Inhoudelijk thema

Prehistorische grafheuvelcomplexen en urnenvelden

ID: 17271   URI: https://id.erfgoed.net/themas/17271

Beschrijving

Inleiding

Grafheuvels, grafheuvelcomplexen en urnenvelden komen voor in heel Europa en vormen soms uitgestrekte aaneengesloten ‘funeraire landschappen’, die gecombineerd met de nederzetting, rituele plaatsen, akkercomplexen, etc. blijk geven van een verregaande organisatie van het toenmalige landschap (cf. Bourgeois 2013; Gerritsen 2003; Doorenbosch 2013; Van Beek en Louwen 2013). De begraafplaatsen schijnen daarbij dikwijls een functie gehad te hebben als stabiele en centrale elementen, gelegen op opvallende topografische locaties. Kleinere grafvelden, met slechts enkele tientallen graven zijn echter eveneens zeer frequent aanwezig, en werden wellicht voor een kortere periode en door een kleine gemeenschap gebruikt (Bourgeois 2013; voor de urnenvelden cf. bespreking door Van Beek en Louwen 2013).

Algemene chronologie

De eerste grafheuvels verschijnen in het laatneolithicum, maar het hoogtepunt van het fenomeen situeert zich in het 3e en 2e millennium vóór Christus (Harding 2000). Verschillende duizenden van dergelijke monumenten, dikwijls nog bewaard in de topografie, zijn gekend in landen als bijvoorbeeld Denemarken, Nederland (Bourgeois 2013) en het Verenigd Koninkrijk (Bradley 2007). In de periode van de late bronstijd (de vroegste dateringen in het Scheldebekken stammen echter nog in de middenbronstijd; cf. De Mulder 2011) verschijnen de ‘urnenvelden’ (De Mulder et al. 2007; Fokkens 1997; Van Beek en Louwen 2013). De praktijk van de aanleg van grafheuvels en andere structuren met crematiebegravingen loopt nog door tot in de late ijzertijd, en men kan het aanleggen van grafvelden van brandrestengraven en het oprichten van tumuli beschouwen als het doorleven van deze ‘inheemse’ traditie tot in de Romeinse periode (cf. Hiddink 2003, 14-34). De Romeinse begraafplaatsen behoren echter niet tot het onderwerp van deze tekst, hoewel een aantal sites wel getuigt van een langdurig gebruik van funeraire landschappen uit de metaaltijden tot in de Romeinse periode, soms zelfs nog tot in de vroege middeleeuwen (cf. infra).

Beknopte historiek van het onderzoek in Vlaanderen

In de Antwerpse en Limburgse Kempen is er een vrij  lange traditie van het onderzoek naar grafheuvels (cf. overzichten in De Laet 1961; Desittere 1968; Meex 1976; Van Impe 1976; Van Impe en Beex 1977). Dit onderzoek van urnengrafvelden gaat al terug tot minstens de tweede helft van de 19e eeuw (cf. ook Schuermans 1862), met verschillende onderzoeken van de hand van onder meer Louis Stroobant (Stroobant 1903, 1905, 1909, 1921a en b; 1935), Charles Dens (Dens 1887; 1908) en baron De Loë (De Loë 1931). Diverse opgravingen van nog in de topografie bewaarde grafheuvels en grafheuvelcomplexen in de Antwerpse en Limburgse Kempen volgden nog vanaf de jaren 1950 en vooral de jaren 1970 en 1980, vooral geïnstigeerd door natuurontwikkelingen en de bedreiging van de grafvelden door plunderingen (b.v. Annaert en Van Impe 1985; Beex & Roosens 1967; De Laet 1954; 1960; De Laet en Mariën 1950; Engels & Van Impe 1985; Faider-Feytmans 1951, 1961; Hubert 1963; Janssen & Van Impe 1987; Lauwers en Van Impe 1980; Maes en Van Impe 1985; 1986; Mertens 1951; Roosens en Beex 1960, 1961, 1962, 1865; Vanderhoeven 1958; Van Impe 1978a en b; Van Impe en Beex 1977; Van Impe et al. 1973).

In Zandig Vlaanderen startte het onderzoek naar prehistorische grafheuvelcomplexen vanaf eind jaren 1970 door de ontdekking van een groot aantal (meer dan duizend) circulaire structuren afkomstig van bronstijd grafheuvels via luchtfotografie (Ampe et al. 1995; Bourgeois et al. 1998; De Reu en Bourgeois 2013; De Reu et al. 2011). Vóór deze luchtfotografische prospecties waren in deze regio geen grafheuvels gekend (cf. De Laet 1982). Wel was een aantal urnengrafvelden gekend via prospecties, toevalsvondsten en opgravingen (De Laet et al. 1958; De Laet et al. 1960; Desittere 1968). Vanaf de jaren 1980 vonden ca 70 preventieve of andere opgravingen plaats op verschillende door luchtfotografie ontdekte circulaire structuren (o.a. Bourgeois 1988; Bourgeois 1991; Bourgeois en Meganck 1993; Bourgeois et al. 1993; overzicht in De Reu en Bourgeois 2013). Radiokoolstofdatering afkomstig van een aantal van deze onderzoeken dateren de oudste structuren in het laatneolithicum/ de vroege bronstijd, maar het gros van de dateringen situeert zich vanaf het midden van het derde tot het einde van het tweede millennium vóór Christus, met een piek in dateringen tussen 1700 en 1400 vóór Christus (overzicht in De Reu en Bourgeois 2013 en De Reu et al. 2011).

De eerste vondstmeldingen van urnenvelden uit de late brons- en ijzertijd dateren eveneens al uit de 19de eeuw, maar beperkt zich tot opsommingen en beschrijvingen van de urnenvondsten. Echt onderzoek naar deze grafvelden komt pas op gang in de periode na de Tweede Wereldoorlog (De Mulder 2008; 2011).

Verdere opgravingen van grafstructuren en grafvelden werden eveneens uitgevoerd in het kader van preventieve opgravingen in navolging van het archeologiedecreet (b.v. Annaert 1998; Annaert et al. 2012; Bruggeman et al. 2017; Bruggeman en Reyns 2011a; 2011b; 2013; Creemers 1994; 1996; Delaruelle et al. 2008; Demeyere en Bourgeois 2005; Dyselinck T. 2013; Jezeer 2015; Pede et al. 2011; Pede et al. 2013; Pede et al. 2015; Steenhoudt en Smeets 2012; Van Mousch 2016; Van Nuenen en Gierts 2014; Weekers-Hendrikx 2017), en het Onroerenderfgoeddecreet (o.a. Claesen et al. 2018; Vynckier et al. 2019).

Met de ontwikkeling van de laseraltimetrie en de creatie van het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen werd een aantal voorheen niet gekende grafheuvels en grafheuvelcomplexen ontdekt (b.v. Meylemans et al. 2017).

Regionale spreiding

Zowel in de Kempen als de Zandstreek schijnen er duidelijke regionale clusteringen voor te komen in de spreiding van urnengrafvelden en grafheuvelcomplexen. In de Kempen zijn er bijvoorbeeld opvallende clusters op het Kempens plateau en de Kempense heuvelrug, in Zandig Vlaanderen op de dekzandrug Maldegem- Stekene (De Reu et al. 2013). Wat de grafvelden uit de ijzertijd betreft gaat deze clustering doorgaans gepaard met het voorkomen van andere archeologische sites zoals nederzettingen en Celtic Field complexen (Meylemans 2018). In de Zandleemstreek zijn er enkele opvallende complexen gekend in bosgebieden die historisch vrij stabiel zijn gebleven, bijvoorbeeld in het Meerdaalwoud en het Heverleebos (Adriaenssens 2007; Baeté et al. 2009). De aanwezigheid van de grafheuvels daar duidt op het bestaan van uitgestrekte funeraire/ rituele landschappen. Het onderzoek van deze sites is tot op heden echter beperkt tot oudere opgravingen en vondsten (De Loë 1907; Dens 1908). Dankzij het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen zijn deze grafheuvels recent opnieuw gelokaliseerd. Bovendien leverde dit ook een aantal tot op heden ongekende structuren op (Meylemans et al. In voorbereiding). Een ander opvallend complex gelegen in de Zandleemstreek zijn de grafheuvels in en in de buurt van het Hallerbos en het Kluisbos (Moens 2014). Ook deze heuvels waren tot nog toe slechts onderwerp van enkele oudere opgravingen (Cumont & Polis 1901). Wellicht onthult het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen hier opnieuw enkele voorheen niet gekende structuren (Moens 2014). Verder is in het Muziekbos en het Kluisbos te Ronse een aantal grafheuvels gekend (Pede et al. 2013). Het onderzoek van deze grafheuvels gaat terug tot de jaren 1830, en concentreerde zich eveneens enkel op de heuvelstructuren (Deconynck 1983; Fourny 1985; Fourny 2002; De Laet en Roosens 1952). In al deze bosgebieden is een aantal van de grafheuvels met zekerheid te identificeren als Romeinse tumuli.

De spreiding van de regionale clusters laat wat betreft de urnenvelden toe om het bestaan van verschillende regionale ‘culturele groepen’ te herkennen aan de hand van de vormelijke variatie van de grafvelden en -structuren, en het geassocieerde culturele materiaal (cf. b.v. Van Beek en Louwen 2013; Verlinde en Hulst 2010). Traditioneel worden in Vlaanderen de ‘Vlaamse groep’ (gebied ten westen van de Schelde, voornamelijk in Oost-Vlaanderen) en de ‘Noordwestelijke groep’ onderscheiden (gebied ten oosten van de Schelde; Desittere 1968; De Laet 1972; De Mulder 2008, 2011). In de Vlaamse groep is een opvallende concentratie te merken in het Waasland en de Scheldevallei tussen Gent en Dendermonde (De Mulder 2008, 2011).

Aspecten van het begrafenisritueel

Diverse onderzoeken tonen aan dat grafheuvels en grafheuvelcomplexen dikwijls lang, tot verschillende honderden jaren, in gebruik bleven, of althans over een lange periode een zekere religieuze, rituele of ‘markerende’ betekenis genoten (cf. b.v. Gerritsen 2003). Zo vormen oudere grafheuvels dikwijls een ijkpunt voor de ontwikkeling van latere grafvelden en rituele complexen (cf. b.v.Ursel-Rozenstraat (Bourgeois et al. 1989), Dendermonde- Hoogveld (Vandecatseye en Laisnez 2009), Mechelen- Kerkenbos (Vynckier et al. 2019)). In een aantal gevallen blijken ook grafvelden uit de Romeinse periode nog aangelegd te zijn bij brons- of ijzertijd monumenten. Ook de grafheuvels zelf werden soms meerdere malen gebruikt voor begraving, met secundaire begravingen in of aan de rand van het heuvellichaam, soms zelfs nog in de Merovingische periode (Delaruelle et al. 2012). De uitgestrektheid van en het aantal graven binnen de grafvelden is uiteraard mede afhankelijk van de tijdsduur waarin deze werden gebruikt. Het aantal graven kan variëren van zeer weinig (minder dan 10) tot meer dan 1000.

In de vorm en het voorkomen van de grafheuvels en andere grafstructuren is er enige variatie, van grafheuvels zonder randstructuren, met kringgreppels, palenkransen, zogenaamde ringwalheuvels, ovale en rechthoekige vormen, ‘langbedden’, etc. Deze variatie is kenmerkend voor het gehele verspreidingsgebied van de prehistorische grafheuvels en andere grafmonumenten. Deze verschillen in morfologie bieden in zekere mate enige chronologische houvast (Bourgeois 2013, p. 32-38). De grootte van de grafheuvels varieert doorheen de tijd. In de periode van de midden bronstijd kunnen deze diameters hebben van verschillende tientallen meters. Deze grote grafheuvels herbergen meestal meerdere bijzettingen en deden dus dienst als begraafplaats van een samenhorende groep, mogelijk in familieverband. In de periode van de urnenvelden, in de late bronstijd en vroege ijzertijd, werd er doorgaans begraven in individuele graven in kleinere grafmonumenten en vlakgraven, die eveneens dichter bij elkaar geplaatst werden. Qua randstructuur is het voorkomen van kringgreppels vrij algemeen, hoewel ook heuvels zonder randstructuren voorkomen. In de periode van de vroege ijzertijd zijn deze kringgreppels dikwijls voorzien van een onderbreking (b.v. Neerpelt- De Roosen; Muizen- Kerkenbos, …).

In de sporen op luchtfoto’s in Zandig Vlaanderen is deze typologische variatie in enige mate eveneens aanwezig. De meeste van deze sporen tonen een enkelvoudige gracht (ca. 80%), een aantal had een dubbele circulaire omgrachting (ca 10%). Kleine aantallen andere sites tonen de aanwezigheid van ‘langbedden’, palenkransen, en meervoudige circulaire omgrachtingen (De Reu 2013).

Vooral in de late bronstijd en vroege ijzertijd, met de opkomst van de uitgestrekt urnenvelden, in sommige gevallen nog in de late ijzertijd (cf. b.v. Jezeer 2015), komen in en nabij grafvelden soms rechthoekige structuren voor die geïnterpreteerd worden als cultusplaatsen (cf. Fontijn 2002; cf. b.v. Bourgeois et al. 1989; Bruggeman en Reyns 2013; Kalshoven en van der Line 2017; Steenhoudt en Smeets 2012; Verbrugge et al. 2013).

In het begrafenisritueel is er eveneens enige diversiteit te bemerken (cf. Bourgeois 2013; De Laet et al. 1986; De Mulder 1994; Hessing en Kooi 2005; Hiddink 2003). Zoals de vorm van de grafheuvels is hier in enige mate een relatie met de chronologie vast te stellen. In het algemeen is er vanaf het laatneolithicum een verschuiving van lijkbegraving naar crematie. Vanaf de latere fase van midden bronstijd komt enkel nog crematie voor. In de periode van het laatneolithicum is het voorkomen van centrale structuren (grafkamers) waarboven de grafheuvel werd opgericht vrij algemeen. Ook in de vroege bronstijd wordt dit nog vrij veel toegepast. Een aantal van de grafheuvels van de Muziekberg te Ronse bijvoorbeeld waren voorzien van een centrale grafkamer opgebouwd uit ijzerzandsteen, waarin de urne was geplaatst (Pede et al. 2013).

Secundaire begravingen komen voor in verschillende vormen, bijvoorbeeld ingegraven in een reeds bestaande heuvel. Deze praktijk is het meest algemeen in de periode van de midden bronstijd. De beschikbare radiokoolstofdateringen wijzen vooral op de periode tussen 1800 en 1400 vóór Christus. In de urnenvelden van de late Bronstijd en vroege ijzertijd werd er soms eveneens opnieuw gebruik gemaakt van oudere grafheuvels (Bourgeois 2013, p.36).

Wat de eigenlijke grafcontexten betreft komen zowel crematiebegravingen met en zonder urn voor. Soms worden enkel de uitgeselecteerde crematieresten (verbrand bot) in de urn gedeponeerd, soms worden de overige brandstapelresten mee begraven. Deze brandstapelresten (houtskool, verbrand bot) worden dan hetzij gedeponeerd in een eenvoudige kuil of gewoon als een laag of pakket (brandrestengraf), hetzij in de urn en de kuil rond de urn (brandafvalgraf). Soms werden deze resten in een vergankelijke container gedeponeerd, zodat ze bij opgravingen voorkomen als een ‘pakketje’ van gecremeerd bot (beenderpakgraf) (cf. een overzicht in De Mulder 2008). De graven zijn doorgaans sober, bijgiften zijn in het algemeen vrij schaars, en beperken zich tot b.v. een aardewerk potje, en soms een metalen voorwerp als een ring of een speld (cf. b.v. De Mulder en Rogge 1995), tenzij in grafcontexten die wijzen op een hogere sociale status. Vanaf de vroege ijzertijd komen ‘wapengraven’ voor, dus met bijgiften van wapens (cf. b.v. Van Impe en Thyssen 1979). In de late ijzertijd verdwijnt het fenomeen van de uitgestrekte urnenvelden, en zijn er minder gegevens voorradig over het begrafenisritueel (cf. overzichten in De Mulder 2008; Hiddink 2003). In plaats van ronde greppels verschijnen er nu voornamelijk vierkante greppels die vaak met elkaar verbonden zijn tot grotere enclos (overzicht in Hiddink 2003, 14-34). In plaats van deposities in urnen en kuilen lijken de crematieresten uitgestrooid op het loopvlak binnen deze enclos (Verhaert et al. 2004; Annaert et al. 2012). Opmerkelijk in deze periode zijn de bijzonder rijke ‘aristocratische’ graven, zoals b.v. het ‘vorstengraf’ van Eigenbilzen (Mariën 1981), en de grafheuvelnecropool van Wijshagen- De Rieten (Van Impe en Creemers 1991).

Bibliografie

  • ADRIAENSSENS S. 2007: Een archeologische prospectie van het Heverleebos en het Meerdaalwoud, licentiaatsverhandeling VUB, Brussel.
  • AMPE C., BOURGEOIS J., FOCKEDEY L., LANGOHR R., MEGANCK M., SEMEY J., 1995: Cirkels in het land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oost- en West-Vlaanderen, Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone reeks 4, Gent.
  • ANNAERT R. 1998: Midden-bronstijd-boerderij en grafheuvels te Weelde (An.). Lunula. Archaeologia Protohistorica. VI, 30-31.
  • ANNAERT R. 2006: Een vorstengraf te Edegem-Buizegem (prov. Antwerpen)?, Lunula. Archaeologia Protohistorica XIV, 79-83.
  • ANNAERT R., VAN IMPE L. 1985: Een grafheuvelgroep uit de ijzertijd te Klein-Ravels (gem. Ravels), Archaeologica Belgica 1, 2, 40, Brussel.
  • ANNAERT R., COOREMANS B., DEFORCE K., VANDENBRUANE M. 2012: Toch Romeinen in de Antwerpse Noorderkempen. Inheems-Romeins grafveldje op een midden-bronstijdnecropool in Weelde, ontdekt tijdens de ruilverkavelingswerken Poppel (gem. Ravels, Relicta. Archeologie, Monumenten en Landschapsonderzoek in Vlaanderen 9, 7-90.
  • BAETÉ H., DE BIE M., HERMY M., VAN DEN BREMT P.(red.) 2009: Miradal. Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Leuven.
  • BAUWENS-LESENNE M. 1965: Bibliografisch Repertorium der Oudheidkundige vondsten in de provincie Antwerpen (Vanaf de vroegste tijden tot de Noormannen), Oudheidkundige Repertoria, Reeks A: Bibliografische repertoria VI, p. 82.
  • BEEX G. 1959: Onderzoek van grafheuvels te Weelde, Archaeologia Belgica 47, Brussel.
  • BEEX G. 1960: Kenmerken van de Kempische Urnenvelden, Limburg XXXIX, 3-4, 78-90.
  • BEEX G., ROOSENS H. 1960: Onderzoek van het urnenveld op de "Roosen" te Neerpelt in 1959, Limburg 39.
  • BEEX G., ROOSENS H. 1961: Een grafmonument in het urnenveld 'De Roosen' te Neerpelt (Belgisch Limburg), Helinium 1, 135-137.
  • BEEX G., ROOSENS H. 1966: Weelde:Bronstijdgrafheuvels, Archeologie 1966/2, 80-81.
  • BEEX G., ROOSENS H. 1967: Een Urnenveld te Achel-Pastoorsbos, Archaeologica Belgica 96, Brussel.
  • BOURGEOIS I. 1995: Palynologisch onderzoek van grafheuvelstructuren uit de bronstijd in zandig Binnen-Vlaanderen, Lunula. Archaeologia protohistorica III, 9-11.
  • BOURGEOIS J. 1991:Enclos et nécropole du second âge du fer à Kemzeke (Stekene, Flandre Orientale) Rapport provisoire des fouilles 1988, Scholae Archaeologicae 1991, 12.
  • BOURGEOIS J., BOURGEOIS I., DE REU J., NUTTENS T., DE MULDER G. 2011: Een bronstijdgrafheuvel in Brecht (prov. Antwerpen, België): veldprospecties 2010, Lunula. Archaeologia protohistorica XIX, 15-19.
  • BOURGEOIS J., DE MULDER G. 1992: Een grafheuvel uit de Bronstijd en prehistorische perceleringen. Opgravingen 1990 op de kouter te Vosselare, Het land van Nevele, XXIII, 4, 245-266.
  • BOURGEOIS J., MEGANCK M. 1993: Noodonderzoek 1992 op een door luchtfotografie ontdekt site te Kortemark-Koutermolenstraat. Grafheuvels uit Bronstijd en nederzetting uit de Late Ijzertijd, Westvlaamse Archaeologica, 9, 1, 7-10.
  • BOURGEOIS J., MEGANCK M., RONDELEZ P. 1993: Noodonderzoek naar grafheuvels uit d bronstijd in de provincies Oost- en West-Vlaanderen in 1991-1992, Lunula. Archaeologia protohistorica I, 7-10.
  • BOURGEOIS J., MEGANCK M., SEMEY J. 1998: Cirkels in het land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oost- en West-Vlaanderen, II. Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone Reeks 5, Gent.
  • BOURGEOIS J., MEGANCK M, SEMEY J, VERLAECKT K. 1999: Cirkels in het land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oost- en West-Vlaanderen. III, Archeologische Inventaris Vlaanderen. Buitengewone reeks, nr. 7, Gent.
  • BOURGEOIS J., SEMEY J., VANMOERKERKE J. 1989: Ursel. Rapport provisoire des fouilles 1986-1987. Tombelle de l’age du bronze et monuments avec necropole de l’age du fer, Scholae Archaeologicae 11, Gent.
  • BOURGEOIS Q. 2013: Monuments on the Horizon. The Formation of the Barrow Landscape throughout the 3rd and 2nd Millennium BC, Leiden.
  • BRADLEY R. 2007: The Prehistory of Brtain and Ireland, Cambridge.
  • BRUGGEMAN J., CLÉDA B., REYNS N. 2017: Archeologische opgraving Oostakker-Muizenstraat/ Wolfsputstraat, Temse.
  • BRUGGEMAN J., REYNS N. 2011a: Archeologische opgraving Kruibeke - Bazelstraat 1. Houten Kruis, Rapporten All-Archeo bvba 017.
  • BRUGGEMAN J., REYNS N. 2011b: Archeologische opgraving Rumst-Schoolstraat, Sleutelhof, Rapporten All-Archeo bvba 022.
  • BRUGGEMAN J., REYNS N. 2013: Archeologische opgraving Zoersel, Oostmallebaan - Graffendonk, Rapporten All-Archeo bvba 60.
  • CLAESEN J., VAN GENECHTEN B., VERBEELEN G., DIRIX E., SYS A., AUDENAERT E., KEERSMAEKERS E., BOUCKAERT K. 2018: Eindverslag. Opglabbeek – Weg Naar Zwartberg, Archebo – Rapport 2017j230, Kortenaken.
  • CREEMERS G. 1994: Noodonderzoek van een urnenveld te Tessenderlo-Engsbergen, Lunula. Archaeologia protohistorica II, 27.
  • CREEMERS G. 1996: Noodonderzoek te Lummen-Meldert: protohistorische graven en structuren, Lunula. Archaeologia protohistorica IV, 40.
  • CUMONT G., POILS J. 1901: Fouilles à Buysinghen, Annuaire de la Société d'Archéologie de Bruxelles 12, 32-33.
  • DECONYNCK J. 1983: Le problème préhistorique du Mont de Musique, Annalen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Ronse en het Tenement van Inde, 31, 19-63.
  • DELARUELLE S., Annaert R., De Smaele B., Thijs C., Verdegem S., Scheltjens S., Van Doninck J. 2012: Merovingian reuse of Bronze Age Barrows at Beerse-Krommenhof (prov. of Antwerp, Belgium), in: ANNAERT R., JACOBS T., IN’T VEN, COPPENS S. (red.) 2012: The very beginning of Europe?, Archaeology in Contemporary Europe Conference 17-19 may Brussels, Relicta Monografieën 7, Brussel.
  • DELARUELLE S., DE SMAELE B., VAN DONINCK J. 2008: Ovalen voor de doden. Opgraving van een grafmonument uit de bronstijd aan de Mezenstraat in Beerse (provincie Antwerpen, België), Lunula. Archaeologia Protohistorica XVI, p. 31-38.
  • DEMEYERE F., BOURGEOIS J. 2005: Noodopgraving te Waardamme (Oostkamp, West-Vlaanderen): grafheuvels uit de bronstijd en een bewoning uit de vroege ijzertijd, Lunula, Archaeologia Protohistorica XIII, 25-30.
  • DE LAET S.J. 1954: Opgraving van twee grafheuvels te Postel (gemeente Mol, provincie Antwerpen). Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe Reeks. VIII, 4-29.
  • DE LAET S.J. 1960: Het Urnenveld op de “Roosen” te Neerpelt, Archeologie 1960-1, 153.
  • DE LAET S.J. 1961: Quelques precisions Nouvelles sur la civilation de Hilversum en Belgique, Helinium 1, 1961, 120-126.
  • DE LAET S.J. 1982: La Belgique d’avant les Romains, Wetteren.
  • DE LAET S.J., GLASBERGEN W. 1957: Begrafenisritueel in de Kempische Bronstijd, Brussel.
  • De Laet S.J., Mariën M.e. 1950: La Nécropole de Lommel-Kattenbosch, Archaeologica Belgica 2, Brussel.
  • DE LAET S.J., NENQUIN J.A.E., SPITAELS P. 1958: Contributions à l’étude de la civilation des champs d’urnes en Flandre, Dissertationes Archaeologicae Gandenses IV, Brugge.
  • DE LAET S.J., NENQUIN J.A.E., SPITAELS P. 1960: Het urnenveld van Aalter-Oostergem, Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen 1955/2, Oudheidkundige opgravingen en vondsten in Oost-Vlaanderen, 8-38.
  • DE LAET S.J., ROOSENS H. 1952: Opgraving van een bronstijdgrafheuvel op de Kluisberg (gem. Ruien, Prov. Oost-Vlaanderen), Archaeologica Belgica 52, Brussel.
  • DE LOË A. 1907: Fouilles dans la fôret de Meerdaal à Hamme-Mille, Annales de la Société d’Archéologie de Bruxelles 21, 482.
  • DE LOË A. 1931: Belgique ancienne. Catalogue descriptif et raisonné. II. Les Âges du Métal, Brussel, 1931.
  • DE MULDER G. 1994: Aspects of the funeral ritual in the late Bronze Age and the early Iron Age in the western part of the Flemish region. Helinium, XXXIV.1, 94-133.
  • DE MULDER G. 2008: 2. De ijzertijd, Onderzoeksbalans Vlaamse archeologie.
  • (https://onderzoeksbalans.onroerenderfgoed.be/onderzoeksbalans/archeologie/metaaltijden/bronnen/archeologisch/begraafplaatsen).
  • DE MULDER G. 2011: Funeraire rituelen in het Scheldebeken tijdens de late bronstijd en de vroege ijzertijd. De grafvelden in hun maatschappelijk en sociale context, doctoraatsverhandeling UGent.
  • DE MULDER G., ROGGE M. 1995: Twee Urnengrafvelden te Zottegem-Velzeke, Zottegem, PAMZOV (= Publicaties van het Provinciaal Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen, Gewone reeks, nr. 1), Velzeke.
  • DE MULDER G., VAN STRYDONCK M., BOUDIN M., LECLERCQ W., PARIDAENS N., WARMENBOL E. 2007: Re-Evaluation of the Late Bronze Age and Early Iron Age Chronology of the Western Belgian Urnfields Based on 14C Dating of Cremated Bones, Radiocarbon 49, 2, 499-514.
  • DE REU J., BOURGEOIS J. 2013: Bronze Age barrow research in Sandy Flanders (NW Belgium): an Overview, in FONTIJN D., LOUWEN A.J., VAN DER VAART S., WENTINK K. (red.) 2013; Beyond Barrows. Current Research on the Structuration and Perception of the Prehistoric Landscape through Monuments, Leiden, 175-194.
  • DE REU J., DEWEIRDT E., CROMBÉ PH., BATS M., ANTROP M., DE MAEYER M., DE SMEDT P., FINKE P., VAN MEIRVENNE M., VERNIERS J., ZWERTVAEGHER A., BOURGEOIS J. 2011: Les tombelles de l’âge du Bronze en Flandre Sablonneuse: un Status, in Quaestionis, Archäologisches Korrespondenzblatt 41, 491-505.
  • DESITTERE M. 1968: De Urnenveldenkultuur in het gebied tussen Neder-Rijn en Noordzee. Deel A + B, Dissertationes Archaeologicae Gandenses XI.
  • DESITTERE M., GOOSSENS A. 1966: Twee uitzonderlijke graven van de urnenvelden-cultuur uit Borsbeek, Helinium VI/3, 218-233.
  • DENS C. 1887: Tombelles de la Haute Campine, Annales de la Société d’Archéologie de Bruxelles 11.
  • DENS C. 1897: Etude sur les tombelles de la Campine., Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles 11, 233-255.
  • DENS C. 1908: Fouilles à Meerdaal, Annales de la Société d’Archéologie de Bruxelles 22, 207-218.
  • DOORENBOSCH M. 2013: Ancestral Heaths. Reconstructing the Barrow Landscape in the Central and southern Netherlands, Leiden.
  • DYSELINCK T. 2013: Gent, Hogeweg., Vlakdekkende opgraving, BAAC-rapport, ’s Hertogenbosch.
  • GERRITSEN, F. 2003: Local Identities. Landscape and community in the late prehistoric Meuse-Demer-Scheldt region, Amsterdam Archaeological Studies 9, Amsterdam.
  • ENGELS, A., VAN IMPE, L., 1985. Het urnenveld op de Dorperheide te Kaulille (Gem. Bocholt), Archaeologica Belgica Nieuwe Reeks. 2, p. 33-35.
  • FAIDER-FEYTMANS G. 1951: La nécropole de Lommel-Kattenbosch, Archeologie 1951-2.
  • FAIDER-FEYTMANS G. 1961: Sites de la période des champs d’urnes en Limbourg, Archeologie 1961-1.
  • FLOREN J. 1912 : De twee oude begraafplaatsen op den Eindhovenakker te Brecht, Oudheid en Kunst 1912 8, 33-37.
  • FOKKENS G. 1997: The genesis of Urnfields: economic crisis or ideological change?, Antiquity 71, 272, 360-373.
  • FONTIJN D. 2002: Het ontstaan van rechthoekige 'cultusplaatsen', in FOKKENS H., JANSEN R.(red.): 2000 jaar bewoningsdynamiek. Brons- en ijzertijdbewoning in het Maas-Demer-Schelde gebied, Oss, 149-172.
  • FOURNY M. 1985. Nouvelle contribution à l’étude de la nécropole de la civilisation de Hilversum/Drakenstein (âge du bronze ancien et moyen). Examen des anciennes collections du Musée du Centenaire à Mons, Vie Archéologique 5, 41-68.
  • FOURNY M. 2002. Le Muziekberg à Renaix. Annalen van de Geschied- en Oudheidkundig Kring van Ronse en het Tenement van Inde, 51, 105-128.
  • GOOSSENS A. 1966: Borsbeek: urnengraven en Merovingisch grafveld, Archeologie 1966/1, 4-6.
  • GOOSSENAERTS K. 1985: De brons-en ijzertijd in het arrondisement Antwerpen. Een status quaestiones, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 13-19.
  • HARDING A.F. 2000: European Societies in the Bronze Age, Cambridge.
  • HESSING W., KOOI P. 2005: Urnfields and cinerary barrows. Funerary and burial ritual in the Late Bronze Age and Iron Ages, in: LOUWE KOOIJMANS L.P., VAN DEN BROEKE P.W., FOKKENS H., VAN GIJN A.L. (red.): The Prehistory of the Netherlands, volume I, Amsterdam, 631-654.
  • HIDDINK H. 2003: Het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-Demer -Scheldegebied. In het bijzonder van twee grafvelden bij Weert (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten, 11) Amsterdam.
  • Hubert, F. 1963: Grote Brogel: champs d’urnes, Archeologie 1963-2, 75.
  • JANSSEN J., VAN IMPE L. 1987: Overpelt-Lindel (Limb.): Urnenveld “Hunnenberg”, Archeologie 2, Brussel.
  • JEZEER W. 2015: Middeleeuwse bewoningssporen en een ritueel landschap uit de ijzertijd. Een archeologische opgraving aan de Stationsstraat te Hever (Gemeente Boortmeerbeek), VEC-rapport 31.
  • KALSHOVEN M., VAN DER LINDE C.M. 2017: Cultusplaats in de achtertuin. Sporen uit de late Bronstijd tot en met de nieuwe tijd in Poperinge (Koestraat), BAAC rapport A-13.0116, Deventer.
  • LAUWERS F., VAN IMPE L. 1980: Het urnenveld op het Ranstveld te Ranst, Archaelogia Belgica 229, Brussel.
  • MAES K., VAN IMPE L. 1985: Een prehistorische begraafplaats te Wijshagen (Gem. Meeuwen-Gruitrode), Archaeologia Belgica I, 1985-2, 29-31.
  • MAES K., VAN IMPE L. 1986: Begraafplaats uit de Ijzertijd en Romeinse vondsten op De Rietem te Wijshagen, Archaeologia Belgica, II, 1986-1, 47-56.
  • MARIËN M.E. 1981: Het vorstengraf van Eigenbilzen, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 37.
  • MEEX F. 1972: De urnenveldencultuur in het gebied tussen Beneden- Maas en Schelde in de ijzertijd. Een studie over de geografische verspreiding van de grafvelden en enkele aardewerksoorten, licentiaatsverhandeling KULeuven.
  • MEEX F. 1976: Grafheuvels en urnenvelden in de Kempen, Archeologische kaart van België 5, Brussel.
  • MERTENS J. 1951: Een urnengrafveld te Aarschot-Langdorp (Brabant), Eigen Schoon en de Brabander 34, nr. 11-12, 321-341.
  • MERTENS, J. 1963: De grafvondst van Eigenbilzen, Archeologie, 1963-1, 24.
  • MEYLEMANS E., COUSSERIER K., DEFORCE K., VAN GILS M. 2017 : Evaluatie van een grafheuvelcomplex te Postel (gem. Mol, prov. Antwerpen), Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed 85, Brussel.
  • MOENS J. 2014: Onderwerp: Beschermingsaanvraag grafheuvels Halle, ongepubliceerde nota agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
  • MODDERMAN, P.J.R., 1975. Bodemvorming in grafheuvels, Analecta Praehistoria Leidensia. 8, 11-22.
  • PEDE R., CLEMENT C., CHERRETÉ B. 2011: Ronse De Stadstuin. Archeologisch vooronderzoek, SOLVA Archeologie-rapport 13, Erembodegem.
  • PEDE R., CLEMENT C., CHERRETÉ B. 2013: Over oude en nieuwe grafheuvels in de Vlaamse Ardennen. Recent archeologisch onderzoek te Ronse (prov. Oost-Vlaanderen, België), Lunula, Archaeologia protohistorica 21, 23-29.
  • PEDE R., CLEMENT C., DE CLEER S., GUILLAUME V., CHERRETÉ B. 2015: Ronse De Stadstuin. Archeologisch onderzoek, Solva archeologie rapport 20, Erpe-Mere.
  • ROOSENS H., BEEX G. 1960: Onderzoek van het urnenveld op de "Roosen" te Neerpelt in 1959, Archaeologia Belgica, 48, Brussel.
  • ROOSENS H., BEEX G. 1961: De opgravingen in het urnenveld “De Roosen” te Neerpelt in 1960, Archaeologica Belgica 58, Brussel.
  • ROOSENS H., BEEX G. 1962: Het onderzoek van het urnenveld "De Roosen" te Neerpelt in 1961, Archaeologia Belgica, 65, Brussel.
  • ROOSENS H., BEEX G. 1965: Bronstijdgrafheuvels op de Haarterheide te Hamont, Archaeologia Belgica 81, Brussel.
  • ROOSENS H., BEEX G., BONENFANT P. 1963: Een urnenveld te Grote-Brogel, Archaeologica Belgica 67, Brussel.
  • ROOSENS H., BEEX G., VAN IMPE L. 1975: Bijzettingen uit de urnenveldtijd te Neerpelt Grote Heide en Achelse Dijk, Archaeologica Belgica 178, Brussel.
  • Schuermans H. 1862: Notice sur les monuments du Limbourg antérieur au Moyen-Age, BCRAA I, 99.
  • STEENHOUDT, M., SMEETS, M. 2012: Het archeologisch onderzoek (fase 1) te Maasmechelen - Mottekamp, onuitgegeven rapport, gemeente Maasmechelen, VBG NV.
  • STROOBANT L. 1903: Exploration de quelques tumuli de la Campine Anversoise, Annales de l'Académie royale d'Archéologie de Belgique 54, 365-420.
  • STROOBANT L. 1905: La Nécropole par Incinération de Grobbendonk (Campine Anversoise), Taxandria jg. 2, nr. 2, p. 75.
  • STROOBANT L. 1909: Découverte d'urnes cinéraires à Oolen (Anvers), Taxandria. Annales du cercle historique et archéologique de la Campine, 6, 84-89.
  • STROOBANT L. 1921a: La Nécropole à incineration de Ryckevorsel, Annales de l’académie royale de Belgique 69, 75-118.
  • STROOBANT L. 1921b: Les nécropoles àincinération de Neerpelt, Bulletin de la Société d'Anthropologie de Bruxelles 36, 8.
  • STROOBANT L. 1935: De brandgravenvelden in de Kempen, Oudheid en Kunst, 26, 31-32.
  • VAN BEEK R., LOUWEN A. 2013: The centrality of urnfields. Second thoughts on structure and stability of Late Bronze Age and Early Iron Age cultural Landscapes in the Low Countries, in FONTIJN D., LOUWEN A.J., VAN DER VAART S., WENTINK K. (red.) 2013; Beyond Barrows. Current Research on the Structuration and Perception of the Prehistoric Landscape through Monuments, Leiden, 81-112.
  • VAN IMPE L. 1972: Een urnenveld te Borsbeek, Archaeologia Belgica 140, Brussel.
  • VAN IMPE L. 1973: Peer: prehistorische grafheuvels, Archeologie 1973-1, 29.
  • VAN IMPE L. 1975: Het urnenveld op de Dries te Sint-Lenaarts, Archaeologia Belgica 177, Brussel.
  • VAN IMPE L. 1976: Ringwalheuvels in de Kempense Bronstijd. Typologie en datering, Archaeologica Belgica 190, Brussel.
  • VAN IMPE L. 1978a: De Partisaensberg te Kasterlee, Archaeologia Belgica 206, Conspectus 1977, 20-24.
  • VAN IMPE L. 1978b: Urnenveld en ijzertijdnederzetting te Donk, Archaeologia Belgica 206, 30-34.
  • VAN IMPE L. 1978c: Een urnenveld op de Raaftuinen te Ravels, Archaeologia Belgica 206, Conspectus 1977, 25-29.
  • VAN IMPE L 1980: Urnenveld uit de Late Bronstijd en de Vroege Ijzertijd te Donk. I. Beschrijvende inventaris, Archaeologia Belgica 224, Brussel.
  • VAN IMPE L. 1983: Het oudheidkundig bodemonderzoek in Donk (gem. Herk-de- Stad) 1977-1982, Aspecten van de archeologie in Vlaanderen 1983, 4-14.
  • VAN IMPE L., BEEX G. 1977: Grafheuvels uit de vroege en midden bronstijd te Weelde, Archaeologica Belgica 193, Brussel.
  • VAN IMPE L., BEEX G., ROOSENS H. 1973: Het urnenveld op "De Roosen" te Neerpelt, Archaeologia Belgica 145, Brussel.
  • VAN IMPE L., CREEMERS G. 1991: Aristokratische graven uit de 5de/4de eeuwen v.Chr. en Romeinse cultusplaats op de Rieten te Wijshagen, Archeologie in Vlaanderen I, 55-73.
  • Van Impe L., Thyssen W. 1979: Wapengraf uit de vroege ijzertijd te Rekem, Archaeologica Belgica 213, Conspectus MCMLXXXVIII, 63-67.
  • VANBUTSELE N. 2005: Het urnenveld uit de vroege ijzertijd op de Dorperheide te Kaulille (Bocholt). Typochronologische analyse en regionale synthese, licentiaatsverhandeling KULeuven.
  • VANDECATSEYE S., LAISNEZ K. 2009: Een toekomstige industriezone met een Keltisch-Romeins verleden. Basisrapportage omtrent het archeologisch onderzoek van Hoogveld-J te Sint-Gillis-Dendermonde, AS rapportage 2009-01, Mechelen.
  • VANDERHOEVEN M. 1958: Een urnengrafveld te Rekem, Limburg XXXVII, 169-186.
  • VAN MOUSCH R.G. 2016: Hasselt Runksterdreef - Ikea. Archeologisch onderzoek, BAAC-rapport A-14.0290.
  • VAN NUENEN F., GIERTS I. 2014: Archeologische opgraving Brecht Ringweg - Fase 2, BAAC Vlaanderen Rapport 94.
  • VAN ZEIST W. 1954: Pollenanalytisch onderzoek van twee grafheuvels bij Postel, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe Reeks, 8, 21-24.
  • VERBRUGGE A., DE GRAEVE A., CHERRETÉ B. 2013: Erembodegem Zuid IV fase 3. Archeologisch onderzoek, Solva Archeologie rapport 27, Erpe-Mere.
  • VERHAERT A., ANNAERT R., LANGOHR R., COOREMANS B., GELORINI V., BASTIAENS J., DEFORCE K., ERVYNCK A., DESENDER K. 2004: Een inheems-Romeinse begraafplaats te Klein-Ravels (gem. Ravels, prov. Antwerpen), Archeologie in Vlaanderen 8, 165-218.
  • VYNCKIER G., MEYLEMANS E., BRION M. VAN LAECKE J. 2019: Archeologisch onderzoek te Kerkenbos in Muizen (Mechelen). Een grafveld uit de metaaltijden en Romeinse sporen, archeologierapport agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
  • WEEKERS-HENDRIKX B. 2017: Westerlo, Zoerle-Parwijs, Gevaertlaan. Een archeologische opgraving, VEC Rapport 51.

Auteurs :  Meylemans, Erwin
Datum  : 03-07-2019


Relaties

  • Omvat
    Grafheuvelcomplex te Postel

  • Omvat
    Urnenveld van de Dorperheide


Bekijk gerelateerde erfgoedobjecten

Grote Haart zonder nummer (Hamont-Achel)
Acht kunstmatig opgehoogde grafheuvels uit de ijzertijd, van circa 700 vóór Christus, deels in zijn oorspronkelijke staat hersteld, de meest noordoostelijke met palenkrans zoals weleer.