erfgoedobject

Twee vroeg-modernistische villa's

bouwkundig element
ID: 215364   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215364

Juridische gevolgen

Beschrijving

Geheel van twee vroeg-modernistische villa’s, gebouwd in opdracht van Tony Deckers, naar een ontwerp door de architect Jos Ritzen uit 1926. De landhuizen maken deel uit van een speculatief vastgoedproject, dat slechts gedeeltelijk werd gerealiseerd. Waar beide villa’s in de naoorlogse periode enkele storende wijzigingen ondergingen, werd het nummer 33 bij een recente renovatie in oorspronkelijke staat teruggebracht.

Historiek en context

Het vastgoedproject opgezet door Tony Deckers, met Jos Ritzen als architect, betrof een combinatie van een villapark en 'country club', dat - op twee reeds bebouwde percelen (Vijverlaan 3 en 5) na - het volledige bouwblok zou beslaan gevormd door Della Faillelaan, Dennenlaan, Ahornenlaan, Sorbenlaan en Vijverlaan, inclusief het tegenoverliggende hoekperceel van Ahornenlaan en Dennenlaan. Op een termijn van zowat tien jaar plande Deckers hier de bouw van een ensemble van een twintigtal villa's, alle individueel ontworpen door Ritzen, variërend naar type, oppervlakte, plattegrond en opstand, maar volgens een uniform stijlconcept. De landhuizen waren landschappelijk gegroepeerd rond een gemeenschappelijke binnentuin, uitgerust met een clubgebouw, een tennisveld, een serre en pergola. Waar Deckers minstens sinds 1923 in het bezit was van de gronden, en de vroegst gedateerde ontwerpen van Ritzen uit december 1924 stammen, werd het project pas in 1926 concreet aangevat met de bouw van het tennishuisje, de serre en pergola, en een eerste reeks van vijf villa’s. Zijn curriculum vermeldt Ritzen als laureaat van een 'prijsvraag' in 1926 voor de uitbreiding van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt", waarmee vermoedelijk dit vastgoedproject bedoeld werd. De door de 'Conventie della Faille' opgelegde smeedijzeren voortuinafsluitingen vond de architect niet passen bij het open landschappelijk karakter van het project, nog bij de eigentijdse vormgeving van zijn baksteenarchitectuur. Daarom vroeg en verkreeg hij van het stadsbestuur toestemming deze te mogen vervangen door lage, gemetselde tuinmuurtjes en hagen. Ook zijn ontwerpen in meerdere varianten bewaard voor de vermoedelijk houten tuinpoortjes tussen bakstenen pijlertjes.

Architect Jos Ritzen paste voor de landhuizen dezelfde bouwstijl en -materialen toe als de in 1925 ontworpen villa's Kennes en Peeters op de hoek van Della Faillelaan en Kastanjelaan. Behalve de aanpalende villa’s aan de Sorbenlaan, is van het vastgoedproject Deckers nog een villa op de hoek van Ahornenlaan en Dennenlaan bewaard. Een vierde villa Dennenlaan 20 is haast onherkenbaar verbouwd, en een vijfde villa Della Faillelaan 62, werd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog door een V1- of V2-inslag vernield en vervolgens gesloopt of in totaal gewijzigde vorm heropgebouwd. Het tennishuisje, een elegant paviljoen met halfronde uitbouwen en glas-in-loodramen in de stijl van de Amsterdamse School, is verdwenen. Van de drieledige serre met centrale rotonde bestemd voor de kweek van sierplanten, druiven en bloemen, zijn enkel de pijlers van de pergola bewaard. Het nooit gerealiseerde clubgebouw met drielobbige plattegrond, is gekend via een archieffoto van de gipsen maquette. Van de overige, nooit gerealiseerde villa’s, ingetekend op een inplantingsplattegrond van het project, zijn slechts enkele ontwerptekeningen bewaard. Eind jaren 1930 werd op het binnenterrein tennisclub Den Brandt opgericht, waarvoor Deckers aan de Ahornenlaan een modernistisch clubgebouw liet optrekken door de architecten Karel Van Riel en Maurice Janssens.

De van oorsprong Nederlandse architect Jos Ritzen, begon zijn carrière in 1919 te Heerlen en later Maastricht, in associatie met de architect Alphonse Jean Nicolas Boosten. Bij zijn vestiging te Antwerpen in 1923, ging hij een associatie aan met Stan Leurs, die een drietal jaar zou standhouden. Naast een reeks privéwoningen ontstonden in deze periode sociale woonwijken in Turnhout, Wuustwezel en Roosdaal, gekenmerkt door een nieuw-zakelijke baksteenarchitectuur met expressionistische inslag. Tot midden jaren 1930 zou Ritzen een toonaangevende rol spelen in de Antwerpse avant-garde, met een baksteenmodernisme dat invloeden verwerkte van zowel Hendrik Petrus Berlage en de Amsterdamse School, als Willem Marinus Dudok en Frank Lloyd Wright. Tijdens de tweede helft van zijn loopbaan wendde Ritzen zich van het modernisme af, ten gunste van een streekgebonden, veeleer traditionalistische architectuur. Een zoektocht naar de geestelijke grondslagen van de bouwkunst onder invloed van de Bossche School en Dom Hans Van Der Laan, vormde de basis voor de vroegchristelijke basilica’s die Ritzen na de Tweede Wereldoorlog tot stand bracht zoals de Sint-Margarethakerk in Knokke en de Sint-Lutgardiskerk in Tongeren.

Architectuur

Behorend tot het vroege oeuvre van Jos Ritzen, zijn de villa’s Deckers illustratief voor de invloed die de architectuur van Frank Lloyd Wright tijdens de jaren 1920 uitoefende op de architectuur in Nederland, vooral via de figuur en het oeuvre van Willem Marinus Dudok. Diens ‘romantisch kubisme’ vormde op zijn beurt een rijke voedingsbodem voor het baksteenmodernisme in Vlaanderen. Beide gebouwen behoren tot een groep verwante landhuizen in baksteenmodernisme met expressionistische inslag, die Ritzen tijdens de tweede helft van de jaren 1920 in de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" ontwierp. Deze worden gekenmerkt door "een koele beheersing van de vormen, klare, gave ruimten en de afwezigheid van overdreven versieringen". Andere voorbeelden zijn de reeds vermelde villa's Kennes en Peeters, en de verbouwde villa De Bock aan de Sorbenlaan. Ten slotte is er Ritzens niet gerealiseerde project uit 1928 voor een eigen woning op de hoek van Della Faillelaan en Hagedoornlaan, een meer uitgesproken modernistische villa gekenmerkt door een gestapelde, kubische volumetrie met dakterrassen.

Vrijstaand ingeplant respectievelijk in de diepte en de breedte van het perceel, op een quasi rechthoekige plattegrond van drie bij twee traveeën, omvatten beide gebouwen twee bouwlagen onder een complex schilddak met gestrekte dakkapellen. Nummer 33 is van beide het best bewaard: de constructie is volledig opgetrokken uit baksteenmetselwerk in halfsteens verband met een subtiel kleurverschil: paarsrode baksteen met grijs voegwerk voor de licht uitspringende sokkel, en donkerrode baksteen met rood voegwerk voor de bovenbouw. Rode pannen zijn gebruikt voor de dakbedekking, breuksteen voor de keermuren van de toegangshelling tot de ondergrondse garage. Enkel de gesloten balkonborstwering uit baksteenmetselwerk is verwijderd, en de houten kroonlijsten zijn met koper bekleed; het oorspronkelijk in donkere tint gelakte schijnwerk van de inkomdeur en de kozijnvensters is bewaard of naar oorspronkelijk model vernieuwd. De ondergrondse garage, oorspronkelijk volledig inpandig, werd later vergroot.

Het beeld van nummer 31 wordt vandaag verstoord door een witte gevelbeschildering die slechts een strook van de sokkel vrijlaat, een nieuwe dakbedekking uit kunstleien, een bekleding van de kroonlijsten uit kunststof en vermoedelijk nieuw schrijnwerk met voorzetrolluiken. Tot de spijtige structurele ingrepen die het pand onderging behoren het verlagen van de vensters in de voorgevel, en het dichten van een tegen het risaliet aanleunend venster in de zijgevel.

De architectuur ontleent haar karakter aan een krachtig plastisch silhouet, beeldbepalend gedomineerd door het steile, breed uitkragende schilddak. Karakteristiek is de gesloten, vlakke expressie en de messcherpe definitie van de muurmassieven, opgetrokken uit sober, doorlopend metselwerk zonder enige profilering, behalve de rollaag ter hoogte van de dorpels van de bovenverdieping. Rechthoekige venstertjes, veelal tot banden gegroepeerd, ingeplant op de hoeken of uitgewerkt tot erkertjes, vormen daarbij de enige doorbrekingen. Luifels, breed uitkragende kroonlijsten en gestrekte dakkapellen genereren krachtige horizontale accenten, in plastisch evenwicht met de verticaal oprijzende schoorstenen. Nummer 31 onderscheidt zich door het polygonale middenrisaliet van de westelijke zijgevel, dat het portaal met trappenbordes en de traphal herbergt, en boven de kroonlijst wordt bekroond door een beglaasde attiek. Bij nummer 33 ontleend de langgerekte voorgevel een dynamische expressie aan de hoekerker, de ingesneden bedaking, het centrale balkon en de rondboogdeur. Deze laatste heeft een breed uitwaaierende, geprofileerde omlijsting van rollagen vergelijkbaar met de villa Kennes, en een bloembak geïntegreerd in het trappenbordes. De tuingevel onderscheidt zich dan weer door een beheerste, volkomen symmetrische compositie met een terras in de middenas.

De vooruitstrevende opvatting van het wonen tegen de burgerlijke conventies in, die andere villa’s van Ritzen kenmerkt, is hier minder uitgesproken aanwezig. Met de tuin ongelukkig georiënteerd op het noorden, zijn beide plattegronden volgens de bouwplannen opgebouwd rond de traphal, die een centrale positie inneemt. Op nummer 31 sluit de vestibule via een zithoekje aan bij de traphal in de westelijke helft van de begane grond, aan straatzijde geflankeerd door de spreekkamer en aan tuinzijde door de keuken met dienstingang en office. Een suite van woon- en eetkamer met terras beslaat de oostelijke helft. Op de bovenverdieping bevinden zich vier slaapkamers - waarvan één met een terras op de tuin - en de badkamer; het dakniveau herbergt nog eens drie (slaap)kamers. De plattegrond van nummer 33 beantwoordt aan een gelijkaardig schema. De suite van woonkamer en eetkamer met terras beslaan hier met een zijkamertje de westelijke helft van de begane grond, de traphal en vestibule met vestiaire en dienstingang, en de keuken met office de oostelijke helft. Op de bovenverdieping bevinden zich vier slaapkamers en de badkamer; slechts bereikbaar via de zoldertrap herbergt het dakniveau nog eens drie slaapkamers en twee zolders. In beide villa’s neemt de garage een deel van het souterrain in, met de toegangshelling en poort in de oostelijke zijgevel.

  • Architectuurarchief Vlaanderen, archief Jos Ritzen, dossier Deckers.
  • Archives d'Architecture Moderne, Archief Jos Ritzen, foto-album.
  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1926#23243, 238#1398 en 238#3295, 1926#24401 (serre en pergola), 1926#23134 (tennishuisje); foto’s GP#4957 en GP#4959.
  • WATTJES J.G. 1930: Moderne villa's en landhuizen in Europa en Amerika, Amsterdam, pl. 320, 322.
  • CARPENTIER F. 2011: Between style and modernity: the architecture of Jos Ritzen (Heerlen 1896-Antwerp 1961) near the Nachtegalenpark in Antwerp 1924-1934, onuitgegeven verhandeling Maastricht University-Arts and Culture, Maastricht.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2014


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Twee vroeg-modernistische villa's [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/215364 (Geraadpleegd op 23-09-2019)