erfgoedobject

Tramstation Tremelo

bouwkundig element
ID
306832
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/306832

Beschrijving

Het tramstation in neotraditionele stijl werd gebouwd in 1909, het jaar waarin de eerste tram door Tremelo reed. Het werd gebouwd door aannemer Cordemans, die ook de school en de stelplaats van de trams in Tremelo op zijn naam heeft staan.

Het tramstation maakte deel uit van groter geheel met depot en werkplaatsen, dat zich uitstrekte tot in de nabijgelegen straten. In het tramstation haalde men zijn abonnement af of betaalde men de vrachtkosten van bestelde kolen of bouwmaterialen. Het tramstation was naast het kantoor, ook de woning van de stationschef.

Historiek

De komst van de tram veranderde het leven van de Tremelonaren voorgoed. Ze konden zo immers op korte tijd naar Mechelen of andere steden sporen. Bovendien lag Tremelo op een knooppunt van lijnen, waardoor er in het dorp reizigers passeerden van over het hele land. De Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen (NMVB) was al in 1894 bezig met de voorbereidingen voor de bouw van een tramstation in Tremelo, zoals de aankoop en de onteigening van percelen. Op het perceelplan van de NMVB van 1908 is het perceel, waarop het latere stationsgebouw zal worden opgetrokken, al herkenbaar.

De eerste tram reed in Tremelo op 1 mei 1909, als onderdeel van de lijn Lier-Werchter. Enkele maanden later werd de lijn Keerbergen-Tremelo in gebruik genomen. De lijn Tremelo-Aarschot werd een jaar later officieel geopend. Het tramstation zelf werd volgens de mutatieschetsen van het kadaster in gebruik genomen in 1910.

Op niet-gedateerde plannen van elektrische verlichting kan men zien dat het tramstation bestond uit een salle des gardes, een bureau, twee magazijnen, een wachtzaal, een vestibule, een eetkamer, een keuken, een wasplaats en vier kamers op de verdieping. De stationschef en zijn gezin hadden bovendien een eigen tuin.

De gemeente Tremelo werd in de Eerste Wereldoorlog zwaar getroffen door oorlogsgeweld. De opgebroken tramlijnen werden twee jaar na het einde van de oorlog heraangelegd. Waarschijnlijk was ook het tramstation beschadigd. Er is namelijk een brief uit 1921 van een aannemerbewaard, die zijn diensten aanbiedt aan de NMVB en waarin men kan lezen “Ik heb vernomen dat het statiegebouw te Tremelo gaat heropgebouwd worden”.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de lijnen in en rond Tremelo opgebroken door het Duitse leger. Na de oorlog werden niet alle tramlijnen hersteld en werden de trams geleidelijk vervangen door bussen. In 1954 reed de laatste tram door Tremelo. De bussen vroegen uiteraard om een nieuwe en aangepaste infrastructuur. In de mutatieschetsen van het kadaster van 1960 leest men “gedeeltelijke verandering van bestemming en nieuwe opbouwen”. Momenteel maakt het tramstation deel uit van de stelplaats van De Lijn.

Als men historische foto’s bekijkt, lijkt het tramstation tot op het moment van inventarisatie weinig veranderd te zijn. Het opvallendste verschil is het dak. Het hoofdgebouw had oorspronkelijk een zadeldak met decoratieve windborden en de rechtse aanbouw had een schilddak met dakkapellen. In de noordwestelijke zijgevel van het hoofdgebouw zijn op historische foto’s smalle rechthoekige vensters zichtbaar, die in de loop der jaren zijn toegemetseld.

Beschrijving

Het tramstation bestaat uit een hoofdgebouw van drie traveeën en twee bouwlagen, met links en rechts een aanbouw van één bouwlaag en respectievelijk drie en twee traveeën. Het hoofdgebouw en de linkse aanbouw hebben pannen zadeldaken. De rechtse aanbouw heeft een half schilddak. De gebouwen zijn opgetrokken uit rode baksteen op een bakstenen plint met hardstenen boordsteen. De woning van de stationschef bevond zich in de zuidoostelijke helft van het hoofdgebouw en op de bovenverdieping.

Het hoofdgebouw heeft een centrale deurtravee gemarkeerd door een tuitgevel, en twee zijdelingse venstertraveeën met een houten kroonlijst op modillons, doorbroken voor een dakvenster met tuitgevel. Het centrale dakvenster heeft een rondboogvenster met bakstenen rollaag met hardstenen aanzet- en sluitstenen; de twee kleine dakkapellen hebben een steekboogvenster met rollaag. De drie traveeën zijn verticaal geritmeerd door rechthoekige spaarvelden, die in de zijtraveeën met een sierlijke mijterboogfries zijn afgewerkt. Op het gelijkvloers heeft het gebouw rechthoekige muuropeningen met een hardstenen lekdrempel en een latei met rozetten. Op de verdieping heeft het hoofdgebouw in het midden een rondboogvenster en in de zijtraveeën een korfboogvenster, met rollaag en hardstenen sluit- en hoekstenen. De borstweringen zijn versierd met panelen met baksteen in sierverband, omgeven door een band van gele baksteen. Een gelijkaardig paneel bevindt zich boven het middelste venster.

De zuidoostelijke zijgevel heeft twee spaarvelden met steekboogvensters. Boven de vensters bevindt zich een horizontale stenen band. In het midden van de gevel is een smal verticaal decoratief element van baksteen met stenen aanzetten. De noordwestelijke zijgevel is gelijkaardig uitgewerkt en heeft op het moment van inventarisatie geen muuropeningen. Op een historische postkaart kan men zien dat er smalle vensters waren in de verdiepte muurvelden.

De achtergevel is quasi een kopie van de voorgevel maar zonder dakvensters, tuitgevel en decoratieve panelen. De vensters op het gelijkvloers van de zijtraveeën zijn een kopie van deze van de voorgevel met een bakstenen rollaag met hardstenen sluit- en aanzetstenen. De muuropeningen boven de deur in de centrale travee verschillen van deze van de voorgevel.

Ook de gevels van de aanbouwen zijn per travee gemarkeerd door een dieperliggend muurveld, gescheiden door vlakke pilasters. Beide aanbouwen zijn gevat onder overkragende daken. In de linkse travee van de zuidoostelijke aanbouw zit een rechthoekige deur, verbonden met een rechthoekige venster met een gemeenschappelijke latei met rozetten. In de rechtertravee zit een segmentbogig venster. In de zijgevel is een steekboogvormig venster.

Aan de zuidwestelijke achtergevel bevindt zich een bakstenen aanbouw in dezelfde stijl, op de plaats waar zich voorheen de koer bevond.

De rechtse, noordwestelijke aanbouw heeft een omlopende tandlijst met dropmotief. In elk dieperliggend muurveld in elke travee van de voorgevel bevindt zich een segmentbogige deur met bakstenen rollaag met hardstenen sluit- en aanzetstenen.

De zijgevel heeft eveneens twee traveeën met een spaarveld. In elke travee bevinden zich twee smalle aaneengesloten segmentbogige vensters. De vensters in de rechtertravee zijn dichtgemetseld. De achtergevel heeft ook twee traveeën met spaarveld met gelijkaardige vensters.

Alle muuropeningen van het tramstation hebben vernieuwd houten schrijnwerk.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Mutatieschetsen en bijhorende mutatiestaten Tremelo, afdeling I (Tremelo), 1911/18 en 1960/22.
  • Vlaams Tram- en Autobusmuseum, Archief van de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen, 123/25, Stukken betreffende de stelplaatsen langs de lijn. 1905-1923 1 pak 23-13; Stelplaats Putte, Stelplaats Tremelo.
  • Vlaams Tram- en Autobusmuseum, Archief van de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen, 124/5, Afdrukken van perceelplannen van de lijn: Baal, Keerbergen, Tremelo, Rijmenam, Aarschot, Bonheiden, Betekom, 1906-1948.
  • Vlaams Tram- en Autobusmuseum, Archief van de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen, 931/7, Stukken betreffende de percelen: aankoop, onteigening, eigendom, wederafstand. 1894-1910 16 omslagen Alfabetisch geordend, Tremelo, 1894.
  • Vlaams Tram- en Autobusmuseum, Archief van de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen, Lijn 123 Lier-Werchter.
  • NEYENS J. 1969: De buurtspoorwegen in de provincie Antwerpen, 1885-1968, Lier.
  • NEYENS J. 1982: De buurtspoorwegen in de provincie Brabant 1885-1978, Lier.
  • WOUTERS R. 2001: Tremelo’s woelige jaren, Kampenhout.

Auteurs :  Van Meerbeeck, Nina
Datum  : 2019


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Tramstation Tremelo [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/306832 (Geraadpleegd op 06-05-2021)