Arrondissement Aalst

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ regio

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Aalst, Denderleeuw, Erpe-Mere, Geraardsbergen, Haaltert, Herzele, Lede, Ninove, Sint-Lievens-Houtem, Zottegem
Deelgemeente Onbepaald
Straat

Administratieve gegevens

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Algemene situering

Het administratief arrondissement Aalst beslaat het zuidoostelijk gedeelte van de provincie Oost-Vlaanderen. Het grenst ten noorden aan de arrondissementen Gent en Dendermonde, ten oosten aan de provincie Brabant, ten zuiden aan de provincie Henegouwen en ten westen aan het arrondissement Oudenaarde. Het gebied valt onder een invloedssfeer van Brussel. Het bezit vier stedelijke centra; Aalst, Ninove en Geraardsbergen zijn ingeplant aan de Dender; Zottegem is gelegen in het uiterste westen van het arrondissement. Aalst kan getypeerd worden als een middelgrote stad. Geraardsbergen, Ninove en Zottegem als kleine steden met een industriële activiteit die relatief belangrijker is dan de tertiaire sector. Van de overige gemeenten (77 vóór de fusies) hebben sommige dorpen hun landelijk karakter gedeeltelijk behouden; andere kregen een residentiële functie voor de forenzenbevolking of vergroeiden morfologisch met de steden. Bij de jongste fusie werd het aantal gemeenten gereduceerd tot tien, waartoe naast de hoger vermelde steden ook Denderleeuw, Erpe-Mere, Haaltert, Herzele, Lede en Sint-Lievens-Houtem behoren; de gelijknamige centra vervullen een beperkte regionale functie.

Globaal heeft het gebied een vrij hoge bevolkingsdichtheid (561 inwoners per vierkante kilometer). Het noordoostelijk gedeelte met de zones van Aalst en Denderleeuw kent de grootste bevolkingsdensiteit (respectievelijk 1.046 en 1.190 inwoners per vierkante kilometer) en ook de dichtste bebouwing. Hierop volgen de drie andere stedelijke centra met hun agglomeratie. Recente bebouwingsverdichtingen zijn ontstaan op de as Aalst-Zottegem en in de zone tussen Aalst en Ninove. Buiten deze verdichtingskernen wordt het nederzettingspatroon in het noorden gekenmerkt door ster- en webstructuren overgaand naar het één-straattype. Het eerder agrarisch gerichte zuidelijk gedeelte van het gebied is minder dicht bevolkt en gekenmerkt door een gespreide bebouwing.

Een groot aantal dorpen wordt geconditioneerd door de nabijheid van een belangrijke baan of waterloop, bijvoorbeeld Herdersem, dat in twee gesneden wordt door een drukke baan weg en Voorde door twee wegen; vele Dendergemeenten ontwikkelden zich slechts aan één kant van de Dender (Denderleeuw, Erembodegem). In vele dorpen heeft het dorpsgezicht een groot aantal wijzigingen ondergaan. De grootste ingrepen gebeurden in de kern ten gevolge van nieuwe wegen (soms vervorming tot straatdorp), spoorlijnen, de handel die nieuwe bouw en verbouwingen met brede uitstalramen eiste, fabrieken, nieuwe bouwmode. Aan de buitenzijde wordt het dorpsgezicht ook dikwijls gewijzigd, onder meer door het inplanten van sociale- en villawijken, het teloorgaan van de bossen, het afgraven van heuvels voor zandwinning, het verdwijnen van grachten met de typische wilgen ten gevolge van mechanische bewerking en het teloorgaan van de wind- en watermolens.

Landschapstypering

Het bestudeerde gebied is gelegen ten oosten van de Scheldevallei. De eens sterk variërende, maar nu gekanaliseerde Dender - de voornaamste waterloop binnen het gebied - snijdt zich diep in het landschap en verloopt in zuidwestelijke - noordoostelijke richting. Kenmerkend is het gevarieerde en contrastrijke landschapspatroon: enerzijds de alluviale vlakte van de Dender in het noordoosten, en een overgangsgordel tussen de valleien, waaruit het reliëf opklimt; anderzijds de heuvelige uitlopers van de "Vlaamse Ardennen" in het zuiden met onder meer de 110 meter hoge Oudenberg te Geraardsbergen, en met ten westen van Zottegem een stukje schilderachtige Zwalmvallei.

Naar bodemgesteldheid kunnen grosso modo drie landschapstypen worden onderscheiden: 1. De leemstreek ten noorden met het zandleemgebied (onder meer Aalst, Denderwindeke, Zottegem) en de uitlopers van de Brabants-Limburgse leemstreek ten oosten (onder meer Meldert). Het is een zacht golvend "open field" landschap (tot 40 meter), met een bodem die zeer geschikt is voor veeleisende gewassen. 2. De hoge ruggen en leemplateaus ten zuiden (80 meter) behoren tot het Zuid-Vlaamse heuvelland. Zij worden begrensd door hellingen en ingesneden beekdepressies. De hellingen liggen veelal onder weiden of bos terwijl de heuvelruggen dikwijls ingenomen worden door akkers. 3. Het alluviale landschap, gevormd door afzettingen van de Dender. Vroeger waren in deze vallei de beste tarwevelden, weiden en meersen van de sterk gelegen.

Langs de Dender bevinden zich nog enkele ecologisch waardevolle biotopen zoals onder meer de Wellemeersen en het Osbroek. Van het voormalige "Asscherholt", gelegen ten noordwesten van het Oude Land van Asse, en een grens vormend met Brabant, is nu nog het Kravaalbos overgebleven, dat belangrijk is omwille van de rijke fauna en flora. In het Zuid-Vlaamse heuvelland is nog het best het landelijke karakter behouden. Hier kan men eveneens nog enkele ecologisch en landschappelijk waardevolle bosgebieden onderscheiden: het Neigembos dichtbij Ninove, en het Moerbeke-, Karkool- en Raspaillebos in de omgeving van Geraardsbergen. De hop- en tabaksvelden die voorheen de respectievelijke landschappen van Aalst (Moorsel, Meldert) en Appelterre erg typeerden, zijn de jongste jaren sterk ingekrompen of verdwenen.

Van landschappelijk belang zijn ook de talrijke beken en de canadapopulieren en knotwilgen die de beken en weiden aflijnen. Het veelvuldig voorkomen van de toponiem "Molenbeek" herinnert aan het rijke molenverleden van het gebied.

Bodem en streekeigen materiaal

Naast leemgroeven (onder meer langs de Dender) voor lokale steenbakkerijen, bezat het gebied ook een aantal steengroeven.

De belangrijkste waren die van Ledesteen, dikwijls vermeld onder de naam "Balegemse steen", die werd aangetroffen op de heuvels van Oost-Vlaanderen en Brabant. Deze zandige kalksteen bevat dikwijls een grote hoeveelheid fossielen; blootgesteld aan de natuurelementen verkrijgt hij een mooie gele patine. De exploitatie van deze groeven die op sommige plaatsen waarschijnlijk vanuit de Romeinse periode dagtekent (Lede) en waarin de abdijen een belangrijke rol hebben gespeeld, kende haar grootste ontwikkeling in de 15de eeuw. De bloei en de expansie van de laatgotische architectuur in de streek hangt hier nauw mee samen. De ontginning gebeurde doorgaans in open groeven. In de omgeving van Aalst (Moorsel, Meldert, Lede, Erondegem, Vlierzele, Sint-Lievens-Houtem, Bambrugge, Mere) waren de groeven van Meldert één van de rijkste. Niet alleen bleven daar overblijfselen van diepe groefkuilen bewaard maar tevens wijzen talrijke toponiemen op deze bedrijvigheid. Hierin speelde de abdij van Affligem een belangrijke rol. Deze ontginningsplaats werd reeds vermeld in 1151; witte Meldertse steen werd onder meer vervoerd naar Antwerpen en Leuven via de Schelde met als haven Baasrode.

De Ieperiaanse nummulietenkalksteen of kalkzandsteen werd ontgonnen langs de rechteroever van de Dender namelijk bij Geraardsbergen, Moerbeke, Zandbergen. Verschillende van die groeven waren eigendom van de abdij van Ninove en moeten in de 16de en 17de eeuw belangrijk geweest zijn. Deze stenen krijgen een bruine patine, iets donkerder dan bij de Ledesteen. Zij werden onder meer verwerkt in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Ninove abdijkerk en de parochiekerk Sint-Jan-de-Doper van Nieuwenhove.

Exploitaties van Paniseliaanse zandsteen worden vermeld bij Zottegem (Velzeke) en Geraardsbergen. Deze steen is groenachtig maar wordt bruinachtig bij verwering van het glauconiet. Als bouwsteen wordt hij aangetroffen in romaanse en gotische kerken onder meer in de Sint-Martinuskerk te Velzeke en vooral ten oosten van de Dender, in de Sint-Bartholomeuskerk te Geraardsbergen , de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Lieferinge en de Sint-Corneliuskerk te Moerbeke.

Economie

Economisch wordt het arrondissement samen met de randgebieden van de arrondissementen Oudenaarde, Dendermonde en Halle-Vilvoorde, vaak aangeduid als "Denderstreek". Globaal is het een gebied dat, ondanks een relatief eigen industrieel karakter, uitgegroeid is tot het belangrijkste woongebied van de arbeiders en bedienden die in Brussel tewerkgesteld zijn. De agrarische sector is doorgaans klein. Sinds de tweede wereldoorlog verminderde de oppervlakte van de landbouwbedrijven met 17 % (statistieken 1950-1961). De gemiddelde bedrijfsgrootte is 4,55 hectare. Een stelselmatige vergroting van de kavels is vast te stellen van noord naar zuid. Meldenswaard is de hopteelt en bloementeelt ten noorden en ten westen van Aalst en de bloemen- en boomkwekerijen ten westen van Lede. De vervlechting stad-platteland blijkt niet alleen functioneel maar ook morfologisch herkenbaar.

Terwijl enerzijds de Dender zelf steeds een factor van eenheid was in de streek, blijkt anderzijds dat de economische ontwikkeling historisch helemaal geconditioneerd werd door de wegen van oost naar west, die de Denderstreek nog steeds doorsnijden.

Een noemenswaardig economisch leven ontstond tijdens de 12de-14de eeuw (vlascultuur, lijnwaadfabricatie; lakennijverheid). Niettegenstaande sommige crisisperioden ontwikkelde het zich ten volle tijdens de periode van de 15de tot en met de 18de eeuw (vlasteelt, lijnwaadfabricatie; hopteelt en -handel; tabaks- en koolzaadcultuur vooral in de 18de eeuw). Twee elementen lagen hieraan ten grondslag: een dichte bevolking en een in de internationale handel geëngageerd artisanaat.

Deze nijverheden ontstonden ofwel in de omgeving van de grondstofproductie ofwel op traditionele contactpunten. De vlasindustrie, de basis van het ganse economische leven van de streek, was essentieel een landelijke en artisanale nijverheid. Dit gold ook voor de hop-, tabaks- en koolzaadcultuur. De economische geschiedenis van de streek ging dan ook samen met de ontwikkeling van oude en belangrijke landbouw- en ambachtelijke activiteiten. De oorlogen, het buitenlands protectionisme (eerst het Engelse in verband met de wol, dan het Franse in verband met het vlas) en het ontstaan van een concurrerende nijverheid in de omgevende landen (zoals het verbouwen van hop in Duitsland) ruïneerden gedeeltelijk de economische activiteiten. Wat betreft de vlasindustrie bleef de bevolking in het begin van de 19de eeuw blind voor de evolutie van een ambachtelijke naar een gemechaniseerde nijverheid. De uitschakeling van de vlasnijverheid viel samen met een algemene landbouwcrisis. In het midden van de 19de eeuw tekenden zich de donkerste jaren af in de geschiedenis van de Denderstreek.

De nieuwe nijverheden vestigden zich in de tweede helft der 19de eeuw langsheen nieuwe en verbeterde verkeersassen.

Tot voor kort bestond de industrie uit kleine en middelgrote bedrijven met nadruk op de productie van textiel, kleding, schoenen, bouwmaterialen, voeding, drank, meubelen, lucifers, machines en chemicalia.

De kwantitatief belangrijke agrarische nijverheden (brouwerijen, stokerijen) bleven tot ver in de 20ste eeuw in duidelijke symbiose leven met hun agrarische omgeving. Niet alleen werd draf aan de veeboeren uit de omgeving verkocht, maar tevens werd door deze nijveraars zelf op grote schaal aan runderteelt gedaan (vandaar vaak de combinatie van stokerij en hoeve; na het stilvallen van de industriële activiteit bleef de hoeve dan zelfstandig verder leven en werd ze verder uitgebouwd). De stalmest van de stokerijhoeven werd meestal zelf niet aangewend, maar als bemesting verkocht aan boeren uit de omgeving: wij vonden hiervan onder meer documentaire sporen terug voor Aaigem, Bambrugge, Borsbeke, Burst, Letterhoutem, Zonnegem, enzomeer.

Deze symbiose evenals de natuurlijke groei en inplanting werd de laatste decennia verbroken: nieuwe industrieterreinen, waarvan enkele van nationaal belang, werden onlangs aangelegd voor nieuwe buitenlandse en ook voor overgeplante reeds bestaande bedrijven (onder meer te Aalst-Erembodegem, Erpe-Mere-Ottergem, Grotenberge-Zottegem, Ninove en Schendelbeke).

Thans behoort de Denderstreek tot het werkterrein van drie intercommunales voor economische ontwikkeling (Land van Aalst, Dender-Durme-Schelde en Haviland).

Historische achtergrond

Het gebied werd van oudsher bewoond: in sommige dorpen (onder meer Lede) zijn prehistorische vondsten te situeren die in enkele gevallen kunnen wijzen op een vroege nederzetting.

Ten tijde van de Romeinen behoorde de streek tot de civitas Nervorum (met centrum te Bavai). Het was vooral onder Claudius dat reeds bestaande wegen opgenomen werden in een systematisch aangelegd wegennet. Voor het bestudeerde gebied waren twee heirbanen (calciata) vanuit Bavai belangrijk: deze naar Bergen-Asse-Rumst en deze die via Blicquy net naast Velzeke gaat. Vanuit Velzeke (vermoedelijk een nederzetting aan de weg naar Asse welke de twee heirbanen verbond) vertrokken drie wegen, naar Kortrijk, Gent en Hofstade. In de vruchtbare leemstreek ontstonden grote villae die soms uitgroeiden tot een vicus, een artisanaal en commercieel centrum, indien tenminste de ligging gunstig was en er voldoende grondstoffen aanwezig waren. Een goed voorbeeld hiervan is Velzeke, een baandorp aan de weg Hofstade-Kortrijk, dat misschien ook een lokale administratieve functie bezat; men vond er bovendien sporen van een Romeins legerkamp en van een tempel. Uit de agrarische vici groeiden later middeleeuwse dorpen, te Velzeke geïllustreerd door een Merovingische begraafplaats uit de 5de-7de eeuw.

Wegens de vruchtbaarheid en homogeniteit van de bodem ontstond een groot aantal Frankische nederzettingen waarvan het processus "van hoeve tot dorp" zich vrij snel ontwikkelde; de meeste dorpskernen van het gebied liggen trouwens zeer dicht bij elkaar en dragen veelal Frankische toponiemen. Zij werden bij voorkeur gevestigd op de zuidhelling bij een waterloop, dit in tegenstelling met de Romeinse die meestal op een hoogte lagen.

Het grootste deel van het arrondissement komt historisch overeen met het voormalige "Land van Aalst", dat in de vroege middeleeuwen behoorde tot de pagus Bracbatensis of de Brabantgouw en deel uitmaakte van Austrasië (561), Lotharingen (843) en het hertogdom Neder-Lotharingen (959); bij het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote ressorteerde het onder het graafschap Boussu (of Buxud, Biest) onder beheer van de Graven van Henegouwen die er nog lang nadien belangrijke erfgoederen behielden, en in 1048 ten slotte behoorde het tot het Rijks- of Keizerlijk Vlaanderen, onder de Graven van Vlaanderen, die het een tijdlang in leen gaven aan de voogden van de Sint-Pietersabdij (Gent), de latere Graven van Aalst; nadien volgden belangrijke uitbreidingen, onder meer in 1299 met Ninove en in 1330 met Geraardsbergen. "De Twee Steden en het Land van Aalst" omvatten ten slotte het gebied dat begrensd werd door de Schelde in het westen en in het noorden (zonder Weiteren, Schellebelle en Wanzele), het hertogdom Brabant in het oosten en het graafschap Henegouwen in het zuiden. Territoriaal bestond het uit drie delen: de twee steden Aalst en Geraardsbergen; vijf roeden of baanderijen (baronieën), namelijk Boelare, Gavere, Rode, Schorisse en Zottegem en ten slotte een aantal dorpen, de zogenaamde "diverse parochiën" die rechtstreeks van de Graaf (" 's Graven propre dorpen" en "serveplaatsen") of van een bijzondere binnen- of buitenlandse heer afhingen. Bij de laatstgenoemde bijzondere heerlijkheden behoorden onder meer: het Land van Rotselaar, het Land van Wedergrate (Contrecoeur) en de baronie Borsbeke-Ressegem. Ninove had zijn bijzondere heren en ging in 1299 samen met de heerlijkheid Herlinkhove rechtstreeks van de Vlaamse Graven afhangen.

De Graaf van Vlaanderen werd in het land van Aalst vertegenwoordigd door een baljuw, later hoog-, hoofd- of soeverein Baljuw geheten. Het bestuurscollege (negen personen met hoofdzakelijk administratieve functie) bestond uit gedeputeerden van de twee steden en de baljuws van de baronieën. De juridische bevoegdheid kwam grotendeels toe aan het grafelijk Leenhof ten Stene te Aalst. Tijdens het ancien regime was het land van Aalst één der belangrijkste kasselrijen van het graafschap Vlaanderen. In de 18de eeuw was het op fiscaal gebied belangrijker dan het Vrije van Brugge of dan Gent.

Voor de recentere perioden springt vooral de rol van het arrondissement als contactgebied in het oog: tussen het grondstoffen producerende Wallonië (steenkool, ijzer, hardsteen), dat deze? goederen rechtstreeks uit Henegouwen via Ath, of uit andere Waalse streken via het aangrenzende Brabant, leverde aan de in Vlaanderen ontluikende manufacturen en de latere vormen van industrialisatie.

Meestal wordt in dit verband gewezen op de vroege "moderne" aanpassingen van het wegennet: ten "tijde van Maria Theresia werden reeds een groot aantal wegen gekasseid, terwijl er nieuwe werden aangelegd, onder meer de rijksbaan Brussel-Aalst-Gent (1704, die een zeer belangrijke rol speelde in de handel), en de baan Brussel-Dendermonde (derde kwart van de 18de eeuw) aan de oostrand van het gebied. Vooral in de 19de eeuw, onder het Hollands Bewind, werden staats- en provinciale wegen aangelegd of rechtgetrokken: de rijksbaan Brussel-Ninove (circa 1820) de provinciebaan Aalst-Geraardsbergen (1826), Gent-Geraardsbergen (1817), Halle-Ninove, Ninove-Edingen en Oudenaarde-Geraardsbergen (1828). Sommige van die wegen brachten bewoning teweeg of hielpen het centrum van een dorp bepalen.

Nochtans mag het belang van de Dender niet verwaarloosd worden, welke steeds een zeer belangrijke verkeerstechnische rol speelde, vooral in stroomafwaartse richting. Vanaf 1643 werden dan ook reeds pogingen ondernomen om de bevaarbaarheid in deze zin te verbeteren. Tijdens de 17de eeuw werd vooral de Beneden-Dender, tussen Aalst en Dendermonde, verbeterd (onder meer door de bouw van een sluis te Wieze, welke bepalend zou zijn voor het verkeer op de stroom in de richting Aalst). Op de bovenloop sloot hierbij echter niets noemenswaardigs aan. Een kanalisatie door middel van sluizen zou hier immers het verdwijnen van de talloze molens, welke van het Denderwater gebruik maakten, meebrengen. Laatstgenoemd argument werd nog tot ver in de 19de eeuw uitgespeeld. Minder efficiënte oplossingen zoals een lateraal kanaal van Aalst naar Gemappes (1842) en plannen voor een kanaal en spoorlijn langsheen de Dender (1845) kregen geen uitvoering.

Dit alles bracht mee dat de streek pas vrij laat van moderne wegen werd voorzien. Bij Koninklijk Besluit van 1 mei 1852 werd echter de concessie voor een "Chemin de Fer du Dendre et Waes" toegekend aan Demot en Gendebien, gesteund door de Société Générale. Het project dat boven vele andere gelijkaardige concessies uitstak door zijn uitbouw (waarbij de zwaarste kosten op de Belgische staat afgewenteld werden), zijn dynamisme, en vooral door de door J.P. Cluysenaar geconcipieerde architectuur, diende binnen een termijn van vijf jaar klaar te komen. Het omvatte: 1. de eigenlijke Dender en Waeslijn, die Ath met Lokeren zou verbinden, via Lessen, Geraardsbergen, Ninove, Denderleeuw, Aalst, Dendermonde en Zele; 2. en aansluitend hierbij de secties Brussel-Denderleeuw en Aalst-Wetteren, waardoor een directe lijn Brussel-Gent via Aalst tot stand zou komen.

Aldus werd niet alleen het arrondissement van goede verbindingen voorzien, doch tevens een groot deel van Oost-Vlaanderen en vooral Gent.

In 1861 werd nog een concessie toegekend voor de lijn van Braine-le-Comte naar Gent, via Edingen, Geraardsbergen en Zottegem (welke binnen een tijdsspanne van vier jaar diende klaar te komen); de lijn van Brussel-Denderleeuw-Zottegem naar Oudenaarde dateert van 1868; de lijn Antwerpen-Aalst kwam in 1880 klaar.

Begin 20ste eeuw werd dit spoorwegennet aangevuld door de aanleg van buurtspoorwegen, vaak in eigen bedding (zoals de beroemde lijn Gent-Geraardsbergen, welke op een pittoreske wijze door het landschap slingerde), die in de meeste gevallen niet eens een halve eeuw dienst deden. Ook de spoorwegen verloren aan belang, behalve de grote directe (pendel) lijnen, welke op Brussel geacceerd waren; verschillende trajecten werden dan ook opgeheven.

Zowel de spoorlijnen als buurtspoorwegen getuigen in het landschap nog van hun bestaan door oude rechtlijnige of licht slingerende tracés, dienstgebouwen (vaak overgenomen door de huidige busmaatschappijen) en kunstwerken. In meer recente jaren werd het verkeersnet uitgebreid door middel van autowegen.

Religieuze architectuur

Op kerkelijk gebied hing het land van Aalst voor 1559 af van het bisdom Kamerijk, aartsdekenij Brabant of Brussel, na 1559 van het aartsbisdom Mechelen met onder meer de dekenijen Aalst en Geraardsbergen; vanaf de 19de eeuw was de streek afhankelijk van het bisdom Gent. Het gebied werd vrij vroeg gekristianiseerd: verscheidene bidplaatsen werden reeds in de 7de eeuw gebouwd en vaak toegewijd aan de Heilige Martinus, één der oudste kerkpatronen van België.

De abdijen van Aalst, Ninove, Geraardsbergen en Grimminge waren min of meer defensief gelegen op de grens met Brabant. Vooral de premonstratenzerabdij Sint-Cornelius en Sint-Cyprianus van Ninove en de benedictijnenabdij Sint-Adriaan van Geraardsbergen oefenden een grote invloed uit op het culturele, economisch, politiek en spiritueel leven van hun omgeving. Een grote rol speelde ook de op het Brabants grensgebied, gelegen benedictijnenabdij van Affligem, gesticht in 1083.

De religieuze architectuur volgde de normale evolutie van de verschillende stijlen. Het is echter niet mogelijk een chronologische typologie op te maken daar de eigenlijke aanleg en plattegrond van de opgenomen kerken, abdijen en kloosters dikwijls verloren is gegaan door talrijke verbouwingen. Tevens is het gebied tot nog toe weinig bestudeerd zodat er vrijwel geen wetenschappelijke publicaties voorhanden zijn die de bouwgeschiedenis belichten.

De doorsnee-kerken waren meestal sober opgevat; enkel deze die onder het patronaat van een abdij stonden, waren meer vooruitstrevend en rijker uitgewerkt.

Door vroege kerstening va Oost-Vlaanderen bezat één derde van de gemeenten een romaans bedehuis. Het grootste aantal is verdwenen en geen enkele kerk bleef gaaf bewaard. De romaanse kerken van het gebied sloten doorgaans aan bij de Scheldeschool. Het waren kleine bidplaatsen, vermoedelijk vooral eenbeukige kerken (parochiekerk Sint-Paulus-Bekering van Godveerdegem met bewaarde beuk en de Sint-Martinuskerk te Velzeke-Ruddershove, met behouden koor). Eenbeukige kruiskerken kwamen zeldzamer voor (opgegraven Onze-Lieve-Vrouw van Bevingenkerk te Neigem). De voormalige romaanse kruiskerk Sint-Walburga te Meldert, met bewaarde kruisingtoren vertoonde wellicht een driebeukig schip. Enkel in de Sint-Michielskerk te Sint-Lievens-Houtem getuigen het diepe koor geflankeerd door twee traptorens, samen met het martyrium van een belangrijke, ruim opgevatte romaanse kerk, een driebeukige kruiskerk met kruisingtoren (?). De oudste kerken waren opgetrokken uit veldsteen; sinds begin 13de eeuw gebruikte men vrijwel uitsluitend lokale zandsteen.

De overgangsstijl wordt onder meer geïllustreerd door het koor van de parochiekerk Sint-Paulus-Bekering te Ottergem en de westtoren van de Sint-Margarethakerk te Baardegem, laatstgenoemde neemt een aparte plaats in: rondboognissen tussen muurlisenen herinneren aan de romaanse stijl die hier aansluit bij een verwaterde Maasschool.

De verdwenen abdijkerken van Ninove en Affligem, speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van de gotische bouwkunst. Volgens R.M. Lemaire ontstond er op het einde van de 13de eeuw een regionale groep, de zogenaamde Denderschool, die nauw verbonden was met de Sint-Cornelius en Sint-Cyprianusabdij van Ninove en de abdij van Affligem . Tot deze school behoren ook enkele kerken uit noordwest-Brabant (de Sint-Michielskerk te Hekelgem en de kerk in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek). Ze vertonen de volgende kenmerken: driebeukig schip met recht gesloten koor, westtoren, ook wel kruisingstoren, veelvuldig gebruik van rondvensters, zuilen met hogelkapiteel, houten tongewelven en overwelfde torens. Vlak gesloten koor of rondvensters vinden we enkel terug in een paar vroeg-gotische constructies uit de Denderstreek (de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Hofstade, de Onze-Lieve_Vrouwkerk te Lieferinge, Sint-Jan-de-Doper te Nieuwenhove, Sint-Margaretha te Baardegem, Onze-Lieve-Vrouwekerk te Nieuwerkerken, Sint-Amanduskerk te Denderleeuw) en ook sporadisch over het hele arrondissement (Sint-Pieter-in-Banden te Erondegem, Leeuwergem, Sint-Maurithius te Ressegem). De oorspronkelijke gotische plattegrond, opstand en overwelving is moeilijk te achterhalen daar vrijwel al onze dorpskerken in de 17de maar vooral in de 18de en 19de eeuw verbouwd en vergroot werden. Variërende vormen komen naast elkaar voor: vooral eenbeukige en pseudo-basilicale kerktypen soms voorzien van een transept; zware westtorens maar ook kruisingtorens. Kenmerkend zijn: het driezijdig gesloten koor in hoog- en laat-gotische stijl; zuilen met geschematiseerde uitwerking van het krulkapiteel, later tot geprofileerde astragaal en abacus gereduceerd; kruisribgewelven die dikwijls dateren uit een late periode (17de en later 18de eeuw); zandsteenbouw (lokale zandsteen) en bak- en zandsteenbouw, laatstgenoemde voor enkele laat-gotische kerken (vooral westtorens); sobere vormentaal; architectonische versiering, aanknopend bij de Brabantse gotiek, komt uitzonderlijk voor (Sint-Margaretha te Baardegem, Sint-Walburga te Meldert, Sint-Pieter-in-Banden te Erondegem). De Sint-Martinuskerk (1479-1660) te Aalst neemt een aparte plaats in; ze is een mooi voorbeeld van prestigieus opgevatte doch onvoltooide kerken uit de Brabantse laat-gotiek.

De renaissancestijl vond geen toepassing in het gebied. De eenvoudige regionale gotiek leefde verder tot in de 17de eeuw.

De barok, ingeluid met de contrareformatie, drong pas goed door in de 18de eeuw. In de steden werden klooster- en abdijkerken opgetrokken in een sobere en - later - classicistisch geïnspireerde en eerder verstarde versie van deze stijl: de Sint-Catharinakerk (1640) van het voormalig Miniemenklooster (Geraardsbergen), de Sint-Jozefkerk de(1717-1729) van het voormalig Karmelietenklooster (Geraardsbergen) en de Jezuïetenkerk (1730) te Aalst. De verdwenen gotische abdijkerk van Geraardsbergen kreeg, evenals de parochiekerk, een barok uitzicht. De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Ninove (1635-1727) neemt door haar volume en ruimtewerking een bijzondere plaats in. De gereduceerde koepel op de kruising, sluit aan bij andere barokke kerken en het diepe koor bij andere abdijkerken ten lande; in de streng geordonneerde W.-gevel komt de overgang naar een meer classicistische richting duidelijk tot uiting; het constructiesysteem (kruisribgewelven) daarentegen herinnert nog aan de gotische bouwwijze. De invloed van deze classicistisch geïnspireerde barokkerken bleef verder leven tot het laatste kwart van de 18de eeuw (hospitaalkerken of -kapellen te Geraardsbergen, 1761, en Ninove, 1763). Het traditionele kruisribgewelf werd in de loop van de 18de eeuw vervangen door ton- en kappengewelven met gordelbogen opgevangen door consoles en eventueel verrijkt met stucversiering. Op het platteland kwam de barokstijl eerder sporadisch tot uiting in kleine bouwonderdelen (zuidelijke transeptarm te Baardegem, 1666), deur- en vensteromlijstingen en interieurs. Provinciale versies van de laatbarok vindt men wel vanaf het midden van de 18de eeuw in het nieuwe schip en de gevel van de Sint-Pieterskerk te Meerbeke (1750) en de Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopneming te Sint-Maria-Oudenhove.

De nieuwe bouwactiviteit van de tweede helft der 18de eeuw manifesteerde zich vooral in het groot aantal verbouwingen en uitbreidingen van voornamelijk gotische kerken. Rond het laatste kwart van de eeuw kregen verschillende landelijke kerken een volledig pseudo-basilikaal schip in een eenvoudige en - later - enigszins verstarde classicistische stijl (Onze-Lieve-Vrouwkerk te Nieuwerkerken, 1772; Sint-Denijskerk te Impe, 1773; Sint-Martinuskerk te Sint-Lievens-Esse, 1774-78; Sint-Pieters-Banden te Ophasselt, 1777; Heilige Niklaas en Heilige Laurentiuskerk te Aaigem, 1786).

De eerste helft van de 19de eeuw beleefde volledige of gedeeltelijke wederoprichtingen van oude parochiekerken in een eenvoudige neoclassicistische stijl ( Sint-Martinuskerk in Erpe, Sint-Martinuskerk in Woubrechtegem), welke meet decoratief doorwerkt werd in de tweede helft van de eeuw (Elene). De neogotische stijl en het eclecticisme vonden vooral ingang vanaf het midden van de eeuw. De aanvankelijk sobere neogotische kerken (Sint-Pieters-Banden en Sint-Berlindiskerk te Grotenberge) evolueerden tot grootser opgevatte basilicale kerktypen (Sint-Goriks te Haaltert, Sint-Pieters-Banden te Welle) die tot het begin der 20ste eeuw voorkwamen. Soms werden de dorpskerken niet op hun oorspronkelijke plaats wederopgebouwd wat dan een dorpsverschuiving voor gevolg had (Erwetegem, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart te Herdersem). Op het einde van de eeuw gebeurden kleinere aanpassingswerken en grondige restauraties, neogotische reconstructies van de oorspronkelijke gotische kerken (Sint-Amanduskerk te Denderleeuw, Sint-Bartholomeuskerk te Geraardsbergen). Het neogotische basilicale kerktype vindt men ook terug in de nieuwe parochiekerken van eind 19de - begin 20ste eeuw, opgericht voor nieuw aangelegde wijken (Parochiekerk Sint-Jozef en Onze-Lieve-Vrouw van Bijstandkerk) te Aalst. De kerkbouw van de eerste helft van de twintigste eeuw evolueerde van het bouwen in neoromaanse of neobyzantijnse trant (Heilig Hartkerk in Aalst, Sint-Theresia te Ninove) tot een zoeken naar samengang van traditionele motieven en moderne vormgeving (Sint-Jozefskerk in Erembodegem-Terjoden).

Een interessant studieobject is ook het groot aantal wegkapellen voornamelijk toegewijd aan Maria of andere beschermheiligen. Soms maken ze deel uit van de zogenaamde "ommegangen", waarvan enkele bewaard bleven (Wegkapel Sint-Margrietommegang te Baardegem, Wegommegang van van Onze-Lieve-Vrouw-van-Zeven-Weeën te Denderwindeke, Kapel van de Ommegang van de "Zeven Weeen van Maria te Onkerzele). Als uitingen van het volksgeloof kunnen het zeer levendige constructies zijn met meer volkse en naïeve interpretaties van de in zwang zijnde bouwstijlen. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen de kapellen met één of meerdere traveeën en klein altaar binnenin en de sokkelkapelletjes met nis waarin een beeld of beeldengroep is of was ondergebracht.

De oudste voorbeelden van eerstgenoemde categorie knopen aan bij een eenvoudige laat-gotische stijl (Kapel "Ten Beeldeken" Herdersem, "Sint-Gudulakapel" Moorsel). Bepalend voor het arrondissement zijn de traditionele kapellen (l7de-18de eeuw) opgetrokken uit baksteen en getypeerd door rond- of korfboogdeuren en boogvensters in een omlijsting van zandsteen ("Kapel Onze-Lieve-Vrouw Termuren" in Erembodegem, "Kapel Onze-Lieve-Vrouw-van-Vreugde" te Grimmene). De barok manifesteerde zich onder meer in de "Grote kapel" te Mere (1640) met sierlijke in- en uitgezwenkte top. Een mooi voorbeeld van laatbarok met classicistische inslag is de Kapel Maria van Bijstand te Haaltert (1703). Verstarde barokmotieven blijven verder leven tot het laatste kwart van de 18de eeuw Hofstade "Kapel te Wachene"). Uit de 19de eeuw dateren een groot aantal neoclassicistische, neogotische en eclectische kapellen, dikwijls vermeldenswaard voor hun pittoreske details.

Tot de kleine sokkelkapellen behoren enkele mooie 18de-eeuwse voorbeelden van zandsteen of arduin met boogvormige afdekking en verstarde barokprofielen overgaand naar het ontluikend classicisme. Rocaille- of régence-ornamenten werden verwerkt in de gesmeed ijzeren hekjes.

Abdijen en kloosters, de toenmalige cultuurdragers, lieten gebouwencomplexen optrekken die dikwijls vooruitstrevend waren ten opzichte van de gewone landelijke en stedelijke architectuur. Door afbraak en verbouwingen van deze complexen is hun innerlijke evolutie en wisselwerking met de burgerlijke architectuur thans nog moeilijk te evalueren.

De benedictijnenabdij Sint-Adriaan van Geraardsbergen en de premonstratenzerabdij Sint-Cornelius en Sint-Cyprianus van Ninove, respectievelijk in 1081 en 1137 gesticht, speelden een niet te miskennen rol, zoals boven reeds aangehaald. De abdij Beaupré te Grimminge en de abdij ter Rozen in Aalst, twee cisterciënzerinnenstichtingen uit de eerste helft van de 13de eeuw, waren eerder van plaatselijk belang. Hetzelfde geldt voor de in 1624 opgerichte priorij van Hunnegem te Geraardsbergen.

De Sint-Adriaanabdij van Geraardsbergen en de Sint-Cornelius en Sint-Cyprianusabdij van Ninove vormden grootschalige complexen, ingeplant intra muros aan de rand van de stad nabij een stadspoort en verbindingsweg, en domineerden aldus het stadsbeeld. De bewaarde panden illustreren duidelijk het belang van deze abdijen als architecturale ensembles. Te Ninove getuigen de resten van de barokke ingangspoort, de barokke Veldpoort evenals de imposante, barokkerk van een stijlbewuste architectuur.

Van betekenis voor de abdijen van het gebied zijn de wederopbouw, vergrotingen of verfraaiingen uit de 18de eeuw, die in rechtstreeks verband stonden met de materiële welvaart van de instellingen en stilistisch aansloten bij de ontwikkeling van de burgerlijke architectuur. De Franse invloed liet zich vooral in de steden gelden. In de abdij van Geraardsbergen kreeg het resterende prelaatskwartier, opgetrokken in traditionele stijl, een rococo-aanpassing; het eveneens resterende poortgebouw illustreert de provinciale Lodewijk XVI-stijl. De inmiddels gesloopte conventgebouwen van Ninove, circa 1770 ontworpen door L.B. Dewez, getuigden van een strenge classicistische stijl. Op het platteland bleef de religieuze evenals de burgerlijke architectuur langer trouw aan de traditionele bouwvormen. Zo gebeurde de wederopbouw van het poortgebouw van de abdij Beaupré in de traditionele bak- en zandsteenstijl met verwerking van enkele classicistische elementen.

Ook de kloosters vormden grote complexen in het straat- en stadsbeeld. In de 15de eeuw vestigden zich de wilhelmieten of sterheren, de zwarte zusters, de grauwzusters en de karmelieten te Aalst; de geschoeide karmelieten te Geraardsbergen. Na de reformatie, in de 17de eeuw, kwamen de capucijnen, jezuïeten en theresianen naar Aalst; de miniemen vestigden zich te Geraardsbergen. De stichting der grauwzusters van Velzeke dateert van 1344. Vooral het klooster der jezuïeten kende een grote bloei dankzij het succes van het college. Het Oud Collegegebouw is vermeldenswaard als voorbeeld van een sobere goed geordonneerde barokstijl.

Het einde van de 18de eeuw met het bewind van Jozef II en vervolgens en vooral de Franse revolutie betekende de afschaffing van abdijen en kloosters gevolgd door openbare verkoop en later door gedeeltelijke of totale afbraak van de gebouwen. Het Sint-Jozefcollege der Jezuïeten bleef vrij gaaf bewaard. Als landspensionaat kreeg het zelfs, na de afschaffing van de orde door Jozef II, een streng classicistisch pensionaatsgebouw ontworpen door L. Montoyer.

De abdijen van Geraardsbergen, Ninove en Grimminge, de priorij van Hunnegem, het klooster der capucijnen en het voormalige klooster der capucijnen van Aalst, het Theresianenklooster van Aalst, het Karmelietenklooster te Geraardsbergen, het Miniemen klooster te Geraardsbergen en het klooster van de Grauwe Zusters te Velzeke bewaarden enkele panden. Deze resterende gebouwen werden voor andere doeleinden gebruikt en vervulden een openbare of privéfunctie. Slechts uitzonderlijk kregen ze na enige tijd hun oorspronkelijke functie terug (jezuïetencollege, priorij Hunnegem). Veelal vestigden de heropgerichte orden zich in andere gebouwen (bijvoorbeeld zwarte zusters, theresianen). Op de vrijgekomen gronden verrezen nieuwe gebouwen (bijvoorbeeld kazerne en krijgsgevangenis op de plaats van het zwarte zusterklooster te Aalst). Soms werd de grond gedeeltelijk gerecupereerd voor aanleg van pleinen. Zo ontstonden binnen de mazen van de radiaal concentrische aanleg van Aalst: de Graanmarkt, Houtmarkt en Botermarkt (Hopmarkt) respectievelijk op het voormalig domein der capucienen, wilhelmieten en karmelieten. Ook heden zijn deze meestal grote panden van belang voor het stadsbeeld en bieden mogelijkheden voor een nieuwe bestemming. Verschillende gebouwen vervullen thans een openbare of privé-functie. Het voormalige capucijnenklooster, eerst omgevormd tot pupillenschool is heden ingenomen door de stadsdiensten; het gebouw van de Sint-Adriaanabdij te Geraardsbergen met tuin kreeg een bestemming als recreatieoord met museum en restaurant; het poortgebouw van de abdij Beaupré te Grimminge werd privé-woning. De voormalige kloosters ingenomen door een onderwijsinstelling worden thans veelal onoordeelkundig ingebouwd door nieuwe constructies.

Burgerlijke architectuur

Op het gebied van burgerlijke architectuur zijn de opeenvolgende stijlrichtingen niet alle in dezelfde mate vertegenwoordigd. Opvallend is de rijke 18de eeuw met enkele interessante voorbeelden uit de openbare, stedelijke, landelijke en heerlijke architectuur. Het Land van Aalst was toen immers de machtigste en welvarendste streek van Vlaanderen.

De openbare gebouwen van het bestudeerde gebied zijn doorgaans niet alleen belangrijk als historisch document maar tevens als voorbeeld van een meer stijlbewuste architectuur.

De toenmalige centra Aalst, Ninove en Geraardsbergen ontstonden in de 11de eeuw als militaire steunpunten van Rijks-Vlaanderen, respectievelijk gelegen op de grens met Brabant en Henegouwen. Aalst en Geraardsbergen groeiden uit tot steden met een behoorlijke versterking: omwalling, ringmuur, poorten en torens. De verdedigingsgordel van Ninove bestond enkel uit vestgrachten met aarden dammen, poorten en toren. Van deze militaire constructies bleven alleen de ruïnes van twee vestingtorens te Geraardsbergen en de gotische Koepoort te Ninove bewaard.

De opbouw, verbouwingen of wederoprichting van de openbare gebouwen ging samen met de grote momenten van de stad. Zo kreeg Aalst reeds in de eerste helft van de 13de eeuw een Schepenhuis dat getuigde van het toenmalige belang van de stad. Dit rechthoekige gebouw voorzien van flankeertorens aan de vier hoeken geldt als prototype van de middeleeuwse stadhuisbouw en is het enige vermeldenswaardige voorbeeld van Scheldegotiek in het bestudeerde gebied. Vooruitstrevend is vooral de gevelindeling (noord- en oostgevel) in horizontale registers dicht aan elkaar gesloten spitsboogvensters. Hetzelfde type met rechthoekige plattegrond en flankeertorens komt terug in het stadhuis van Geraardsbergen, dat vandaag grotendeels resulteert uit de neogotische restauratie van het einde der 19de eeuw. In de 15de eeuw werd het Aalsterse Schepenhuis uitgebreid met een belforttoren, symbool van de vrije en zelfstandige gemeente. Deze vierkante toren bestaat uit verschillende geledingen. Het Gebiedshuisje dateert uit de 16de eeuw.

De gerestaureerde herberg "Beurs van Amsterdam", een voormalig weeshuis, geldt als enig voorbeeld van een bak- en zandstenen gebouw met provinciale renaissance inslag; de in- en uitgezwenkte geveltoppen zijn weliswaar barok getint.

Het voormalig Landhuis van Aalst was oorspronkelijk opgetrokken in bak- en zandsteenstijl (1643-45). De hoofdvleugel, wederopgericht in 1756, is een representatief voorbeeld van rocaillestijl met rijk uitgewerkt middenrisaliet in de voorgevel en eerder sobere classicerende achtergevel, zoals gebruikelijk in die periode. De straatvleugel van hetzelfde complex werd in 1828-31 wederopgebouwd door architect L. Roelandt in een strenge neoclassicistische stijl, die toen veelal aangewend werd voor de openbare gebouwen der grotere steden.

Het stadhuis van Ninove (1834) ontworpen door dezelfde architect illustreert een eenvoudiger neoclassicisme. Het stadhuis van Zottegem (1862) sluit aan bij de bepleisterde en beschilderde herenhuizen naar neoclassicistisch patroon uit het midden van de 19de eeuw.

In de dorpen zijn gemeentehuizen en schoolgebouwen van de tweede helft der 19de en begin 20ste eeuw typische voorbeelden van provinciale interpretaties der neostijlen.

Het historisch gasthuis van Aalst, ingeplant in het stadscentrum en opklimmend tot de 13de eeuw, biedt ons een fraai ensemble van bak- en zandsteenarchitectuur, in de 119de eeuw onder meer uitgebreid met een neogotische vleugel en poortgebouw. Door aanhoudende groei werd het hospitaal op het einde der 19de - begin 20ste eeuw, overgebracht naar de wijk Mijlbeek. De oude gebouwen worden heden ingenomen door de stedelijke academie en het museum. Het in 1100 gestichte Onze-Lieve-Vrouwehospitaal van Geraardsbergen bewaart enkele oude panden en een 18de-eeuwse kapel ingebouwd in een omvangrijk neogotisch complex uit het begin van de 20ste eeuw. Het heeft tot heden zijn functie behouden en kende vrij recente uitbreidingen. Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal van Ninove bewaart nog de kapel van 1763, die slecht geïntegreerd is in het nieuw opgerichte ziekenhuiscomplex.

De begijnhoven van Geraardsbergen en Ninove zijn volledig verdwenen. De grond werd gerecupereerd respectievelijk voor de opbouw van een school en een klooster. Het begijnhof van Aalst bewaart naast de classicistische begijnhof kerk tevens de aanleg van het eind-18de-eeuwse plein, een gedeelte van de begijnhofmuur, de vroegere 17de-eeuwse pastorij en het neotraditionele huis. De begijnhofhuisjes werden vervangen door sociale woningbouw.

Typisch voor deze begijnhoven en voor het Oud-hospitaal van Aalst en het stedelijk ziekenhuis van Ninove was hun inplanting nabij de Dender waarbij het water gebruikt werd voor nutsgebouwen.

Wat betreft de stedelijke privé-architectuur, blijven weinig burgerhuizen van voor de 18de eeuw bewaard. Dit houdt verband met de historische achtergrond: in Aalst werd het grootste deel van de bebouwing in 1667 vernietigd door maarschalk Turenne; ook de kleine steden Geraardsbergen, Ninove en Zottegem werden zwaar geteisterd in de 16de en 17de eeuw. De summiere getuigen uit de 16de en 17de eeuw aangevuld met die van de rijkere 18de eeuw geven toch een idee van de veelzijdige ontwikkeling van de gevels tot het neoclassicistisch geïnspireerde standaardtype van de 19de eeuw, dat heden nog het stadsbeeld bepaalt.

Buiten het gewoon onderscheid tussen diep- en breedhuis is het moeilijk, zonder diepgaand onderzoek, een studie van de huizentypes te maken in verband met hun mogelijke vroegere indeling en functie te meer daar in steden zoals Aalst praktisch alle begane gronden verbouwd werden.

Vóór de 17de eeuw was vakwerkbouw het overheersend bouwsysteem. Hiervan bleef niets bewaard behoudens een deel van de lemen zijgevel met overstekende bovenverdieping van de woning "Stadt van Antwerpen" in Aalst.

Vanaf de 16de eeuw, parallel met het opgedrongen versteningsproces in de steden, werd overgegaan tot de bak- en zandsteenarchitectuur, de zogenaamde "traditionele stijl", die blijft verder leven tot de tweede helft van de 18de eeuw. Baksteen werd gebruikt voor het opgaand metselwerk; de plaatselijke zandsteen voor constructieve onderdelen als dorpels en tussenstijlen van de kruiskozijnen, sokkels, hoek- en negblokken, maar ook voor druiplijsten en decoratieve elementen als horizontale banden, zogenaamde "speklagen", barokcartouches in de 17de eeuw, enzomeer. Tot de oudste voorbeelden behoren twee diephuizen met trapgevel, namelijk het "Raadshuis", een potierswoning te Ninove en de "Stadt van Antwerpen". Laatstgenoemde sluit aan bij de Brabantse voorbeelden en vertoont een hoge trapgevel met verwerking van een paar barokornamenten en centraal rondboogvormig zoldervenster geflankeerd door twee luiken (eerste helft van de 17de eeuw).

Uit de 17de eeuw dateren ook enkele traditionele breedhuizen met lijstgevel en gebogen zadeldak op modillons tussen twee getrapte zijgevels. Veelal zijn ze niet meer in hun oorspronkelijke staat bewaard (woning aan de Kattestraat (1618), de voormalige pastorij van het begijnhof, woning aan het Sint-Martensplein en de woningen aan de Abdijstraat te Geraardsbergen). De tuitgevel met muurvlechtingen (pastorij van het begijnhof en de woning aan de Markt van Geraardsbergen) werd voornamelijk toegepast bij achtergevels.

De grote stijlrichtingen zoals barok, rococo en classicisme worden in het bestudeerde gebied eerder provinciaal geïnterpreteerd en komen voornamelijk in de versieringsmotieven tot uiting.

In de 17de eeuw worden barokornamenten verwerkt in traditionele trap- ("Stadt van Antwerpen" in Aalst) en lijstgevels ("De Helle" in Aalst). De barokke halsgevel manifesteert zich onder meer op het einde van de eeuw in een combinatie van trap- en halsgevel (woning aan het Priester Daensplein in Aalst).

In de loop van de 18de eeuw kwam men los van de traditionele stijl onder invloed van de Franse architectuur. Het huis "Dirk Martens", uit eind 17de - begin 18de eeuw, sluit aan bij de Lodewijk XIV-stijl of classicistisch geïnspireerde barok; de bovenverdieping, geritmeerd door Ionische pilasters, is van de verhoogde halsgeveltop (in- en uitgezwenkte top) gescheiden door een kroonlijst.

Het rococo manifesteert zich in de breed uitgewerkte lijstgevel met geaccentueerde middenpartij uitlopend op een fronton met oculus. Ook oudere diephuizen kregen een volledig nieuwe rococogevel met aangepaste beëindiging (herenhuis "Den Inghele", 1768). Naast hardstenen parementen was tevens de gevelbepleistering en beschildering algemeen in gebruik. Dit betekende een ganse verandering voor het straatbeeld, eertijds getypeerd door het picturale der traditionele stijl. De voornaamste kenmerken zijn: verticale gevelritmering door middel van pilasters (woning aan de Molenstraat), getoogde muuropeningen gevat in een hardstenen omlijsting, soms verrijkt met sluitsteen; schouderboogdeuren in een uitgewerkte omlijsting van arduin met accoladeboogvormige tussendorpel en sierlijk gesmeed ijzeren waaier; panelen met uitgeronde hoeken op plinten, borstweringen en muurdammen van arduin (woning aan de Sint-Jorisstraat, woning aan de Vredestraat te Geraardsbergen). De weelderige asymmetrische stucdecoratie vinden we in de privéarchitectuur praktisch niet terug. Het belangrijkste voorbeeld van deze eerder sobere rococostijl is het "Huis van Langenhove") doorgaans circa 1730 gedateerd en aldus tot de vroege voorbeelden van de ontluikende rococostijl behorend. De rocaillestijl (voornamelijk deuren) wordt ook aangewend bij oudere bak- en zandsteengevels, die meteen ook gemoderniseerd werden door het uitbreken van de stenen kruiskozijnen en het bepleisteren van de gevels (voormalige pastorij van het begijnhof) in Aalst.

Vanaf het laatste kwart van de 18de eeuw treedt een eenvoudig classicisme op: bepleisterde of natuurstenen lijstgevels regelmatig gemarkeerd door rechthoekige vensters en veelal bekroond met een centraal driehoekig fronton ("De Meerminne" en "Den Heilige Geest"). Het sober en strak gehouden gevelvlak wordt soms geritmeerd door kolossale pilasters of als pilasters opgevatte penanten boven een sokkel vormende begane grond (gebouw aan de Pontstraat en woning aan het Keizersplein) en uitzonderlijk verrijkt met festoenen, palmetten, siervazen, enz. op borstwering of entablement (herenhuis aan de Antoon de Vlaeminckstraat te Ninove, woning aan het Keizersplein). De rechthoekige deur- of poortomlijstingen van arduin, bekroond met gestrekte druiplijst, vertonen Lodewijk XVI-motieven in zwikken en sluitsteen ("De Meerminne", woning aan de Molenstraat). Op het einde van de eeuw en vooral in de eerste helft van de 19de eeuw worden straten en pleinen aangelegd op de afgevoerde vesten en op de domeinen van afgebroken kloosters. Het laatclassicistische totaalontwerp voor de zuidelijke gevelwand van het Keizerlijk Plein (Aalst, aangelegd op de voormalige Karmelietenvest) is een groots opgevat maar slechts gedeeltelijk uitgevoerd concept, geïnspireerd op het Koninklijk Plein te Brussel.

Het classicistisch lijstgeveltype blijft in vereenvoudigde vorm doorleven tot het begin van de 20ste eeuw.

In de 19de eeuw onderging het stadsbeeld grote wijzigingen door de aanleg van straten en pleinen, zoals hoger vermeld, het aanpassen van oudere huizen, het inwerken van burger- en herenhuizen in reeds bestaande straten en door het ontstaan van soms omvangrijke nieuwe wijken met onder meer de arbeiderswoningen. Laatstgenoemden worden achteraf behandeld bij de industriële archeologie. De nieuwe stationswijken uit de tweede helft van de 19de eeuw brachten een lichte verschuiving van de stadskern teweeg en vormde de aanzet voor latere grondige stadsuitbreidingen. Deze stationswijken zijn belangrijk als typische ensembles van burger- en herenhuizen uit die tijd.

In de eerste helft van de 19de eeuw past men de empirestijl toe in het classicistische lijstgeveltype: rondboogvensters, Italianiserende drielichten, ijzeren leuningen met geometrische inslag, friezen met palmet- en andere gestileerde plantmotieven, medaillons, enzovoort. (woning aan de Kerkstraat, woningen aan de Korte Zoutstraat). Het enige representatieve voorbeeld van deze stijl, de "Liberale Kring" te Geraardsbergen, kwam in 1817 tot stand naar ontwerp van architect L. Roelandt.

In de bebouwing en verbouwingen van de tweede helft van de eeuw manifesteert zich naast een eenvoudig verwaterd neoclassicisme ook een eerder provinciale interpretatie van andere neostijlen en een eclecticisme dat teruggrijpt naar alle mogelijke bouwstijlen uit het verleden. Overwegend zijn de eenvoudige horizontaliserende lijstgevels met witgeschilderde bepleistering en rechthoekige of getoogde muuropeningen in een geriemde omlijsting voorzien van stucsluitsteen (Aalst, Grote Markt, Geraardsbergen, Markt). Anderzijds verschijnt ook het rijker uitgewerkte geveltype waar het gebruik van arduin, druk versierde vensteromlijstingen met bekronende druiplijst en fronton, balkons en erkers voor enkele levendige accenten zorgen (herenwoning aan de Stationstraat, woning aan het Oudstrijdersplein te Ninove, hoekhuis aan de Vredestraat te Geraardsbergen).

De Louis-Philippe-stijl of het neorococo komt vooral in de versiering tot uiting (herenhuis aan de Majoor Claserstraat en woning aan de Majoor Claserstraat, rijhuis in de Vredestraat te Geraardsbergen, herenhuis aan de Stationsstraat te Ninove).

Het enige representatieve voorbeeld van de neogotiek is de herenhuis aan de Pontstraat, gebouwd in 1875 naar ontwerp van J. de Béthune.

Het neotraditionalisme verlaat de gevelbepleistering en grijpt terug naar een plastisch opgebouwde gevel in bak- en natuursteen (neo-vlaamse renaissancewoning aan het Priester Daensplein).

Dezelfde materialen aangevuld met verschillende nieuwe (simulinatuursteen, gekleurde en geglazuurde baksteen of tegels en glas) worden verwerkt in de eclectisch getinte huizen, die in het bestudeerde gebied slechts fragmentair de verscheidenheid der bouwstijlen uit het verleden interpreteren (woningen aan de A. Liénartstraat).

Tevens worden in het begin van de 20ste eeuw verschillende 19de-eeuwse gevels gecementeerd of bekleed met kleurrijke geglazuurde tegels (onder meer hoekhuis aan het Esplanadeplein).

De art nouveau komt tot uiting in details zoals sierlijke balkons, erkers en friezen (sgraffiti) van neoclassicistisch of eclectisch getinte huizen. Meer doordacht is de plastische inwerking van het balkon van de woning aan de Vredestraat te Geraardsbergen. Enkel het huis herenhuis aan het Esplanadeplein geldt als voorbeeld van vernieuwing in gevelopstand.

De art deco uit zich vooral in gevelcementeringen en beglazing.

Modernistische architectuur uit de jaren 20-30 komt slechts zelden voor.

Ook de landelijke architectuur bewaart nog zeer weinig leembouw; af en toe in aanhorigheden van hoeven alsook enkele zeldzame huisjes te Outer, Moerbeke, Schendelbeke, Zandbergen (stijl- en regelwerk). Dit bouwsysteem is nochtans tot in de 19de eeuw in gebruik gebleven. Steekproeven in het archief (kadaster 1832-1834 voor de gemeenten Aaigem, Bambrugge, Borsbeke, Burst, Heldergem, Letterhoutem, Ressegem, Sint-Antelinks, Sint-Lievens-Houtem, Welle) wezen uit dat drie kwart van de bebouwing in de eerste helft van de 19de eeuw nog uit leem en hout bestond. Het late versteningsproces zou het consequenter doorvoeren ervan kunnen verklaren.

In de landelijke architectuur nemen de pastorieën, dikwijls gebouwd door abdijen, een aparte plaats in door hun meer stijlbewust karakter. Zij illustreren duidelijk de evolutie van bak- en zandsteenstijl naar neoclassicistische en neogotische architectuur. Vooral omtrent het midden van de 18de eeuw verschijnen stijlbewuste elementen zoals rijk uitgewerkte deuromlijstingen met rococo of classicistische inslag (pastorij van Denderleeuw, pastorij van Meerbeke). In de 19de eeuw werden aanpassingen verricht in neoclassicistische zin. Het basistype van deze pastorieën blijft een dubbelhuis op rechthoekige plattegrond, soms geflankeerd door twee lagere zijvleugels.

Burgerhuizen van vóór 1800 zijn eerder zeldzaam op het platteland. In de 19de eeuw ontstonden, parallel met de opkomst van meer gegoede burgerij onder meer dank zij de vestiging van nieuwe industrieën, een groot aantal privéwoningen ingeplant aan de straat of in een tuin met ijzeren hek. Ze vertonen veelal een dubbelhuisopstand en sluiten qua gevelordonnantie en -bekleding aan bij de neoclassicistisch geïnspireerde stadswoning. De typische rechthoekige deuromlijstingen van arduin met neuten, imposten en druiplijst zijn dikwijls slechts een vereenvoudigde overname van de gebruikelijke neoclassicistische patronen.

De belangrijkste component van de landelijke architectuur is uiteraard de hoevebouw. Doorgaans kleinschaliger aangelegd dan in Brabant en Henegouwen worden de meeste hoeven ingeplant hetzij in de dorpskern bij de kerk, hetzij tamelijk geïsoleerd in de velden of min of meer in concentraties een geheel vormend (hoeven aan de Muylemstraat in Appelterre).

De grootste hoeven zijn te situeren in de landbouwzones ten oosten en ten zuiden van het gebied. Tot de grootste en architecturaal best verzorgde complexen behoren de oude abdijhoeven onder meer het "Hof ter Cleye" in Appelterre, het "Hof te Putte" in Meldert, het "Hof te Wambeze" en "Hof ter Buikmeers" in Onkerzele, het "Hof te Landegem" in Oordegem, het "Hof ter Erpen" in Sint-Lievens-Esse, de "Munkboshoeven" en het "Hof ter Linden" in Velzeke. Het grootste aantal en de belangrijkste hoeven kennen een gesloten of semi-gesloten opstelling. De U- of L-vormige hoeven zijn dikwijls herkomstig van eerstgenoemd type. De opstelling met losstaande bestanddelen komt minder voor. Verschillende, eerder onbelangrijke hoeven behoren tot het langgestrekte type. Het zijn voornamelijk kleine en lage boerenarbeiderswoningen met aanpalend dienstgebouw. De inplantingen met nok, haaks op/of gelijklopend met de straat komen naast elkaar voor.

Het boerenhuis, dikwijls georiënteerd naar de noordkant, heeft meestal de voorgevel (woonvertrekken) aan de erfzijde; de achtergevel (dienstvertrekken, bergruimten) is voorzien van zeer kleine muuropeningen. Aan de straatzijde maken de hoeven gewoonlijk een zeer gesloten indruk ten gevolge van de blinde buitenmuren, wat de volumewerking versterkt. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen hoevegebouwen waarvan de bedaking met kielen aansluit en deze met afzonderlijke daken, doch de beide bouwwijzen komen evenveel voor. Op sommige plaatsen is nog een duiventoren bewaard, gecombineerd met poorttoren ("hoevegebouwen te Idegem" en "hoeven te Denderwindeke", laatstgenoemde aansluitend bij de Brabantse typen) of alleenstaand op het erf ("hoeven te Grotenberge", Leeuwergem en "hoeven te Ophasselt"). De opgenomen hoeven dateren meestal uit de 18de en 19de eeuw.

Opmerkelijk is het lang doorleven van de traditionele bak- en zandsteenstijl, wat nauw samenhangt met de aanwezigheid van de rijke zandsteengroeven. Deze stijl manifesteert zich in enkele 17de-eeuwse hoeven met oorspronkelijk boerenhuis doch doorgaans vernieuwde aanhorigheden. Zoals voor de stadwoning wordt zandsteen verwerkt voor sokkel, hoek- en negblokken muurbanden, steigergaten, kruiskozijnen en deuromlijstingen. Naast de rechthoekige deuren met geprofileerde stijlen en gedeeld bovenlicht verschijnen ook de rondboogdeuren met neuten, imposten, sluitsteen, druiplijst en soms ovaalrond bovenlicht. Laatstgenoemde deurtypes komen het meest voor en bleven in vereenvoudigde vorm in gebruik tot het laatste kwart van de 18de eeuw. Deze verarmde vorm houdt verband met de verarmde plaatselijke zandsteengroeven. In de 18de eeuw beperkt het gebruik van zandsteen zich tot de plint, deuromlijstingen en kruiskozijnen. Laatstgenoemde verdwijnen omstreeks het midden van de eeuw en worden veelal vervangen door getoogde vensters. Typisch voor de streek zijn de getoogde muuropeningen in een omlijsting van gesinterde baksteen (Rijnvorm) met bekronend druiplijstje met gestrekte uiteinden, uit de tweede helft van de 18de en het begin van de 19de eeuw. In de streek van Zottegem komen ze zelfs nog frequent voor tot het laatste kwart van de 19de eeuw.

Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw wordt tevens arduin gebruikt voor deur- en vensteromlijstingen, soms met overname van enkele rocaille en classicistische elementen.

Het groot aantal hoeven uit de 19de eeuw vertoont eenvoudige bakstenen gebouwen met rechthoekige of getoogde muuropeningen en verwerking van arduin voor deuromlijstingen, lekdrempels en/of lateien. Het gebruik van houten lateien wijst op een nieuwe verarming.

Ook het kastelenpatrimonium is een interessant studieobject van privéarchitectuur in het gebied. Verschillende kastelen zijn ingeplant nabij de Dender of op de grens met Brabant, ter verdediging van het graafschap Vlaanderen.

Als voorbeeld van middeleeuwse burcht blijft enkel de ruïne (noordoostelijke hoektoren) van "De Burcht" van Herzele bewaard. Het ontplooide een rechthoekige plattegrond met hoektorens en poortgebouw. De andere kastelen dateren uit de nieuwe tijd, doch zijn dikwijls opgetrokken op de plaats of onderbouw van een middeleeuws slot.

Vanaf de 16de eeuw verzwakt het zwaar en defensief burchtkarakter. De semi-versterkte waterkastelen van Voorde en Moorsel (16de eeuw met latere aanpassingen), opgetrokken uit bak- en zandsteen vertonen nog een compacte opstelling: rechthoekige plattegrond met binnenkoer en flankerende hoektorens. Moorsel illustreert de evolutie van aanpassing aan een nieuwe mode en kreeg onder meer in de 17de eeuw barokke topgevels en aangepaste vensteropeningen.

Het proces van geleidelijke ontsluiting van de constructie, teloorgang van het defensief karakter en streven naar meer comfort komt in de 17de eeuw tot uiting in de U- of L-vormige opstelling van wederopgebouwde of verbouwde kastelen ("Het Kasteel van Overhamme" in Aalst, "Het Kasteel van Boerlare" in Nederboelare; "Het Egmontkasteel "te Zottegem). Dit proces bereikt zijn hoogtepunt in de 18de eeuw. Het accent ligt op de hoofd- of woonvleugel en alles werd symmetrisch aangelegd in functie van de middenas onder meer axiale dreven en haaks op de richting van het hoofdgebouw ingeplante zijvleugels. Verschillende kastelen werden in die zin aangepast ("De Kasteel de Lalaing" te Zandbergen) of kregen gewoon een rianter en residentieel karakter geïnspireerd op de Franse architectuurvormen. Het "Kasteel van Leeuwergem", een bijna vierkant gebouw in rococostijl ingeplant in een klassieke Franse tuin, biedt ons een uitzonderlijk ensemble van 18de-eeuwse wooncultuur. Het streven naar een meer persoonlijke levensstijl, naar architectonische regelmaat van de constructie en naar contact met de natuur komt hier duidelijk tot uiting. Het "Kasteel de Blondel de Beauregard" te Viane dateert eveneens uit de 18de eeuw en vertoont een apart grondplan: het complex hoofdgebouw met zeszijdige toegangstoren is ingeplant tegenover een vierkante poorttoren met twee haakse vleugels.

Van oudsher hoort er een neerhof bij het kasteel, dat vóór ("Het Kasteel van Boerlare") of bezijden ("Kasteel van Gijzegem", "Kasteel van Leeuwergem") het eigenlijke kasteelgebouw ligt.

In de 19de eeuw werden landhuizen gebouwd in neoclassicistische ("Landgoed "Roseraie" in Aalst, neobarokke ( "Kasteel van Onkerzele"), eclectische ("Kasteel van Ronsevaal") of neo-Vlaamse-renaissancestijl ("Domein Breivelde" te Grotenberge). Deze constructies, doorgaans voorzien van dienstgebouwen, zijn ingeplant in mooie tuinen of parken.

Industriële archeologie

Het arrondissement Aalst bezit de resten van een uitzonderlijk architectuurproject uit het begin van de tweede helft der 19de eeuw. Tot de meest opvallende architectuurvormen van deze periode mag men de stations rekenen: de "Dender- en -Waes"-spoorlijn (1851) is hier één der meest markante voorbeelden van.

Architect van de lijn was J.P. Cluysenaar (1811-1880), welke waarschijnlijk aangetrokken werd door één der concessiehouders, J.A. De Mot, voor wie hij in 1837 de ongeëvenaarde Sint-Hubertusgalerijen te Brussel ontwierp (gebouwd 1846-1847).

De originele aanpak van Cluysenaar vertolkt zich in de stations: niet alleen werd hier betracht de lijn in haar totaliteit te ontwerpen (met een als dusdanig herkenbaarheid), maar tevens - en vooral - streefde Cluysenaar naar een diversiteit welke zich zou uiten in het aanpassen van zijn architectuur aan het lokale karakter.

Het is om deze laatste reden dat in zijn "Chemin de fer de Dendre-et-Waes, d'Ath à Lokeren et de Bruxelles à Gand par Alost - Bâtiments des Stations et Maisons de Garde", welke in 1855 te Brussel bij B. Van Der Kolk uitgegeven werd, niet alleen een beschrijving opgenomen werd van de met de spoorweg verbonden gebouwen, maar eveneens van de steden (met hun monumenten en opvallende kenmerken) die door de spoorlijn aangedaan werden.

Oorspronkelijk - volgens het lastenboek der concessie - wenste de spoorwegcompagnie de typegebouwen van de lijn Doornik-Jurbise over te nemen. Het is hiertegen dat Cluysenaar zou reageren, en, zoals hij het schrijft, aanvaardde de maatschappij zijn volledig afwijkende ontwerpen, "appréciant sous Ie rapport de l'utilité et de l'agrément aux différents édifices...". Dit ondanks het feit dat de hieraan verbonden kosten hoger zouden liggen.

In zijn reeds vermelde werk zet Cluysenaar niet alleen de beweegredenen van zijn handelwijze uiteen, maar weet hij eveneens - als eerste in de geschiedenis - een soort "ideologie van de stationsarchitectuur" op te stellen. Naar wij menen bezit de toen geformuleerde visie nog steeds een actuele waarde, zodat we verkiezen de auteur zelf uitgebreid te citeren: "Grace au sentiment artistique de la Compagnie, j'ai pu sortir des traditions jusque-la suivies en Belgique, m'inspirer de la destination de chaque bâtiment et du caractère du cadre qui l'entourait.

La variété d'aspects et d'impressions, voila ce que l'on recherche en voyage; trop souvent la monotonie est une cause d'ennui sur un chemin de fer dont les rails se prolongent identiques et dont les constructions se succèdent uniformes.

Même emporté par un convoi lancé à toute vapeur, le voyageur aime jeter un regard sur des objets qui different, qui changent de distance en distance.

(...)

Du reste, les constructions que j'ai faites ne pouvaient point aspirer aux vastes dimensions employées dans quelques pays; elles devaient se borner aux exigences du service, mais je me suis efforcé d'ennoblir ces exigences par un cachet d'art et par le sentiment du pittoresque.

(...)

Au moyen de ces différents matériaux et a l'aide de combinaisons simples et faciles, je crois être parvenu a poser quelques nouveaux jalons d'une architecture pittoresque et variée, dont le caractère s'harmonise très bien avec l'aspect de la campagne et Ie voisinage des maisons ou des arbres qui forment comme Ie cadre de ces constructions. Déjà mes essais ont été reproduits sur divers points du pays, et j'ai vu avec plaisir que quelques artistes ont suivi la même voie et développé une idée qui a rencontre de nombreuses sympathies...".

Dit "manifest" - men mag het in de grond zo beschouwen - betekende aldus niet alleen een omwenteling in de Belgische stationsarchitectuur, maar zou tevens zijn invloed laten gelden op het buitenland (onder meer via Cluysenaars medewerking aan het Royal Institute of British Architects). Op basis van de geformuleerde ideeën ontwierp Cluysenaar vier klassen van spoorweggebouwen, waarvan de meeste thans reeds verdwenen zijn, of rechtstreeks met sloping bedreigd worden: 1. wachthuisjes: nochtans moet hierbij vermeld worden dat deze nooit uitgevoerd werden, omdat de compagnie de verplichting opgelegd kreeg de standaardtypes van de Belgische staat te volgen; hetgeen bij Cluysenaar een aantal bittere bemerkingen oproept. 2. halten: namelijk Station van Gijzegem, Rebaix, Station van Idegem, Station van Schellebelle, Acres, Station van Zandbergen, Papignies; 3. de zogenaamde "stations de campagne": Spoowegwachthuisje van Denderleeuw, Spoorwachtershuisje van Lede, het station van Zandbergen en Station van Ternat; 4. de zogenaamde "stations de ville": Station van Ninove, Lessen, Geraardsbergen (samen met de opslag- en stelplaatsen), Station van Aalst (samen met stelplaatsen en goederenloodsen), Lokeren, Dendermonde.

De gebouwen werden uitgevoerd in rode Boomse papesteen; de plinten en kordons in hardsteen van Soignies of Maffles; de kroonlijsten en windborden in Noorse den; het dak in rode en blauwe pannen van de firma Josson & Delangle uit Antwerpen.

Door tijdgenoten werd deze architectuur zeer positief geëvalueerd, en later werd onder meer de nadruk gelegd op het feit dat Cluysenaar één der eersten was "à ressusciter heureusement les formes du style flamand...", onder meer in zijn station te Aalst (zie Rousseau J. in een Cluysenaar necrologie in het "Bulletin des Commissions d'Art et d'Archéologie", 1880).

Een andere kenmerkende bouwvorm vanaf de 19de eeuw is het opkomen van een specifieke industriearchitectuur, behorend tot het onderzoeksterrein der industriële archeologie.

Op de eerste plaats dient hier echter gewezen op het gevaar nu reeds te willen overgaan tot veralgemeningen, of algemeen geldende hypothesen: voor het arrondissement Aalst is er een schrijnend gebrek aan studies en beschikbare achtergrondgegevens betreffende de industriële periode, en de gegevens van deze (spoed)inventaris bleven (nog) te disparaat. Een aantal case-studies, aangevuld met toegepast historisch onderzoek (bijvoorbeeld aan de hand van de bewaarde provinciale de commodo et incommodo-aanvragen uit de 19de eeuw, het kadaster, en sociaal-economische documenten) zou de nodige aanvullingen kunnen leveren bij de thans beschikbare data.

Tijdens de inventarisatie dienden we daarenboven herhaalde malen te constateren hoe snel belangrijke materiële evidenties van de industriële geschiedenis plegen te verdwijnen: het leeghalen en deels slopen van de textielfabriek Flamant te Geraardsbergen is hiervan een mooi - doch tevens pijnlijk - voorbeeld.

De kwantiteit van het verdwenene kan duidelijk afgelezen worden aan de hand van enkele cijfers, die de historische situaties geven.

Zo vermeldt De Portemont voor het Geraardsbergen uit 1870: brouwerijen; olieslagerijen; bloem-, draf- en taanmolens; zoutraffinaderijen en zeepziederijen; blekerijen, ververijen en weverijen (vooral gemengde weefsels en katoen); twee papier- en kartonfabrieken; een pijpenfabriek; één gieterij; vijf lucifersfabriekjes. Op dat ogenblik was de beginfase van de industrialisatie van Geraardsbergen nog niet voltooid. Van de oudere bedrijven gaven enkele oorsprong aan een moderne vestiging, en bevat deze nog zeer weinig van het originele gegeven; van de meeste werd echter geen noemenswaardig spoor meer ontdekt.

Voor het Geraardsbergse is dit vooral opvallend voor de sigarennijverheid. Volgens De Portemont bestonden er in 1870 vijf sigarenfabriekjes op het grondgebied der stad, en in het begin van de 20ste eeuw waren er 124 bedrijven in de onmiddellijke omstreken gevestigd: wij vonden nog twee sites welke het vermelden waard waren... Eén ervan (Sigarenfabriek en woonhuis E. Borremans) toont op een prachtige wijze de groei van huisambacht tot nijverheid.

Dezelfde bemerking kan gemaakt worden voor de textielsector, vooral dan voor de traditionele aspecten van deze. Deze sector bestond reeds eeuwen, en op het platteland werkten in zogenaamde "wevershuizen" een massa weefstoelen. Zo vonden wij bijvoorbeeld in kadastrale archieven voor de periode 1812-1834 (steekproef) in Heldergem 11 wevershuizen (op 137 woningen), en in Ressegem 18 (op 120 huizen); in Lede waren in 1819, 220 weefgetouwen actief. Een studie van dit belangrijke fenomeen der "wevershuizen" zou interessante hypothesen kunnen opleveren in verband met de industrialisering van (of naast) de ambachtelijke bedrijvigheid. In de vermelde plaatsen vonden wij echter geen enkele materiële evidentie meer terug.

Opmerkelijk in dezelfde zin is de evolutie van de, tabaksteelt in Appelterre, welke voordien niet alleen een nijverheid, doch tevens een volledig landschap uitmaakte: waar vroeger praktisch het ganse grondgebied door tabaksplanten ingenomen werd, vonden wij bij ons bezoek ter plaatse nog slechts een tweetal kleine velden terug.

Dezelfde cijfers zouden voor elke nijverheid, voor elke gemeente kunnen gegeven worden.

Nochtans bleven in de streek nog een aantal interessante technische installaties bewaard. Uniek in dit verband is voorzeker de vroegere brouwerij Rubbens te Zonnegem, welke een volledig overzicht biedt van de brouwerijgeschiedenis van de laatste honderd jaar. Niet alleen ontsnapte een groot deel der installatie, met uitzondering van het koper, aan de opeisingen van de eerste wereldoorlog (welke desastreus was voor de meeste brouwerijen en stokerijen van de streek), maar daarenboven werd de brouwerij na het stilleggen der activiteiten niet dadelijk ontmanteld en de metalen naar een schroothandelaar verwezen (de normale evolutie, binnen het jaar na het stilvallen, omwille van de metaalprijzen).

De oudste sporen van stoomkracht in het arrondissement vonden we terug in de vroegere stoomolieslagerij aan de Molenstraat te Haaltert (maalderij "De Graeve"): het betreft hier de resten van het stoommachinelokaal van een verticaal monocilinderstoommachine, een type dat in het derde kwart van de 19de eeuw reeds als verouderd aangezien werd. De machine werd ontmanteld, doch de inplanting is nog duidelijk merkbaar, en vergelijkbaar met deze van een nog bewaarde dergelijke machine in de hoeve en landbouwstokerij "Betsberg" (Vandevelde) te Landskouter.

In totaal vonden wij nog drie stoommachines terug: een horizontale monocilinder in de hogervermelde brouwerij Rubbens te Zonnegem (buiten werking), en twee recentere compoundtypes: in de brouwerij Slagmuylder te Ninove, en in de kartonfabriek De Clercq van Zandbergen. Opmerkelijk is dat de machine van Ninove nog in werkbare staat is, en dat deze van Zandbergen nog dagelijks dienst doet.

Stoomketels (meestal Lancashire-boilers) zijn nog in behoorlijke aantallen aanwezig: vaak werden zij omgebouwd op een oliestook-installatie, en worden ze nu voor verwarming aangewend.

Waar de eerste bedrijfsgebouwen opvallen door hun eenvoudige functionele bouw, worden hieraan door het gebruik van stoomkracht typische volumina gekoppeld: een laag ketelhuis, meestal tegen zij- of achtergevel, en - vooral - de opvallende vierkante schoorsteen. Deze laatste werd vaak, door overhellen en omwille van vallende stenen, wanneer hij zijn functie verloren had, tot op een "ongevaarlijke" hoogte ingeknot.

Van deze functioneel gedachte ruimten en sobere gevelindelingen evolueert men blijkbaar, vooral vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw, naar een geveldecoratie waarbij baksteenmotieven, het afwisselend gebruik van donkere en rode baksteen en natuursteen, sierankers,... tot de elementen behoren (bijvoorbeeld de voormalige brouwerij te Haaltert; de passementfabriek "Au Glan d'Or" te Mere; de maalderij Prove te Ninove, en andere). Het gebruik van metaal in de gevel (onder andere ijzeren I-balken) zou vooral vanaf begin 20ste eeuw mogelijkheden bieden om het verlichtingsoppervlak der vensters sterk te vergroten. Het effect hiervan is bijvoorbeeld merkbaar bij de voormalige spinnerij"Filature du Canal" te Aalst.

De decoratieve evolutie zal één van haar hoogtepunten krijgen in de uitwerking van de brouwerij "De Klok" te Zottegem (1935).

Een juiste periode voor de overgang van traditionele bouwwijzen, naar een dominerende rol van het gebruik van metaal, kon niet bepaald worden, onder meer door de grote diversiteit van het gebied, en door de verschillen in regio's. Hout lijkt echter zeer lang aangewend, zeker in spantconstructies: een zuiver voorbeeld van een ijzeren Polonceau-spant vonden wij bijvoorbeeld enkel terug in het vroegere Zottegemse tramstation (begin 20ste eeuw).

In de vroegere cichoreifabriek "Radix" te Moerbeke vinden we nog bakstenen troggewelven tussen houten balken (1860), een constructiewijze die op dat ogenblik in industriële gebouwen normaliter niet meer toegepast werd. Nochtans lijkt vanaf het derde kwart en zeker in het laatste kwart van de 19de eeuw, een uitvoering van troggewelven tussen ijzeren I-balken een courante bouwwijze, onder meer in brouwerijen.

Het gebruik van gietijzeren zuilen als ondersteuning, eerst van houten balken, nadien van ijzeren I-balken (waarop bijvoorbeeld houten bevloering rust zoals in de voormalige "Distillerie et Malterie Le Lion d'Or", of waarop troggewelven rusten, zoals in de voormalige mouterij aan de Burchtstraat lijkt zich in dezelfde periode te ontwikkelen.

Een zuivere metaalconstructie vonden we in de voormalige twijnderij te Ninove (circa 1880): met uitzondering van de - hier ontbrekende kelderconstructie - vertoont de technische bouwwijze van dit bedrijf een opmerkelijke gelijkenis met deze welke zich op een grotere schaal (zes bouwlagen) bevond in de onlangs gesloopte "La Lieve" aan de Wiedauwkaai te Gent. In beide gevallen loopt de metaalconstructie als een skelet doorheen de verdiepingen (uitgevoerd in zeer brede, opgespannen troggewelven), en is deze als dragend constructie-element gelijkwaardig aan de buitenmuren.

De mogelijkheden van dergelijke metaalconstructies worden treffend geïllustreerd door het stel zwevende vloeren, rond een centrale dragende metalen kolom, in het machinehuis van de voormalige stoommouterij en -brouwerij "De Engel" te Meerbeke.

Toch vonden we in de ijzerconstructies nergens "vooruitstrevende" voorbeelden terug. In tegenstelling hiermee staat een opmerkelijk vroeg gebruik van beton in de "Sanitary Underwear Company" te Zottegem, welke volledig uitgevoerd werd in ter plaatse gestort gewapend beton (1909).

Tot dezelfde industriële ontstaansgeschiedenis behoort het fenomeen der arbeidershuisvesting. De vóór 1840 onder meer in het kadaster vermelde "arbeidershuizen" dienen eerder geïnterpreteerd als huisvesting voor dagloners in kleine manufacturen en in hoeven, vooral dan buiten de kernen Aalst, Ninove, Geraardsbergen.

De proletariaatshuisvesting, uit alle perioden, en gaande van "beluiken" (of: ingangen, poortjes, fortjes,...) tot de sociale en pseudosociale woonwijken uit de eerste helft van de 20ste eeuw, is kwantitatief zo sterk vertegenwoordigd, dat het een belangrijke kwalitatieve component wordt in het bebouwde patrimonium. Eén der meest opvallende elementen in het stadsweefsel zijn de talloze binnenblokbebouwingen (doch deze vallen niet alle te situeren onder de hoofding "beluik"), de verbindingsstraatjes en -steegjes (bijvoorbeeld in Denderleeuw).

De meeste vormen van arbeidershuisvesting dateren uit de tweede helft van de 19de tot het eerste kwart van de 20ste eeuw, en liggen vaak - doch niet altijd - in de omgeving van industriële of semi-industriële (bijvoorbeeld transport) kernfuncties.

Bij een analyse van de woonwaarde in Aalst (door W. Jacob) bleek dat zowel in 1834 (2.614 woningen, waarbij de kern met zijn 3 % van de stadsoppervlakte 66 % van de woningen vertegenwoordigde) als in 1862 (3.383 woningen) de huizen van lagere kwaliteit overheersten; daarenboven bleek dat tussen beide jaren de aangroei het hoogst was in de laagste woningklassen, terwijl de aangroei extra muros belangrijker was dan het volbouwen van de oude stad.

Aldus krijgen we het beeld dat, met uitzondering van de talrijke nog resterende, of de sporen van verdwenen "ingangen", de arbeidershuisvesting in Aalst eerder aan de periferie kwam te liggen; dit aspect wordt nog versterkt doordat zowel de nijverheid als de arbeidershuisvesting de laatste decennia met alle middelen uit de binnenstad verdrongen werd/wordt. Hetzelfde beeld toont Geraardsbergen. Het lijkt echter minder het geval te zijn voor Ninove en Zottegem, waar deze bebouwing, langsheen de openbare weg, ook verspreid voorkomt in de binnenstad. Typisch voor de arbeidershuisvesting langsheen de openbare weg is de later aangebrachte gevelbekleding door middel van cementering of geglazuurde gevelstenen. De studie van deze proletariaatshuisvesting maakt onzes inziens reeds een onderwerp op zichzelf uit (al ware het maar omwille van de kwantiteit), voor een heel team van onderzoekers. In deze spoedinventaris beperkten wij ons dan ook tot het situeren van de diverse aspecten van het onderwerp.

De aanpak is echter dringend: vaak goed bedoelde, en sedert jaren geplande saneringen, vernietigen tegen hoge snelheid precies dit element van de industriële geschiedenis. Gelijktijdig hiermee wordt dan echter een organisch gegroeid kleinschalig woonmilieu vernietigd, dat bijvoorbeeld als woonerf uitstekende renovatiekansen bood; het pittoreske en typische van deze volkse omgevingen zou een meer dan valabel alternatief kunnen bieden voor hoge bouw en rechtlijnige "sociale" wijken.

Watermolens vormden tot ver in de 19de eeuw nog een belangrijke bron van drijfkracht. De meerderheid waren uiteraard graanwatermolens, doch circa 1830 werden in het arrondissement tevens oliemolens vermeld (onder meer de "Ratmolen" van Aaigem, watermolen van Bambrugge, hoeve met molenhuis te Geraardsbergen, mechanische maalderij te Steenhuize-Wijnhuize, enzoverder), evenals schorsmolens (watermolen te Ninove), papiermolens ("Kartonfabriek Fontaine-Van Damme" te Goeferdinge), hennep- en vlasklopmolens (de "Engelsmolen" in Aaigem, watermolen te Herzele), lijnkoekmolens (Ninove, Outer, Sint-Lievens-Esse), mostaardmolens (Ninove), enzomeer.

Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zullen deze nijverheden van de stad naar het platteland verhuizen, om binnen de agglomeraties vervangen te worden door vuurmolens (veelal nabij het water of een grote verkeersweg gelegen, omwille van de aanvoer van steenkool). Vaak werden hierbij de vroegere molengebouwen hergebruikt voor het plaatsen van de stoommachine.

Een voorbeeld hiervan vinden we onder meer in Ninove Watermolen aan de Oude Kaai; in dezelfde stad bevindt zich aan de Denderkaai nog een volledig nieuw gebouwde maalderij "Prouvé", terwijl de oude watermolen aan de Dam (thans zonder waterrad) het stoomtijdperk overleefde.

Mooie voorbeelden van vroege vuurmolens vonden we onder meer in Denderleeuw (A. De Cockstraat) en vooral in Haaltert: maalderij "De Graeve".

Door de aanwezigheid van voldoende verval kwam bij de watermolens de keuze te liggen bij het bovenslag- of hoog-middenslagrad; de meeste ervan zijn thans uit metaal vervaardigd, en de oudste dateren van omstreeks de eeuwwisseling. Turbines werden duidelijk minder aangewend, en dateren uit de 20ste eeuw (bijvoorbeeld de Vroegere "Maalderij Driscart" te Viane). Tot het einde van de vorige eeuw, en waarschijnlijk zelfs tot een groot deel van deze eeuw werd het transmissie-systeem uit hout gebouwd; de meeste gietijzeren overbrengingen, met uitzondering van de recentste, namen de verticale structuur van de houten overbrengingen over (bijvoorbeeld het woon-en molenhuis te Zottegem-Strijpen).

Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw werden ook op het platteland de molens courant van een stoommachine voorzien. Dit leidde vaak tot typerende bijgebouwen, zoals de vierkante schoorsteen, naast ketelhuis en machinelokaal. Naar believen kon van mechanische drijfkracht op waterkracht overgeschakeld worden, omdat beide op dezelfde centrale as aangesloten waren (bijvoorbeeld de korenwatermolen van Ottergem, de gesloten hoeve met watermolen van Zottegem-Strijpen, de graanwatermolen van Zarlardinge, en andere). Begin 20ste eeuw werd de stoommachine op vele plaatsen vervangen door een armgasmotor, of - iets later - door een dieselmotor; deze verdwenen omstreeks de Tweede Wereldoorlog vaak reeds voor een elektromotor. Opmerkelijk is de wijze waarop sommige vroegere watermolens uitgroeiden tot grootschalige maalderijen, wat samenhangt met het aanwenden of combineren van moderne vormen van drijfkracht, en met de invoering van de maalcilinders (bijvoorbeeld de Bovenslagmolen te Mere en de vroegere "Maalderij Driscart" te Viane).

Bron: D'Huyvetter C., de Longie B. & Eeman M. met medewerking van Linters A. 1978: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Aalst, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 5N (2 delen), Brussel - Gent.

Auteurs: Eeman, Michèle & Linters, Adriaan

Datum tekst: 1978

Relaties

omvat Aalst

Aalst (Oost-Vlaanderen)

omvat Denderleeuw

Denderleeuw (Oost-Vlaanderen)

omvat Erpe-Mere

Erpe-Mere (Oost-Vlaanderen)

omvat Geraardsbergen

Geraardsbergen (Oost-Vlaanderen)

omvat Haaltert

Haaltert (Oost-Vlaanderen)

omvat Herzele

Herzele (Oost-Vlaanderen)

omvat Lede

Lede (Oost-Vlaanderen)

omvat Ninove

Ninove (Oost-Vlaanderen)

omvat Sint-Lievens-Houtem

Sint-Lievens-Houtem (Oost-Vlaanderen)

omvat Zottegem

Zottegem (Oost-Vlaanderen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.