom is thans de de hele concessie beschermd als dorpsgezicht bij B.V.R. 8.03.1995.

Het grosso modo uitgevoerde aanlegplan naar ontwerp van J. Stübben (1910) is tot op heden bewaard. De bebouwing bestaat uit een conglomeraat van kleinschalige villabouw, onder meer meergezinswoningen, aangevuld met enkele grote indrukwekkende gebouwen (hotels, homes) voornamelijk geconcentreerd aan de Leopoldlaan. Ook hotels + horeca en winkels aan de Koninklijke baan, afwisseling alleenstaande en aaneengesloten bebouwing, laatstgenoemde ook op "hellingen" naar Zeedijk; vervangende nieuwe bouw.

De oudste bebouwing, - type alleenstaande eclectische burgerhuizen met bovenverdieping en pittoresk dakenspel - daterend van rond de eeuwwisseling, ligt voornamelijk aan en in de omgeving van de noord-zuidas, zoals onder meer de tweegezinsvilla "Cantecler" (Leopoldlaan 2-4) van 1890; het voormalige Casino, opgetrokken in exotische stijl in 1899, werd afgebroken in 1929, resterende paviljoentjes; "Le Grand Hôtel du Coq-sur-Mer" (Leopoldlaan 24), huidig Gemeentehuis, van 1898.

Voorts geleidelijke invulling van de kavels met recentste bebouwing in het uiterste oostgedeelte op terreinen van de vroegere gemeente Vlissegem.

Het gaat hier duidelijk om "vrijetijdsarchitectuur", gekoppeld aan het begrip van vakantie en ontspanning, zowel voor de privé-woningen (voornamelijk tweede verblijven) als voor de publieke residenties (hotels, homes, pensions). De hybride bouwstijl sluit veelal aan bij de Anglo-Normandische bouwtrant of de "cottagestijl". Typerend zijn het wisselende dakenspel met wolfseinden, dakvensters en -kapellen; pseudo-vakwerk in de bovenpartijen; erkers, loggia's, balkons; verzorgd houtwerk als standvinken, schoorstukken, modillons, leuningen, luiken, kleine roedeverdeling; art-deco-invloed komt tot uiting in een aantal constructies, hetzij in de volumewerking, hetzij in de gevelversiering; frequent is de combinatie van Normandische en art-decokenmerken. Ook al rieten- en strodaken voor de Tweede Wereldoorlog. Enkele villa's sluiten uitzonderlijk aan bij de modernistische vormentaal onder meer enkele vroege ontwerpen van architect L. Ide (De Haan), één werk van J. Lippens (Gent).

"Regionalistische" villa's, aansluitend bij de traditionele landelijke stijl naar "Vlaams concept" naar ontwerp van architect V. Vaerwyck (Gent), daterend van de jaren 1925-1927, liggen voornamelijk aan de Rembrandtlaan (nummers 10-19). Het oostgedeelte van de villawijk, zie onder meer Spreeuwen- en Waterkasteellaan wordt gekenmerkt door een concentratie van villa's naar ontwerp van architect L. Ide (De Haan), de oudste daterend uit het einde van de jaren 1930 vertonen een zekere stijleenheid met citaten uit de streekeigen bouwtrant: witgeschilderde baksteenbouw op gepikte plinten, scherpe pannen zadeldaken, tuitgevels met getrapte schouderstukken, steunberen.

Naar het einde van de jaren 1930 toe worden reeds kleinere oudere cottages verbouwd en verruimd; ook komt op samengevoegde percelen eerder gegroepeerde villabouw voor, opgenomen in een eenheidsproject voor twee à drie vakantiehuizen. Omtrent dezelfde tijd verschijnen de eerste "moderne" en gerieflijke flats ondergebracht in doorsneeconstructies met villa-allures. Wat al deze vakantieverblijven gemeen hebben is de uitgekiende inplanting, het voordelig gebruik van terreinhellingen en de "functionele" organisatie van de interieurs afgestemd op maximaal gebruik van onconventionele ruimten zonder overbodige circulaties. De bouwpercelen zijn volgens de voorschriften steeds omheind hetzij door een bakstenen muurtje aansluitend bij de bouwtrant met het hoofdgebouw; vaak worden gevelstenen met namen van architect en aannemer ingewerkt in de pijlers van het toegangspoortje. Afzonderlijke of aangebouwde garages komen reeds voor in bewaarde bouwaanvragen vanaf het midden van de jaren 1920. Niettegenstaande de bouwheren voornamelijk uit het binnenland afkomstig waren (Brussel, Gent, Antwerpen, Brugge...Leuven) komen in verhouding niet zoveel architecten uit deze steden voor, wel onder meer G. Carlier (Brussel), V. Vaerwyck (Gent), A. Laenen (Schaarbeek), G. Lauwers (Antwerpen), Viérin (Brugge), en F. Coppieters (Gent). Veel en lang voorkomende naam is architect L. Ide, daarnaast doch in mindere mate M. Haegebaert (De Haan).

  • BALLEGEER J., De Haan in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1982.
  • BALLEGEER J. & VANDENBERGHE E., Tussen Noord-ee en Noordzee in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1978.
  • CONSTANDT M., 100 jaar toerisme. Een eeuw vakantie in West-Vlaanderen, Tielt, 1986. p. 316-321.
  • DEMEY A., Valentin Vaerwyck. Van Oud-Vlaenderen tot nieuw provinciehuis, Gent, 1993.
  • DEVENT G., Zee en duinen. Kusttoerisme in de 19de eeuw, Brugge, 1991.
  • DEVENT G., De Oostkust van toen; van Knokke tot Bredene, Brugge, s.d.
  • IDE Y., Leon-Ed. Ide. Een levensbeschouwing in het licht van een plaatstelijke ontwikkeling, Onuitgegeven studie, 1995.
  • GILLES P., Nos architectes au littoral, Batir, 1937, nr. 56, pp. 1297-1304.
  • LETANG M., Evolution de l'architecture régionale, La Maison, 1946, nummer 2, pp. 54-56.
  • STAESEN L., Ontstaan en ontwikkeling van de Concessie De Haan-aan-Zee rond de eeuwwisseling (1886-1912),Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Gent, 1984-85.
  • VANDENBERGHE E. e.a., De Haan: van gehucht tot elegante badplaats, s.l., 1996.
  • VANDEPUTTE O. (red.), Gids voor Vlaanderen. Toeristische en culturele gids van de Vlaamse gemeenten, Antwerpen, 1995.
  • Aa VAN DER BRACHT H. (Dienst Cultuur, Gemeente De Haan), Mondelinge mededelingen en eigen historische en heemkundige documentatie.
  • S.n., Villas à Coq sur Mer. Archtitecte: Léon Ide, La Maison, 1948, nummer 8, p. 186-188.
  • S.n., Habitations à Coq-sur-Mer. Architecte: Léon Ide, La Maison, 1949, nummer 8, p. 248-149.

Bron: DELEPIERE A.-M., HUYS M. & KERRINCKX H. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente De Haan, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL9, onuitgegeven werkdocumenten.
Auteurs:  Huys, Martine
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: De Haan Concessie [online], https://id.erfgoed.net/teksten/122109 (geraadpleegd op ).