erfgoedobject

Station Lichtervelde met lampisterie en hekwerk

bouwkundig element
ID
51685
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/51685

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het station ligt op de kruising van de spoorlijnen Brugge-Kortrijk (aanleg in 1847) en Gent-Veurne-De Panne/Adinkerke (aanleg in 1856, 1870 en 1880). Dit derde station van Lichtervelde werd in 1912-1914 gebouwd en na een gedeeltelijke vernietiging tijdens de Eerste Wereldoorlog identiek hersteld. Het ensemble bestaat uit het langgestrekte stationsgebouw, de lampisterie annex toilettengebouwtje en de schuilplaats voor spoorwegarbeiders (Tweede Wereldoorlog). Binnen de standaardtypologie van stationsgebouwen (staatstype ‘1895') is dit station uitzonderlijk door zijn omvang, het materiaalgebruik van grijze machinale strengperssteen en de tegeltableaus met afbeelding van de Lichterveldse paardenmarkt. Ook het gietijzeren hekwerk tussen de lampisterie en de goederenloods (ten noordwesten, gesloopt in 2013) dateert nog van bij de bouw van het station. Dit roodbakstenen gebouw van 1910 telde acht traveeën en was gevat onder pannen daken.

Historiek

Na het eerste spoordecennium liet de Belgische staat de verfijning van het spoorwegnet vanaf 1843 over aan private bedrijven. De in 1845 met Engels kapitaal gefinancierde Société anonyme des Chemins de fer de la Flandre Occidentale legde in 1847 de spoorlijn Brugge-Kortrijk aan. Lijn 66 ontleent zijn bijnaam “Droogenbroodroute” aan de karige verloning van de werklieden in de crisisjaren 1840. Door het lobbywerk van burgemeester Michiel Surmont maakte de lijn een bocht om Lichtervelde aan te doen. Provincieraadslid Surmont verkocht of schonk ook een deel van de gronden voor de aanleg van de spoorlijn en het station. Het eerste kleine, wellicht houten stationsgebouw van 1847 bevond zich ongeveer 0,5km ten westen van het dorpscentrum en ten noorden van de weg Torhout-Lichtervelde. Hoewel ingeplant in landbouwgebied had men grote economische verwachtingen van de spoorlijn. In 1847 schreef  Le Journal de Bruges dat Lichtervelde door de spoorweg binnen enkele jaren zou uitgroeien tot een belangrijke handelsstad. In 1846-1847 gewaagde men reeds van de “middenstatie der yzere wegen van West-Vlaenderen”.

Surmont ijverde ook voor de aanleg van de private lijn 73 Lichtervelde-Veurne (concessie van 1856). Bij de opening daarvan in 1858 waren er een stationsplein aangelegd, en een nieuw gemeenschappelijk station met lijn 66 en een goederenloods gebouwd. Het eenvoudige station in witgeschilderde baksteen was gevat onder pannen zadeldaken. De hogere middenpartij was geflankeerd door twee lagere vleugels. Tot  de bouw van een stationschefwoning in 1872 woonde de chef in een herberg op de Statieplaats. In 1873 kwam de stationswijk verder tot ontwikkeling door de aanleg van de Surmontstraat tussen het Statieplaats en het kasteeltje van Surmont. Het belang van Lichtervelde groeide verder: vanaf 1870 kon men via Veurne en Adinkerke treinen tot het Noord-Franse Duinkerken (lijn in 1878 teruggekocht door de staat) en in 1880 werd de staatslijn Lichtervelde-Tielt-Gent aangelegd. Het station was echter niet meegegroeid. In 1897 werd in de kamer van volksvertegenwoordigers aangeklaagd dat "het lokaal voor de aflevering der reiskaartjes niet grooter [was] dan een klein compartiment van 1ste klas." De daaropvolgende decennia werd het project voor een nieuw en groter station - met kostendeling tussen staat en privaat - telkenmale vooruit geschoven. Ook de staatsovername van de Chemins de fer de la Flandre Occidentale in 1906-1907 bracht geen schot in de zaak. Het internationale succes van de in 1905 opgerichte Lichterveldse paardenmarkt noopte nochtans tot een uitbreiding van de dienstverlening. Deze jaarlijkse markt op de Statieplaats steunde op het internationale spoortransport. Als eerste realisatie kwamen er een seinhuis in 1909 en een nieuwe goederenloods in 1910. De plannen voor het nieuwe, veel grotere station van het staatstype ‘1895' werden in 1910 getekend maar pas begin 1912 goedgekeurd. De werken duurden tot net voor de Eerste Wereldoorlog. Het grondplan van het nieuwe langwerpige station met stationschefwoning overschrijft zowel het eerste station van 1847 (sinds 1858 in gebruik als magazijn) als het station van 1858, en strekt zich ook verder zuidoostelijk uit naar de Statiestraat. Ook werd de Statieplaats heringericht en vergroot.

Derde station van 1912-1914, op basis van staatstype ‘1895'

De staat streefde naar een standaardisatie van de stations. Het staatstype ‘1895', dat tot de Eerste Wereldoorlog gebouwd werd, vormt een langgestrekt gebouw in ongeschilderde baksteen met herkenbare volumewerking en dakenspel. Ongeveer in het midden van het gebouw met pannen zadeldaken en lage puntgevels trekt de hogere stationschefwoning de aandacht. Deze is geflankeerd door twee lagere vleugels: een lange dienstvleugel en een korte woonvleugel met aansluitende bergruimte onder lessenaarsdak en ommuurd koertje. De lengte van de dienstvleugel met burelen, wachtzaal en loketten hing af van de plaatselijke noden. De dienstvleugel van dertien traveeën in Lichtervelde is, vergeleken met de courante lengte van drie traveeën, erg opvallend. Kenmerkend voor het staatstype ‘1895' is ook de rondboogornamentiek en de gevelritmering door lisenen. Baksteenlijsten boven de vensters en overkragende, sierlijke gootlijsten zorgen voor de horizontale belijning. De typische sierlijk uitgewerkte glazen luifel aan de perronzijde is verdwenen in Lichtervelde. Anders dan de gebruikelijke egaal-rode baksteen bij dit stationstype kreeg het station van Lichtervelde een uitzonderlijk parement in grijze machinale strengperssteen. Deze ongeglazuurde en maatvaste baksteen kende in het laatste kwart van de 19de eeuw een groot succes bij burgerhuizen. Zonder meer uniek zijn ook de tegeltableaus onder de gootlijsten van de stationschefwoning. Zowel aan de zijde van de Statieplaats als aan de perronzijde verbeeldt het centrale tableau de paardenmarkt, telkens geflankeerd door decoratieve tableaus. De tableaus dateren van bij de bouw in 1912-1914, het hoogtepunt van de Lichterveldse paardenmarkt met veel Duitse paardenhandelaars.

Eerste Wereldoorlog en herstel van oorlogsschade

Tijdens de Eerste Wereldoorlog liep het station zware schade op. Als strategisch punt – via smalspoorlijnen voerden de Duitsers materiaal naar het front - was het station van Lichtervelde het mikpunt van geallieerde bombardementen. Het grootste deel van de dienstvleugel werd vernietigd en in de wederopbouwperiode identiek herbouwd. Ook de luifel ter hoogte van de dienstvleugel werd vernietigd en slechts gedeeltelijk hersteld. Bij de wederopbouw werd de bij de woning aansluitende bergruimte onder lessenaarsdak uitgebreid. In september 1919 was er opnieuw een paardenmarkt in Lichtervelde, maar het vooroorlogse succes kon niet geëvenaard worden. In 1931 werd een tweede seinhuis gebouwd (intussen afgebroken net als het seinhuis van 1909).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een schuilplaats voor spoorwegarbeiders gebouwd en werden de kelders onder de stationschefwoning versterkt met rails en dwarsliggers. In 1951 werden betonnen luifels geplaatst op de perrons (verwijderd in de jaren 1990). Wellicht dateert ook de huidige luifel op perron 1, tegen de stationsgevel, uit deze periode. Einde jaren 1960 kwam er een reizigerstunnel. De frontons met naamborden die aan de perronzijde boven de gootlijst van de dienstvleugel en de woning uitstaken verdwenen wellicht in het derde kwart van de 20ste eeuw.

Beschrijving

Het station en de vrijstaande lampisterie zijn herkenbaar ontworpen volgens het staatstype ‘1895'. Door de lengte van de dienstvleugel, het materiaalgebruik en de tegeltableaus neemt dit station een bijzondere plaats in binnen de toepassing van dit stationstype. Ook het wolfsdak van de lampisterie vormt een uitzondering. De zadeldaken zijn gedekt in blauw geglazuurde mechanische pannen. De overkragende houten goot- en gevellijsten (bij de zijpuntgevels) zijn opgevat als sierlijke lamberkijnen met nabootsing van golvende draperieën.

Station

De stationschefwoning (het centrale hogere gedeelte van drie traveeën en twee bouwlagen) is gevat tussen twee lage vleugels met verschillende lengte. Ten noordwesten bevindt zich de dienstvleugel (rechts vanaf de Statieplaats, links vanaf het perron) van dertien traveeën, ten zuidoosten een korte woonvleugel van één travee (links vanaf de Statieplaats, rechts vanaf het perron). Bij de woonvleugel sluit een bergruimte onder lessenaarsdak en ommuurd koertje aan. Aansluitend, ter hoogte van de recente garage (ten zuidoosten, hoek met Statiestraat), bevond zich oorspronkelijk de moestuin van de stationschefwoning, omheind door gietijzeren hekwerk.

Het uitzonderlijke parement van grijze machinale strengperssteen is verlevendigd met banden, strekken en omlijstingen in rode baksteen. De omlijstingen van vensters en deuren zijn gesloten met een rood geschilderde sluitsteen in diamantkopvorm (mogelijk in blauwe hardsteen). Dit vormt een verrijking van het basistype waarbij sierlijke sluitstenen enkel voorzien zijn voor de oculi. Tussen de roodbakstenen banden is er een bijkomende horizontale belijning in donkergrijs. Het oorspronkelijke voegwerk met dubbele dagstreep is grotendeels bewaard. Voor de plint, de vensterdorpels en de doorgetrokken waterlijsten (aanzetstenen van de rondbogen) tussen de muuropeningen op de begane grond is gebruik gemaakt van  blauwe hardsteen. De traveeën van de lijstgevels zijn geritmeerd door spaarvelden en lisenen. Hoeklisenen benadrukken de hoeken met de zijgevels. Onder de gootlijsten van de lijstgevels zijn de lisenen tussen de spaarvelden verbonden door baksteenstroken, uitkragend op een tand- of bloklijst in rode baksteen. Bij de zijgevels zijn de hoeklisenen verbonden door schuinoplopende baksteenstroken (parallel met de houten gevellijsten), uitkragend op overhoeks geplaatste baksteenkoppen (muizentanden) in rode baksteen.

De rondbogige muuropeningen op de begane grond werken samen met de spaarvelden en lisenen sterk ritmerend. De getoogde bovenvensters van de stationschefwoning zijn onder de dorpels voorzien van bakstenen spiegels. Het gevelveld van de zijgevels is opengewerkt door oculi (met roodbakstenen omranding) en bij het lage woongedeelte door een rondboogvenster. Afwijkend van het basistype is de zijgevel van de dienstvleugel (gevel aan zijde lampisterie) asymmetrisch opengewerkt door links een rondboogopening (blijkens prentbriefkaart oorspronkelijk deur, later gewijzigd in venster) en rechts twee gekoppelde, smallere rondboogvensters. Boven deze vensters is in een casement met blauwhardstenen omlijsting (tussen roodbakstenen banden) het naambord van het station aangebracht. Eerder uitzonderlijk is het opschrift “Lichtervelde” uitgewerkt in vierkante keramische tegels (donkerrode letters en omranding tegen een lichte achtergrond). Van hetzelfde casement met opschrift op beide zijgevels van de stationschefwoning is slechts één exemplaar bewaard (ten zuidoosten).

De bij de woningvleugel aansluitende muur van het koertje (zijde Statieplaats, twee traveeën met spaarvelden en lisenen) en de bergruimte onder lessenaarsdak (perronzijde) zijn uitgewerkt in dezelfde baksteen en met dezelfde verlevendiging door rode baksteen voor de strekken van de getoogde vensters en de tandlijst. Het gevelveld van het lessenaarsdak heeft dezelfde brede bakstenen aflijning als bij de zadeldaken.

In de perrongevels van de dienstvleugel (onder meer ter hoogte van de wachtzaal) en de stationschefwoning zijn de geprofileerde aanzetstenen in blauwe hardsteen van de vroegere luifel bewaard. Aan de zijde van de Statieplaats is de stationschefwoning voorzien van een deur in de linker travee. De dienstvleugel heeft deuren in de tweede, de vijfde (met recente NMBS-luifel) en de zevende travee. Aan de perronzijde steken een deur in de linker travee van de woning en een aantal deuren in de dienstvleugel, met toegang tot de wachtzaal en tot de dienstlokalen. Het geschilderde houtwerk van vensters en paneeldeuren met gelede roedeverdeling is gedeeltelijk bewaard. Het centrale bovenvenster van de stationschefwoning is aan de zijde van de Statieplaats voorzien van een ijzeren vlaggenmasthouder.

Tegeltableaus

De uitkragende baksteenstroken onder de gootlijsten van de stationschefwoning zijn per travee ingevuld met sierlijke tegeltableaus, gekaderd met rode boordtegels. Boven de centrale traveeën aan Statieplaats én perronzijde steken quasi identieke, kleurrijke tableaus met afbeelding van de Lichterveldse paardenmarkt. Het perspectief speelt met voorplan, middenplan en achterplan. Op het in detail uitgewerkte voorplan wordt een bruin boerenpaard aan de teugels gehouden door de verkoper (vest en pet). Deze is in gesprek met een landbouwer-koper, herkenbaar aan zijn blauwe kiel en pet. Op de uiteinden van het tableau wandelen twee mannen uit beeld, deze rechts met een wandelstok. Op het middenplan – de Statieplaats bedekt met zand of stro - werpen de in gekleurde vlakken uitgewerkte paarden, groepjes marktgangers en huifkar een duidelijke schaduw. Boven de vage pleinwand  met trap- en lijstgevels tekent zich de gele horizon af. Het tableau van de paardenmarkt is in beide gevels gevat tussen quasi identieke tableaus. Aan de zijde van de Statieplaats zijn de flankerende tableaus duidelijk beïnvloed door de art nouveau: een vuurpot is omgeven door plantenslingers met zweepslagmotief. Op de flankerende tableaus aan de perronzijde zijn renaissancistisch uitgewerkte cartouches met leeuwenkop omgeven door florale motieven met acanthusbladeren en bloemen.

De grote overeenkomst in formaat, kwaliteit en kleurgebruik tussen de figuratieve en de decoratieve tegeltableaus laat vermoeden dat ze geproduceerd zijn door hetzelfde bedrijf. De overname van motieven uit een modelboek van Helman ("frise n° 162") bij de renaissancetableaus wijzen in de richting van dit Brusselse huis. Naar analogie zouden dan ook de tableaus met art-nouveau-inslag en van de paardenmarkt aan Helman kunnen toegekend worden.

Lampisterie

Kenmerkend voor het staatstype ‘1895' is de lampisterie annex toiletten voor de reizigers in een vrijstaand gebouwtje ondergebracht. Reden hiervoor was het brandgevaar bij het vullen van de olielantaarns en de verwarmingspotten voor de reizigerstreinen. De lampisterie bevindt zicht op korte afstand ten noordwesten van de dienstvleugel. Het lage gebouwtje op quasi vierkante plattegrond (twee op twee traveeën) is gevat onder een schilddak met wolfseinden (nok loodrecht op de sporen en het station). Materiaalgebruik en overkragende goot- en gevellijsten zijn identiek als bij het station. De in rode baksteen geaccentueerde rondboogornamentiek wordt in de zijgevels met wolfseind ten top gedreven met rondbogige spaarvelden. Daarboven steken oculi. In de spaarvelden zijn de rondboogdeuren en de (halve) rondboogvensters gevat. In de naar de schuilplaats gerichte gevel steken grote rondboogvensters. Aan de andere zijde duiden vier kleine rondboogvenstertjes op de toiletten. Het geschilderde houtwerk is gedeeltelijk bewaard.

Gietijzeren hekwerk

Het gietijzeren hekwerk tussen de lampisterie en de gesloopte loods loopt in een boog ten oosten van de schuilbunker. Het betreft het oorspronkelijke hekwerk van 1912-1914. Een prentbriefkaart van het nieuwe station, met nog niet aangelegde Statieplaats, toont een zelfde type hekwerk - met poortjes - tussen het station en de lampisterie.

Interieur

In de wachtzaal is het beglaasde houtwerk van de lokettenwand bewaard: drieledig venster gevat in een kader met kroonlijst. Boven de eigenlijke loketten steekt een bovenlicht met gelede roedeverdeling. In het plafond steken de aanzetten van schouwen op consoles. In de stationschefwoning is onder meer de houten trap met sierlijke trappaal en –spijlen en de houten kapconstructie bewaard.

  • DE BOT H. 2002: Stationsarchitectuur in België. Deel I: 1835-1914, Turnhout.
  • HAEGHEBAERT L. 1997: Het station van Lichtervelde, Jaarboek van de Heemkundige Kring Karel Van de Poele 13, 13-71.
  • VANDEWALLE G. S.D.: Lichtervelde, Wandeling vanaf het stationsplein naar het marktplein, Lichtervelde, 2.
  • WAEYAERT F. & LERMYTE J.-M. (red.) 1997: De droogenbroodroute 1847-1997: de spoorlijn 66 Brugge-Kortrijk, Aartrijke, 127-142.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/36011/103.1, Lichtervelde: het ensemble van station, de lampisterie, de schuilplaats en het hekwerk.
Auteurs :  Vanneste, Pol
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Station Lichtervelde met lampisterie en hekwerk [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/51685 (Geraadpleegd op )