Geografisch thema

Arrondissement Sint-Niklaas

ID: 16211   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16211

Beschrijving

Algemene situering

Het Land van Waas heeft — in tegenstelling tot andere streken van de provincie Oost-Vlaanderen — vrij goed afgetekende grenzen. Ten oosten vormt de Schelde de natuurlijke grenslijn tussen de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. De Durme vormt van oudsher de zuidelijke grens met het Land van Dendermonde. In het westen grenst het Land van Waas aan een gebied dat in de vroege middeleeuwen het oudste Sint-Baafsdomein uitmaakte. De noordelijke grens — huidige landsgrens — werd in 1648 door het Verdrag van Munster vastgelegd ten zuiden van twee van de Vier Ambachten, met name dat van Hulst en dat van Axel, thans deel uitmakend van de Nederlandse provincie Zeeland.

Etymologisch betekent Waas drassige, met water doortrokken grond. De benaming "Land van Waas" komt sinds de 9de eeuw in documenten voor.

Het bestuurlijk arrondissement Sint-Niklaas komt grotendeels overeen met het gewest Land van Waas, met abstractie van de gemeenten Moerbeke (arrondissement Gent), Waasmunster (arrondissement Dendermonde), Zwijndrecht en Burcht (sinds 1923 bij de provincie Antwerpen gevoegd). Historisch gezien horen deze gemeenten echter bij het Land van Waas. De gemeentegrenzen kwamen waarschijnlijk grotendeels overeen met die der parochies en gedeeltelijk met die van de toenmalige heerlijkheden. In een relatief recente periode splitsten de vier volgende gemeenten zich af uit andere: Doel uit Kieldrecht in 1792, De Klinge uit Sint-Gillis-Waas in 1794, Meerdonk uit Vrasene in 1845 en Steendorp uit Bazel in 1881. De achtentwintig deelgemeenten werden op 1 januari 1977 uiteindelijk gefusioneerd tot zeven. Hierin zijn drie stedelijke centra te onderscheiden: Sint-Niklaas, Lokeren en Temse, met een grote densiteit in de bebouwing en een uitgebreide dienstverlenende en industriële sector. De omliggende gemeenten hebben nog grotendeels hun agrarisch karakter behouden. Nochtans is de woondruk vanuit de steden dermate groot dat heel wat landbouwgrond door verkaveling bouwrijp gemaakt wordt. Door gebrek aan een coherent vooruitstrevend beleid groeien dorpen en steden onherroepelijk naar elkaar toe onder de vorm van een fantasieloze lintbebouwing. De laatste jaren evenwel zijn verschillende gemeenten, onder meer onder impuls van de Intercommunale Vereniging van het Land van Waas, ertoe gekomen aan de rand van de historische dorpskernen nieuwe woonwijken te realiseren. Deze laatste werkwijze tast alleszins veel minder het oorspronkelijk uitzicht van de dorpen aan dan het eerstgenoemde uitbreidingspatroon

Landschapstypering

De oppervlakte bedraagt circa 44.000 hectare en kan volgens de hoogteligging in drie gebieden onderverdeeld worden: de Scheldepolders, de zandstreek en de Durmecuesta. De Scheldepolders in het noordoosten van het arrondissement hebben een hoogte van 0 tot 5 meter. Slikken en schorren evolueerden over schapen- en veeweiden naar de eerste labeurgronden met primitieve dammen om uiteindelijk door mensenhanden uit economische overwegingen ingedijkt te worden. In het zuiden sluit dit zogenaamde "open landschap" zonder dijken aan bij de hoger gelegen zandstreek. Dit "gesloten landschap" met het hoogste punt tussen 30 en 35 m vormt de kern van het Land van Waas. Het noordelijke zandig dekzandlandschap vertoont behalve akkers opvallend veel laagstammige boomgaarden. Verschillende oost-west gelegen onvruchtbare stuifzandruggen, onder meer tussen Waasmunster en Melsele, en tussen Kieldrecht en De Klinge waren begroeid met heiden en schrale bossen en zijn heden meestal met naaldbomen beplant. De Haasdonkse bossen waarin het recreatie-oord "De Ster" (Sint-Niklaas) werd aangelegd, en het noordelijk deel van het zogenaamde "Koningsbos" of de "Stropers" (De Klinge, Sint-Gillis-Waas, Kemzeke) zijn hier duidelijke voorbeelden van. Het zuidelijk zandlemig dekzandlandschap wordt voornamelijk gekenmerkt door zijn met Canadapopulieren omzoomde bolle akkers. Naar alle waarschijnlijkheid werden deze aldus door de mens aangelegd om een grotere vruchtbaarheid te bekomen. Door de aanwezigheid van een podsolbodem in de dekzandgrond was men namelijk genoodzaakt het dieper gelegen vruchtbare kalkrijke zand-leem naar boven te spitten en over de akker te verspreiden. De grachten rond een perceel werden te dien einde tot een diepte van ongeveer drie meter uitgegraven met een houten schop of "molsberd". Het niveauverschil tussen het centrum van de akker en de randen ervan bedraagt één à twee meter.

Het Land van Waas wordt ten zuiden begrensd door de steile cuesta, door de Durme uitgeschuurd in de zogenaamde "Vlaamse Vallei". Langsheen dit cuestafront zijn zich een groot aantal steenbakkerijen gaan vestigen daar bij de ontginning van de zeer ondiep gelegen Rupeliaanse klei een gunstig gebruik kon worden gemaakt van deze natuurlijke helling. Aan de boorden van Durme en Schelde treft men meersen aan.

Historische achtergrond

De eerste sporen van menselijke bewoning in het Land van Waas dateren uit het epipaleoliticum. Vuurstenen artefacten van de Federmesser-groepen (10.000-9.000/7.000 voor Christus), voornamelijk gevonden op de zandgronden langsheen de Durme (Tielrode, Elversele, Waasmuster, Lokeren, Daknam, Eksaarde; Sint-Niklaas Heimolen), wijzen in die richting.

Na een mogelijke onderbreking in het vroeg- en midden-mesolithicum, wordt de aanwezigheid van mensen sinds het laat-mesolithicum bevestigd door verschillende archeologische vondsten. Men denke onder meer aan een aantal typische vuurstenen artefacten en aan de benen spitsen van het De Leien-Wartenacomplex (5de millennium).

Uit het neolithicum dateren de Rossen-dissels (3.800-3.300 voor Christus), de klokvormige buidelbeker van Zwijndrecht uit de Michelsbergcultuur (3.400-2.700 voor Christus), enkele vuurstenen artefacten uit de Seine-Oise-Marnecultuur (2.800-1.700 voor Christus), twee strijdhamers uit de Standvoetbekercultuur (2.500-2.000 voor Christus), de maritieme klokbekers van Temse (2.100-1.650 voor Christus), evenals het grote aantal geslepen bijlen en losse vuurstenen artefacten.

Uit de vroege- en midden-bronstijd (1.600-1.100 voor Christus) zijn relatief weinig sporen in het Land van Waas teruggevonden; deze bestaan uitsluitend uit bronzen bijlen en een enkele zwaardkling.

Uit de late-bronstijd (1.200-700 voor Christus) zijn naast een aantal bronzen, vooral de begraafplaatsen van de Urnenveldencultuur belangrijk. Deze necropolen werden aangetroffen te Sint-Gillis-Waas, Temse, Kemzeke, Sint-Niklaas en Waasmunster.

Graven uit de vroege-ijzertijd (700-450 voor Christus) werden op de oude urnen-veldenbegraafplaatsen van Sint-Gillis en Temse teruggevonden. Sporen uit de late-ijzertijd (450-Romeinse periode) worden vrijwel overal in het Land van Waas aangetroffen en sluiten sterk aan bij de Gallo-Romeinse periode. Menigvuldige archeologische vondsten uit de Gallo-Romeinse periode (circa 50-circa 350 na Christus) doen ons nederzettingen van geromaniseerde inboorlingen kennen langs de Durme- en Scheldecuesta. De bewoningsvorm vertoont een concentratie in het zuiden en een verspreiding in het noorden en kenmerkt zich door een industrieel-ambachtelijk, evenals een agrarisch karakter. De vicus van Waasmunster-Pontrave had een uitgesproken handelskarakter. Hun lokale nijverheden bestonden uit steen- en pannenbakkerijen, pottenbakkerijen en ijzerproduktie. De talrijk weergevonden waterputten deden vermoedelijk dienst als waterreservoir voor deze activiteiten. Het Gallo-Romeinse begrafenisritueel bestaat uit crematie. Hierbij werden de verbrande resten van de dode in een urne gedeponeerd (urnengraf) ofwel werden deze samen met de brandstapelresten rechtstreeks in de kuil of in een houten kist bijgezet (brandrestengraf).

De schaarse vroeg-middeleeuwse archeologica, doch voornamelijk de studie der toponiemen, kunnen de aanwezigheid van Franken in het Land van Waas lokaliseren. Deze bewoningskernen werden aanvankelijk tot het christendom bekeerd door van uit Gent rondtrekkende monniken. Daarna zorgden de plaatselijke abdijen en kloosters, zoals Roosenberg te Waasmunster, Boudelo te Klein-Sinaai, Coesvoorde te Sint-Gillis-Waas en Salegem te Vrasene voor de verdere uitbouw van de meeste Wase parochies, die mede aan de basis liggen van de huidige administratief gestructureerde gemeenten.

Het Land van Waas, van in de vroege middeleeuwen keizerlijk gebied, kwam geleidelijk onder het gezag van de graven van Vlaanderen. Dit gezag werd vooral versterkt in de 12de eeuw. Zo zien wij dat gravin Joanna van Constantinopel bij akte van 9 oktober 1219 zes bunder "woeste grond" schenkt aan de kerk van het "dorp" Sint-Niklaas; hieruit groeide het latere marktplein van deze stad.

Met de zogenaamde "Keure van het Land van Waas" van 1241, geschonken door gravin Joanna, werd het grootste deel van dit gewest voor het eerst administratief en juridisch georganiseerd. Dit basisdocument vormde een soort van grondwet voor het hele gewest. Het Land van Waas werd bestuurd door twee colleges: het eerste bestaande uit de " 's Gravenmannen", het tweede bestaande uit de hoofdschepenen. De eersten waren houders van grafelijke lenen, meestal heerlijkheden, leenmannen dus. De tweede waren notabelen uit het gewest, niet-leenmannen. Samen vormden ze het hoofdcollege onder voorzitterschap van een hoogbaljuw. Dit hoofdcollege zetelde te Sint-Niklaas, sinds 1541 in het "Landhuis" op de Grote Markt.

Het Land van Waas bestond oorspronkelijk uit twee administratieve delen: de zogenaamde "Keuregemeenten" (Bazel, Belsele, Daknam, Elversele, Kemzeke, Lokeren, Melsele, Moerbeke, Nieuwkerken, Sinaai, Sint-Gillis, Sint-Niklaas, Sint-Pauwels, Stekene, Tielrode, Vrasene, Waasmunster en de, enclave te Haasdonk) waar het hoofdcollege in naam van de graaf het opperste gezag uitoefende, en de zogenaamde "Apanagegemeenten" (Beveren, Burcht, Eksaarde, Haasdonk, Rupelmonde, Temse, de heerlijkheden Aarschot, Paddeschoot en Pumbeke en de enclaves van het Beverse te Sint-Niklaas, Belsele, Lokeren, Daknam en Haasdonk) die min of meer onafhankelijke heerlijkheden waren met een eigen rechtspraak en enkel voor de lasten van de graaf of de vorst onderworpen waren aan het hoofdcollege. Daarnaast bestonden nog de zogenaamde "Vrije Polders" (Doel, Kallo, Kieldrecht en Verrebroek) die fiscale voordelen genoten, en de zogenaamde "Vazallen van de Keure" (Kruibeke en Zwijndrecht) die de belastingen van de Keuregemeenten betaalden maar een afzonderlijk gerechtelijk statuut hadden. Er dient echter opgemerkt te worden, dat deze administratieve indeling in de Nieuwe Tijd (vanaf de 16de eeuw) in feite ophield te bestaan, zodat al deze plaatsen in het vervolg praktisch aan dezelfde plichten en rechten ten opzichte van de vorst onderworpen werden.

Aan deze feodale structuur bracht de Franse revolutie een einde. In 1795 kreeg het Land van Waas een nieuw bestuur met zeven "administrateurs", een "agent national" en een "substitut", terwijl het werd ingelijfd in het "Département de l'Escaut" en verdeeld in zes kantons. Onder het Hollands bestuur werd het Land van Waas in 1818 een afzonderlijk-district met districtscommissaris. Hieruit groeide het huidig bestuurlijk arrondissement.

Economie

Het Land van Waas werd op het einde der 11de, doch voornamelijk in de 12de eeuw stilaan in cultuur gebracht door de zich hier vestigende kloosterorden. De cisterciënzerabdij van Boudelo te Klein-Sinaai speelde in dit verband een belangrijke rol. Eén van de geteelde gewassen, waarvan slechts zoveel werd verbouwd dat er kon voorzien worden in de eigen behoeften, was het vlas. Vlas was immers een veelzijdig product: het gesponnen garen weefde men tot linnengoed, de sterkste "klodden" gingen naar de touwslager, het houterige afval diende voor het vuur, uit het zaad werd olie geperst en uit wat ervan overbleef, maakte men lijnmeel en lijnkoeken voor de dieren.

Door zijn overwegend onvruchtbare zandige bodem bleef het Land van Waas echter een vrij arm en primitief agrarisch gebied.

De economische crisis van het begin der 14de eeuw zette de inmiddels onafhankelijk geworden Wase boeren ertoe aan vernieuwingen op landbouwgebied door te voeren. Door de vruchtbaarheid van hun gronden te verhogen, hebben zij een ware agrarische revolutie teweeggebracht, die pas in de 17de-18de eeuw in gans Europa zal doorbreken. Het traditionele drieslagstelsel waarbij een veld om de beurt een wintergraan en een zomergraan droeg en het derde jaar braak bleef liggen, werd vervangen door een systeem waarbij men zonder braakjaar het land bewerkte en jaarlijks zelfs een hoofdvrucht en een nateelt kon winnen. Dit alles was slechts mogelijk door een intensieve grondbewerking. Zoals in het hoofdstuk "Landschapstypering" werd uiteengezet, spitte men eerst en vooral het dieper gelegen vruchtbare kalkrijke zandleem naar boven en zorgde men voor een goede waterbeheersing van deze bolle akkers door ze te omringen met wilgen en later vooral met Canadapopulieren. Belangrijker nog was de toevoeging van organische mest, geproduceerd door het vee op de hoeve. Ten tijde van het drieslagstelsel was die productie echter zo gering, dat men slechts om de negen jaar één volledige bemesting kon doorvoeren. De Wase boeren zijn er daarentegen in geslaagd de hoeveelheid stalmest te verveelvoudigen door het inschakelen van twee voedergewassen in de vruchtomloop, met name rapen en klaver, waardoor zij onder meer niet meer verplicht waren het grootste deel van hun veestapel vóór de winter te slachten bij gebrek aan wintervoedsel. Dank zij dit systeem werd een intensieve teelt van het veeleisend vlas mogelijk.

Het vlas werd gezaaid en door de plattelandsbevolking zelf bewerkt. De lijnwaadindustrie, voornamelijk als huisarbeid beoefend, was aldus aanvankelijk een landelijke nijverheid, die het boerengezin het hele jaar door werk bezorgde. Vrij snel werd het weven van de vlasdraad door de familiale economie overgelaten aan zelfstandige wevers. Door de toenemende groei van het aantal wevers ontwikkelde zich een landelijke weverij, die echter in de 16de-17de eeuw verdween doordat men zich volledig concentreerde op de teelt en de bereiding van het vlas. Het Land van Waas werd aldus de voornaamste vlasaard, die de Zuid-Nederlandse lijnwaadnijverheid voedde, en kende daardoor een hoge graad van welstand. In deze periode situeert zich het officieel octrooi voor de wekelijkse donderdagse markt, aan de hoofdplaats Sint-Niklaas in 1513 verleend door Keizer Maximiliaan, en het analoog octrooi van Keizer Karel aan Lokeren gegeven in 1555. Ten gevolge van het agrarisch surplus groeiden deze marktplaatsen uit tot grotere concentraties — de huidige steden — die enerzijds door hun geografische ligging (ingeslotenheid door de Schelde als natuurlijke verdedigingsgordel) en anderzijds door het late tijdstip van ontstaan, niet meer omwald werden en zodoende een analoge plattegrond vertonen als de overige, landelijke gemeenten.

Tot in de 18de eeuw bleef het Land van Waas in hoofdzaak een landbouwstreek bij uitstek. Doch terwijl de huisnijverheid tot dusver een aanvulling was van het landbouwbedrijf en daardoor zelf aan de landbouwproductie onderworpen, keerde deze verhouding zich volledig om: de landbouw werd in de 18de eeuw meer en meer gedwongen rekening te houden met de groeiende behoeften van de huisnijverheid.

Naast de vlasbewerking en de textielnijverheid, die op de vooravond van de industriële revolutie tot de belangrijkste activiteiten van het Land van Waas behoorden, kenden ook andere sectoren een zekere verspreiding zonder zich evenwel te hebben kunnen handhaven. We vermelden de zeepziederijen die uit kemp- en lijnzaad zeep vervaardigden, de olieslagerijen die uit koolzaad olie persten, de zeer talrijke brouwerijen, de steen- en tichelbakkerijen vooral gesitueerd te Stekene, Sint-Niklaas, Tielrode en Steendorp, en uiteindelijk de klompenmakerijen die een hoge vlucht kenden door de invoering van de Canadapopulier ter vervanging van de wilg.

De evolutie van ambachtelijke naar gemechaniseerde nijverheid gebeurde vrij vroeg, doch niet op grote schaal: reeds in 1825 bestonden er te Sint-Niklaas twintig textielfabrieken; te Lokeren acht à negen. Het grootste deel van de productie werd echter nog steeds door de huisnijverheid geleverd. Pas omstreeks 1865 begon in het Land van Waas de fabrieksexpansie, die de huisnijverheid slechts langzaam heeft uitgeschakeld. In de katoennijverheid waren er in 1870 in het district Sint-Niklaas immers nog 900 handgetouwen tegenover 130 mechanische weefgetouwen. In de wolnijverheid komen in dat jaar nog 1350 handgetouwen voor tegenover 120 mechanische getouwen.

De mechanisatie bleef in de tweede helft van de 19de eeuw hoofdzakelijk beperkt tot de textielindustrie, die zich concentreerde te Sint-Niklaas, Lokeren en Temse, en eveneens, doch op kleine schaal ingang vond te Beveren en te Stekene.

Nog steeds is de textielnijverheid bepalend voor de Wase economie. Sinds de laatste decennia evenwel komen op lokale, buiten de steden aangelegde industrieterreinen ook andere bedrijven voor, terwijl op de speciaal daartoe opgespoten poldergronden van de linker Scheldeoever op het grondgebied van Beveren voornamelijk multinationale petrochemische industrie zich is komen vestigen.

OVERZICHT VAN DE ARCHITECTUURGESCHIEDENIS IN HET ARRONDISSEMENT SINT-NIKLAAS

Romaanse periode

Na onderzoek van alle kerkgebouwen en het doornemen van gepubliceerde archiefteksten, kunnen heden in totaal twintig kerken aangeduid worden waarvan de bouwgeschiedenis tot bedoelde periode opklimt. Slechts bij zes ervan zijn nog materiële getuigen in de opstand aanwezig: Beveren Sint-Martinus, Vrasene Heilig Kruis, Daknam Onze-Lieve-Vrouw, Belsele Sint-Andreas en Gislenus, Temse Onze-Lieve-Vrouw, Elversele Sint-Margareta. Voor de andere kerken is archeologisch bodemonderzoek onontbeerlijk om de kunsthistorisch interessante gegevens aan het licht te brengen. Toch kunnen nu reeds een aantal kenmerken opgenoemd worden. Inzake oriëntatie werd geen afwijking op de regel genoteerd: alle kerken zijn met het koor naar het oosten gericht. Zij staan, zo mogelijk, ook steeds op het hoogste punt in de gemeente. Uitzonderingen hierop vormen de aan de Schelde en Durme gelegen kerken, met name Onze-Lieve-Vrouw te Temse en de huidige Sint-Jozef kapel te Tielrode. Enkel de kerken van Vrasene, Daknam en Elversele zijn nog omringd door hun — al dan niet meer in gebruik zijnde — kerkhof. Van de houtconstructies van de allereerste bidplaatsen is in de huidige opstanden uiteraard geen spoor meer terug te vinden. Het algemeen voorkomend bouwmateriaal is de langs de Schelde aangevoerde Doornikse kalksteen, verwerkt in een onregelmatig metselverband (opus incertum). Het is echter wel duidelijk dat deze breuksteen op voorhand gesorteerd werd met als doel de stenen van ongeveer dezelfde grootte in dezelfde laag te verwerken zodat min of meer regelmatige lintvoegen voorkomen. Om hierin storende afwijkingen weg te werken, werden ter plaatse gevonden Romeinse tegulae ingemetseld, zoals kon geconstateerd worden te Belsele en te Beveren. De bij recente opgravingen in de kerk van Vrasene in grote massa weergevonden schilfers van Doornikse kalksteen, wijzen er anderzijds op dat het ruwe en onregelmatige bouwmateriaal op de werf enigszins werd bijgekapt.

Een ander bouwmateriaal is de veel zachtere Ledische zandsteen die dan ook werd gekantrecht vooraleer te worden verwerkt. Enkel de laat-romaanse vieringtoren van de kerk te Beveren is in dit bouwmateriaal opgetrokken.

In de romaanse kerk van Belsele kwamen veelvuldig brokken ijzeroer (limoniet) voor, gedolven in de zogenaamde "Papemeersen" achter de tuin van de pastorie en in de bedding van de Belselebeek. Dit materiaal werd zonder onderscheid met de Doornikse kalksteen verwerkt, zowel in de fundering als in het opgaande metselwerk van parement en in de pijlers. Ook in de kerk van Beveren troffen wij, zeer sporadisch evenwel, enkele brokken ijzerzandsteen aan tussen het opgaande metselwerk.

Uiteindelijk werd ook ruimschoots slopingsmateriaal van Gallo-Romeinse oorsprong aangewend. In de kerk van Vrasene werden tegulae onder meer in de pijlers teruggevonden. Bij de kerk van Belsele werd de hele bouwput volgestort met tegulae en imbrices terwijl ook de ruimte tussen de twee parementen van de opgaande muren werd opgevuld door een mengsel van kalkmortel en puin (emplecton).

Wat de aanleg van de romaanse kerken in het Land van Waas betreft, kunnen we momenteel een indeling maken in drie types: de eenbeukige kruiskerk met achtkantige vieringtoren (Daknam Onze-Lieve-Vrouw), de driebeukige kruiskerk met achtkantige vieringtoren (Beveren Sint-Martinus, Temse Onze-Lieve-Vrouw) en de driebeukige transeptloze kerk (Vrasene Heilig Kruis, Belsele Sint-Andreas en Gislenus, Elversele Sint-Margareta). Het koor is steeds smaller dan het schip. Hoe de sluiting ervan was, weten we enkel met zekerheid voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Temse, namelijk halfcirkelvormig. Bij kleinere kerken als deze te Daknam, Belsele en Elversele vermoeden we een rechtgesloten oostmuur.

De driebeukige kerken hadden alle een basilicale opstand.

Enkel te Vrasene en te Belsele konden de pijlers onderzocht worden. Deze te Vrasene waren alternerend rechthoekig en achtkantig; deze te Belsele waren allemaal vierkant en rondom rond voorzien van een lage zitbank. De torens bevonden zich steeds op de viering en hadden een achtkantige klokkenkamer waarbij de verklimming geschiedt door afgeschuinde hoeken, zodat ieder snijvlak een driehoek vormt. De galmgaten waren rondbogig, en enkel te Beveren in tweeën gedeeld door een middenzuiltje.

Wat de versiering betreft, kan gewezen worden op de lisenen en rondboogfries aan de voormalige toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Temse en aan de nog bestaande toren van de Sint-Martinuskerk te Beveren. De zijbeukmuren van de Heilige Kruiskerk te Vrasene waren aan de binnenzijde versierd met lisenen terwijl bij de bovenlichtmuren alternerend een venster en een blindnis was aangebracht. Bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Daknam kwamen gevelhoge gekoppelde blindnissen voor aan de binnenkant van de westgevel aan weerszijden van het ingangsportaal, evenals op de oostgevels van de transeptarmen. Deze in de westgevel zijn van elkaar gescheiden door een driekwartzuil met Attische basis en teerlingkapiteel. De rondbogen van de nissen in de transeptarmen rusten zonder onderbreking op een vierkante middenstaander. Bij de Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele uiteindelijk, konden wij tijdens een archeologisch bodemonderzoek uitmaken dat het hele interieur van de romaanse kerk bepleisterd was en vermoedelijk ook volledig decoratief beschilderd was met donkerrode (ossenbloed) motieven (wellicht eenvoudige bloemen).

Gotische stijl

De eerste voorbeelden van de nieuwe stijl, opgekomen in het eerste kwart van de 13de eeuw kunnen getypeerd worden als behorend tot de zogenaamde Scheldegotiek. De kenmerken van deze stijlrichting werden echter bij de plattelandskerken meer geïnterpreteerd dan gekopieerd. Ook komen zo goed als nooit een groot aantal karakteristieken bij eenzelfde kerkgebouw samen voor. De oorzaak hiervan is voornamelijk te zoeken in het feit dat heel wat kerken voortbouwden op een romaanse substructuur die uiteraard sterk bepalend werkte. Anderzijds is het thans ook niet gemakkelijk volledige zekerheid te bekomen over de verspreiding van de Scheldegotische vormentaal in het Land van Waas, daar in latere eeuwen zoveel gesloopt, verminkt, bijgebouwd en gewijzigd werd dat in sommige gevallen slechts een klein bouwonderdeel — dikwijls nog verstopt op een kerkzolder of achter jonger metsel- of pleisterwerk — bewaard bleef.

Het typische bouwmateriaal, met name Doornikse kalksteen, werd enkel aangewend bij zuilen en kapitelen, terwijl bogen, geprofileerde dagkanten, kraagstenen en parement in ter plaatse geproduceerde baksteen werden uitgevoerd. De oudst bekende datum in verband hiermee, is 26 februari 1223, dag waarop gravin Joanna van Constantinopel twee bunder land schonk aan de abdij van Boudelo om er stenen te bakken. Hardstenen zuilen met hogelkapiteel komen of kwamen voor bij de Heilige Kruiskerk te Stekene, de in 1578 vernielde abdijkerk van Boudelo te Klein-Sinaai, de Sint-Nikolaaskerk te Sint-Niklaas (halfzuilen in de viering), de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Eksaarde en de Sint-Pieterskerk te Bazel.

Behoudens baksteen en Doornikse kalksteen, werd ook stilaan Ledische zandsteen ingevoerd. Dit bouwmateriaal vonden wij echter uitsluitend aangewend als buitenparement van de torens te Stekene, Belsele, Sint-Pauwels, Sint-Niklaas, Bazel, Haasdonk (vóór 1868). De torens van Eksaarde en van Sinaai zijn van baksteen.

Inzake plattegrond is het steeds weerkerende type de driebeukige kruiskerk met achtkantige vieringtoren. Uitzondering hierop maakt de westtoren van de Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele, doch dit heeft te maken met het feit dat men gemakkelijker vóór de oorspronkelijke romaanse kerk een toren kon oprichten dan binnen de ruimte zelf. De overgang van vierzijdig grondvlak naar achtzijdige klokkenkamer gebeurde uitsluitend door middel van driehoekige verklimmingen, nooit door middel van diagonaalsgewijze in tweeën gesneden piramiden.

Oorspronkelijke gevels zijn enkel nog behouden aan de transeptarmen van de Sint-Catharinakerk te Sinaai. Het ruime spitsboogvenster is er geflankeerd door twee even hoge spitsbogige spaarvelden met ruitmotief in de kop. De geveltop is voorzien van drie gekoppelde spitsbogige blindnissen met rollijstprofiel. Een analoog motief komt voor aan de achtkantige bovenverdieping van de toren.

De met spaarvelden versierde westgevels der Heilige Kruiskerk te Stekene en der Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Eksaarde, beide van 1897, zijn ofwel kopieën van de oorspronkelijke gevels, ofwel ontworpen door een architect (in casu J. Goethals te Stekene) die de vroeg-gotische vormentaal grondig beheerste.

De vensters waren spitsbogig en groter dan in de romaanse periode. Bij de bovenlichten kwam zowel het enkelvoudige type voor (Bazel, Sint-Niklaas, Belsele, Sint-Pauwels) als het gekoppelde type (Eksaarde, Stekene). In verband met het eerstgenoemde type moet echter alweer rekening gehouden worden met de opstand van de oorspronkelijke, romaanse kerk waar slechts één bovenlicht per travee voorkwam (Belsele).

De galmgaten waren eveneens spitsbogig en steeds afgedekt door een waterlijst, meestal horizontaal over de penanten met elkaar verbonden. De dagkanten van vensters, spaarvelden en scheibogen waren voorzien van rollijstprofielen (Heilige Kruiskerk te Stekene, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Eksaarde). Hetzelfde profiel werd tevens aangewend bij de kraagstenen onder de kroonlijst van de middenbeuk (Heilige Kruiskerk te Stekene, abdijkerk van Boudelo, Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele).

De romaanse vlakke zolderingen werden nu verdrongen door houten tongewelven, hetzij uitgevoerd als ziende dakkap zoals in de Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele, hetzij voorzien van een houten binnenbeschieting zoals onder meer in de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Eksaarde en de Sint-Pieterskerk te Bazel. Ook in de hoog-gotische periode bleef deze gewelfvorm doorleven zoals geconstateerd werd bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kruibeke, de Sint-Pauluskerk te Sint-Pauwels en de Sint-Margaretakerk te Elversele. Het profiel van de spanten evolueerde van de platte band geflankeerd door twee rondstaven naar de peerkraal. Ook de sloffen van de trekbalken waren versierd met snijwerk.

Vóór zover heden nog kon uitgemaakt worden, was de hele gewelfconstructie decoratief beschilderd met florale en geometrische patronen, meestal met sjablonen aangebracht. Steeds weerkerende kleuren waren wit, zwart en rood.

Muren en pijlers waren overdekt met historiserende motieven. Materiële sporen en vermeldingen hierover vonden wij bij de kerken te Bazel, Stekene, Melsele, Sint-Niklaas, Belsele, Vrasene, Daknam. De enige in het Land van Waas nog bewaarde muurschildering, met name een Laatste Oordeelscène, bevindt zich boven de gewelven van de Sint-Margaretakerk te Elversele.

De kerkvloeren waren oorspronkelijk belegd met een mozaïek van gekleurde, geglazuurde tegeltjes, zoals opgegraven in de kerk van Belsele (1978) en in de abdij van Boudelo (1972-1975). Vele waren zelfs voorzien van figuren, meestal uit de omringende dierenwereld afkomstig, zoals hanen en herten. Ook kwamen menselijke figuren voor, evenals florale motieven zoals lelies, rozen, rankwerk en verschillende geometrische patronen. Sommige tegels waren zo versierd dat er vier samen één motief vormden. Behalve de eerstgenoemde stempeltegels ingelegd met witte pijpaarde,en de laatstgenoemde vormtegels werden veelvuldig geritste tegels aangewend (tot op halve dikte ingesneden tegels).

Vanaf het begin der 15de eeuw deed de Brabantse gotiek, met een nieuwe vormentaal zijn intrede in het Land van Waas.

De lokale baksteen en de uit Doornik aangevoerde kalksteen werd nu meer en meer vervangen door de gekantrechte Ledische zandsteen. Nieuwe torens werden niet meer op de viering gebouwd, maar aan de westzijde. Het hogelkapiteel maakte plaats voor het veel uitbundiger koolbladkapiteel.

De vierkante westtoren van de Sint-Laurentiuskerk te Verrebroek daterend van circa 1425 is in het Land van Waas de beste vertegenwoordiger van deze nieuwe stijl. De dubbele hoeksteunberen zijn aan de voorzijde versierd met een spaarveld, bovenaan voorzien van toten. Een gordijnboogvormig ornament met koolbladeren en kruisbloem is ingelast op de versnijding ter hoogte van de dorpel der galmgaten. Het korfboogportaal bezit rijk geprofileerde rechtstanden met peerkraalprofiel. Een ruim spitsboogvenster met drie staven en visblaastracering in de vensterkop verlicht de binnenruimte van het doksaal. Laatstgenoemde zou afgedekt worden met een stergewelf rustend op diensten met koolbladkapiteel. Ook de oorspronkelijk geplande opengewerkte achtkantige stenen spits werd nooit uitgevoerd. De zuilen van de eerste travee en de halfzuilen aan de torenvoet bezitten ook weer het Brabants koolbladkapiteel.

Bij de Heilige Kruiskerk te Vrasene werd in 1448 het romaans koortje vervangen door een veel ruimer in hoog-gotiek door de Brabantse architect Everaert Spoorwater. Iets later kwam de vierkante westtoren tot stand met een ingangsportaal nagenoeg identiek aan dit van de kerk van Verrebroek. Ook de benedenkerk werd in Brabantse gotiek aangepast met spitse scheibogen met afgeschuind profiel rustend op zandstenen zuilen met achtkantige sokkel en koolbladkapiteel.

Een sterk gelijkende westtoren komt voor bij de Sint-Margaretakerk te Elversele, waar de romaanse benedenkerk eveneens totaal van aanzicht veranderde door de spitse scheibogen en de slanke zuilen met koolbladkapiteel.

In de 15de eeuw werden opvallend veel koorpartijen in hoog-gotiek uitgebreid zonder dat hierbij steeds Brabantse invloed kan aangewezen worden. Deze trend zette zich voort in de 16de eeuw. Dit is onder meer het geval voor het koor van de Sint-Pauluskerk te Sint-Pauwels (eerste helft 15de eeuw), de Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele (1432), de Sint-Nikolaaskerk te Sint-Niklaas (1446), de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Melsele (eerste helft 15de eeuw), de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Eksaarde, de Sint-Jacobuskerk te Kemzeke en de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Daknam (midden 15de eeuw), de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Temse (1496), de Sint-Margaretakerk te Elversele (eerste helft 16de eeuw), de Heilige Kruiskerk te Stekene (1548), de Sint-Pieterskerk te Bazel (1560).

Na de beeldenstorm van 1576 werd meermaals de gelegenheid te baat genomen om nieuwe verbouwingen en uitbreidingen uit te voeren: Sint-Jacobus de Meerderekerk te Haasdonk, Sint-Jobkapel te Puivelde, Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele, Sint-Laurentiuskerk te Lokeren.

Niettegenstaande in de 17de eeuw de barok reeds ingang gevonden had, bleef men in de meeste gevallen vasthouden aan de gotische, in casu na-gotische vormentaal. Een ander belangrijk feit uit de 17de en zelfs nog 18de eeuw is dat zo goed als alle kerken voorzien werden van bakstenen gewelven met zandstenen ribben, voor zover ze deze nog niet bezaten: middenbeuk Sint-Pieterskerk te Bazel, 1612, midden- en zijbeuken Sint-Pauluskerk te Sint-Pauwels, respectievelijk 1618 en 1636, Sint-Nikolaaskerk te Sint-Niklaas, 1635, middenbeuk Sint-Catharinakerk te Sinaai, 1636, koor Sint-Margaretakerk te Elversele, 1639, koor Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele, 1644, middenbeuk Sint-Martinuskerk te Beveren, 1652-1653, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Eksaarde, 1653, zijbeuken Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kruibeke, 1660 en 1663, koor Sint-Jacobus-de-Meerderekerk te Haasdonk, 1679, drie koren der Sint-Jozef kapel te Tielrode, 1710, Sint-Laurentiuskerk te Verrebroek, circa 1765, benedenkerk Heilige-Kruiskerk te Stekene, 1767-1769

De traditionele architectuur

Van de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur opgekomen in de 16de eeuw en doorlevend tot bij het begin van de 18de eeuw, zijn in het Land van Waas een aantal kastelen en grote patriciërswoningen bewaard, onder meer: Sint-Niklaas, Walburgkasteel (1550), Kruibeke, kasteel Altena (1594), Doel, Hooghuis (1613), Sint-Niklaas, Castrohof (1626), Beveren, Huis Anna Piers (vóór 1664). Het beste is deze stijl echter vertegenwoordigd in de landelijke architectuur. Het lijkt ons dan ook gepast hier een parenthesis te openen over deze in 't geheel niet onbelangrijke tak van de architectuurgeschiedenis. De Wase hoeve bestaat uit losse bestanddelen, volgens een weloverwogen plan gegroepeerd op een omgracht en/of omhaagd erf, waarop tevens een boomgaard, een moestuin, enkele sierbomen en een bloemperk voorkomen. De gebouwen worden door smalle paden met elkaar tot een constructief geheel verbonden. De meest open zijde is bijna steeds naar de toegangsweg gekeerd en ervan afgesloten door een hek (heden meestal een 19de- of 20ste-eeuws smeedijzeren hek), waardoorheen evenwel de structuur van en de werkzaamheden op het erf zichtbaar blijven. Het woonhuis, los van de bedrijfsgebouwen, is met zijn voorgevel naar het erf en de zonnekant gekeerd (meestal zuidoost), met als gevolg dikwijls een schuine of haakse inplanting ten opzichte van de straat. De gevels - steeds van één bouwlaag - zijn overwegend gekalkt en gewit met een gepikte plint. In veel mindere mate, doch frequenter dan tot hiertoe steeds werd beschreven, komen ongekalkte gevels voor waarbij het rood van de baksteen en het wit van de zandsteen een contrasterende speling aan het oppervlak verlenen. Zelden komt een regelmatige travee-indeling voor. Vensters en deur zijn asymmetrisch verdeeld over de gevel; hun plaats wordt immers bepaald door het erachter gelegen vertrek. Dikwijls zijn twee vensters hoger geplaatst dan de andere, namelijk bij de voutekamer boven de overwelfde bewaarkelder. Als venstertype werd het van de gotiek overgeërfde zandstenen kruiskozijn aangewend. De onderste helft ervan is beluikt en ijzeren tralies staan er vóór het glas; in de bovenste helft staan ze achter het glas. In enkele zeldzame gevallen troffen wij ook houten kruiskozijnen aan (Beveren, Stationsstraat 80-82, Sint-Pauwels, Potterstraat 107-109), Sint-Niklaas, Truweelstraat 149, Nieuwkerken, Meesterstraat 103). De van het kruiskozijn afgeleide klooster- en bolkozijnen werden naargelang de noodzaak aangewend.

De deuren, eveneens gevat in een kwarthol geprofileerde zandstenen omlijsting met neuten vertonen een grotere variatie. Het meest voorkomende type is de rechthoekige deur met bolkozijn als bovenlicht. Deuropening en bovenlicht vormen één geheel en zijn van elkaar gescheiden door een geprofileerde dorpel op imposten of door een zwaardere dorpel met verdiept voorvlak waarin het bouwjaar gebeiteld is (zie enerzijds onder meer Sint-Gillis-Waas, Doornstraat 65 en Nieuwkerkenstraat 7, Klein-Sinaai, Koebrugstraat 46, Elversele, Oudestraat 2, en anderzijds onder meer Elversele, Oudestraat 3, Sinaai, Edgard Tinelstraat 4, Kemzeke, Voorhoutstraat 146). Enkel bij de hoeve Meirsman, Hazarddam 18 te Kruibeke is het bovenlicht gescheiden van de deuropening om aldus op één lijn te staan met de bovenlichten van de vensters in de voutekamer.

Het tweede type vormen de korfboogdeuren met rond of ovaal bovenlicht. De deurimposten zijn ofwel vlak, ofwel voorzien van een jaartal (zie Sint-Niklaas, Kleibeekstraat 136), ofwel versierd (zie onder meer Belsele, Schrijberg 203). De sluitstenen zijn ofwel eveneens vlak, ofwel voluutvormig en afgedekt door een gekorniste waterlijst. Tot het derde type behoren de korfboogdeuren zonder bovenlicht. Het gemis aan een bovenlicht is veelal het gevolg van een geringe gevelhoogte. Hier komen eveneens de vlakke en/of gedateerde imposten en de voluutvormige sluitstenen voor. Daarnaast vindt men echter ook imposten en sluitstenen in de vorm van een diamantkop (zie respectievelijk onder meer Tielrode, Hofstraat 48, Sint-Niklaas, Damstraat 69, Tielrode, Ruisstraat 58, en Tielrode, S.G. Boerenboomstraat 9). Laatstgenoemde komen vrijwel altijd voor bij het vierde en vijfde type, namelijk bij de korfboogdeuren met bolkozijn als bovenlicht en bij de korfboogdeuren met bovenlicht in de vorm van een kwart kruiskozijn. Deze bovenlichten sluiten steeds onmiddellijk aan bij de boogomlijsting, al dan niet voorzien van een gekorniste waterlijst (zie respectievelijk onder meer Beveren, Pui Put l, Haasdonk, Heirbaan 14, Sint-Gillis-Waas, Sint-Niklaasstraat 185, Temse, Dweerse Kromstraat 57, Tielrode, Kerkstraat 85 en Melsele, Dweerse Kromstraat 28, Melsele, Priemstraat 36, Sint-Niklaas, Passtraat 408. Als afdekking komt overwegend het zadeldak voor, al dan niet meer geriet en gevat tussen aandaken met vlechtingen. Het volgens A. De Groodt typisch Waaslands tweevoudig dak komt veel minder voor (onder meer Melsele, Pauwstraat 43, Kruibeke, Beverenstraat 18, Bazel, Barbierstraat 18, Sint-Pauwels, 's Hondstraat 11, Sint-Niklaas, Passtraat 408). Ook het afgewolfd zadeldak troffen wij slechts sporadisch aan (onder meer Kruibeke, Hondenstraat 22, Sint-Gillis-Waas, Nieuwkerkenstraat 7, Sint-Niklaas, Uilestraat 91, Temse, Schoenstraat 2.

Een dakvenster met punt-, tuit- of trapgevel verlicht veelal de zolderruimte en is niet noodzakelijk vlak boven de deur aangebracht. Heel dikwijls komen of kwamen twee dakvensters voor zonder symmetrische inplanting. De oorspronkelijke zolderingen, bestaande uit eikehouten moerbalken met versierde sloffen en kinderbalken, zijn voor zover kon nagegaan worden nog vrij talrijk aanwezig. Hierop noteerden wij in verschillende gevallen nog een vloer in rode gebakken tegels. Volgens mondelinge bron was de functie hiervan enerzijds het beveiligen van de benedenvertrekken bij eventuele brand van het geriet dak (zie stenen kerkgewelven), anderzijds het verstevigen en stofdicht maken van de houten vloer voor het vorstvrij opstapelen van soms verschillende ton graan.

De brede open haarden met zandstenen wangen in laat-gotische stijl zijn in latere eeuwen door het teloorgaan van hun oorspronkelijke functie maar al te dikwijls weggebroken.

Van de oorspronkelijke houten schuren onder geriet schild- of wolvedak is slechts een klein percentage tot op heden intact bewaard gebleven. Een eerste stap in het versteningsproces was het aanbrengen van een bakstenen voet. In het voorlaatste stadium bouwde men enkel nog de top van de zijpuntgevels in hout, terwijl de rest in baksteen werd opgetrokken. Eens dat men beschikte over baksteen, werd het alles omhullende en beschuttende schilddak vervangen door een veel gemakkelijker en goedkoper aan te brengen zadeldak.

De modernisering van de landbouwbedrijven bracht met zich mee dat voornamelijk in de laatste twee decennia vele oorspronkelijke schuren werden vervangen door nieuwbouw.

De barok

Burgerlijke architectuur. In het tweede kwart der 17de eeuw kwamen barokke vormen het traditionele stramien van de bak- en zandsteenbouw verrijken. Aanvankelijk gebeurde dit uitsluitend door middel van volplastische arduinen deuromlijstingen met bossagewerk en eventueel een driehoekig fronton. Voorbeelden hiervan zijn onder meer te vinden bij het Hooghuis te Doel van 1645 (Hooghuisstraat 8), de Temsestraat l te Rupelmonde, en de dekenij te Sint-Niklaas van 1697 (Ankerstraat 81). De voornamelijk horizontaal gerichte gevels uit de vorige periode evolueren thans in de hoogte en worden bovenaan uitgewerkt met een in- en uitzwenkende topgevel, afgeboord door voluten en bekroond door een driehoekig of segmentbogig fronton (zie Lokeren, Markt 75 van circa 1656, Vrijheidsplein 13, en Sint-Niklaas, Grote Markt 43 van 1637). Meestal zijn deze topgevels echter gereduceerd tot dakvensters met dezelfde kenmerken (zie Lokeren, Markt 76, Markt 72 van 1699, Sint-Niklaas, Grote Markt 46 van 1663).

In de buitengemeenten komen sporadisch laat-barokke vormen voor, thans uitsluitend nog gekenmerkt door hardstenen deuromlijstingen: Kallo, Hoog Kallo 28 van 1724, Verrebroek, Paardenkerkhofstraat 3. Het betreft hier twee voormalige pastorieën, zodat invloed van de stedelijke architectuur hier zeker niet uitgesloten is. Even zeldzaam zijn voorbeelden van landelijke barokarchitectuur. Het "Wallenhof" te Nieuwkerken-Waas, van 1710, draagt volledig de kenmerken van de traditionele stijl. Enkel de zwaardere uitwerking van de deuromlijsting met neerhangende voluten, laat een retardaire invloed van de barok op het platteland vermoeden. De "Grote Ronke", Hillarestraat 153 te Lokeren daterend van 1753, doet daarentegen volledig achttiende-eeuws aan met zijn segmentboogvensters voorzien van oren en neuten met dropjes, en zijn mansardedak. Het dakvenster tussen vleugelstukken, uitlopend op een halsgeveltje met driehoekig fronton, verwijst nochtans naar de barokke vormentaal.

Een niet ongelukkige mengeling van barokke, classicistische en rococo-kenmerken is te zien bij het gemeentehuis van Nieuwkerken-Waas daterend van 1767. Het centraal dakvenster in de vorm van een oeil-de-boeuf met vleugelstukken en gebogen waterlijst, de evenwichtige lijstgevel met eenvoudige segmentboogvensters en korte pilasters met verdiept voorylak onder de pui, en tenslotte de spiegelboogdeur in rijk geprofileerde omlijsting met rocaille-aandoende sluitsteen zijn exponenten van deze verschillende stijlrichtingen.

Kerkelijke architectuur. De wederopbouw tijdens de Contrareformatie maakte overvloedig gebruik van de nieuwe, barokke vormentaal naast de gotische. Sobere barok uit de beginperiode vinden we bij de Sint-Annakapel te Lokeren, daterend van 1644 waar de gotische spitsboog volledig verdrongen werd door de segmentboog. De in hoog-gotische stijl aangezette Sint-Laurentiuskerk te Verrebroek werd in 1652-1654 voorzien van zijbeuken en in 1672 en 1688 van transeptarmen. Het aangewende baksteenmetselwerk met zandstenen speklagen en de segmentboogvensters staan in schril contrast met het zandstenen parement en de spitsboogvormen bij de toren en het koor.

In 1653 voegde men een bergplaats toe aan de Sint-Andreas en Gislenuskerk te Belsele. De korfboogdeur werd gevat in een barokke omlijsting van arduin met bossagewerk, vlakke pilasters en een klassiek hoofdgestel. Men bekommerde zich niet om stilistische homogeniteit. In talrijke kerken immers werden de spitsboogvensters uitgebroken en vervangen door segmentboogvensters. Dit was onder meer het geval bij de Heilige Kruiskerk te Vrasene in 1666, de Sint-Jacobus-de-Meerderekerk te Haasdonk in 1685, de Heilige Kruiskerk te Stekene in 1651 en 1686, de Sint-Laurentiuskerk te Lokeren in 1688. Gewoonlijk beperkte men zich niet tot het vervangen van de vensters, ook de interieurs werden onder handen genomen, onder meer door het afkappen van de gotische kapitelen en het veranderen van de spitse scheibogen in halfronde. Wat bij deze kerken werd bijgebouwd, droeg eveneens de stempel van de nieuwe stijl. Zo werd onder meer de Sint-Jacobus de Meerderekerk te Haasdonk in 1719 voorzien van een nieuwe voorgevel met in- en uitzwenkende top.

Verschillende barokke torens kwamen in deze periode tot stand. Bij de wederopbouw van de afgebrande Sint-Laurentiuskerk te Lokeren in 1719-1725 verving de vierkante westtoren met achtkantige bekroning en koepeldak de gotische vieringtoren. Iets later kwam de toren met klokvormige koepel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Rupelmonde klaar. De typische barokke ingesnoerde peerspits kwam meer voor. De romaans-gotische vieringtoren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Daknam had een dergelijke bekroning, evenals de dakruiter op de viering van de gelijknamige kerk te Melsele. In 1681 werd de hoog-gotische toren van de Sint-Laurentiuskerk te Verrebroek voorzien van een barok "keeteldack" met ingesnoerde peerspits, terwijl de in een slechte staat verkerende romaanse vieringtoren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Temse in 1720-1721 werd wederopgebouwd en eveneens een dergelijke bekroning kreeg naar ontwerpen van Egidius Adriaan Nijs.

Bij de kloosters vond de barokke vormentaal ook ingang. Het klooster en de ruime éénbeukige Sint-Antoniuskerk in de Kollegestraat te Sint-Niklaas, gebouwd door de paters Recolletten in 1689-1696 is in een sobere barokstijl opgetrokken. De voorpuntgevel en de kruisribgewelven doen eerder achterhaald aan. De in 1751-1752 door Bernardus De Wilde ontworpen kapel van het Hof ter Welle te Beveren daarentegen getuigt van een volwaardige barokstijl. De voorgevel met inzwenkende top en driehoekig fronton, de ruime segmentboogvensters met oren en neuten, de zandstenen speklagen en de brede korfbogige gewelven met gordelbogen zijn hiervan duidelijke bewijzen.

Van de talrijke kleine kapellen in het Land van Waas, zijn er slechts twee in een uitgesproken barokstijl tot ons gekomen. Het betreft de Sint-Laurentiuskapel in de Luikstraat te Lokeren van 1768, en de Heikapel in de Beeldstraat te Sint-Niklaas van 1779. Beide werden jammer genoeg ontpleisterd, doch kenmerken als een rondboogdeur, pilasters met bossagewerk en een geveltop met voluten en een pseudo-fronton zijn nog aanwezig.

De achttiende eeuw en de Lodewijkstijlen

De Lodewijkstijlen breken definitief met de topgeveltraditie en voeren een totaal nieuw geveltype in, namelijk de lijstgevel met sterke klassieke inslag. Een uniforme gevelbepleistering, driehoekige frontons, schild- en mansardedaken, en rechthoekige of licht geloogde vensters vormen de voornaamste nieuwe kenmerken ervan.

De Lodewijk XIV-stijl, zogenaamd classicerende barok, en de Lodewijk XVI-stijl, zogenaamd classicisme, kenden in het arrondissement Sint-Niklaas geen grote navolging en zijn eerder te aanzien als een voorbereiding tot en een uiteindelijke verstrakking van de veel talrijker voorkomende Lodewijk XV-stijl of rococo.

De CLASSICERENDE BAROK

Het herenhuis, Kokkelbeekstraat 16 te Sint-Niklaas, daterend van 1735 is het vroegste voorbeeld van deze stijl. De ontpleisterde straatgevel zet aan op een zandstenen sokkel en is geritmeerd door gesuperposeerde pilasters; de centrale traveeën zijn bekroond door een driehoekig fronton, terwijl in het schildvormig mansardedak houten dakkapellen, eveneens met driehoekig fronton voorkomen.

De huidige voorgevel van het "Huis Clippeleer" te Beveren werd in 1748 aangebracht na verwijdering van de traditionele korfboogdeur, zandstenen kruiskozijnen en getrapt dakvenster zoals in de achtergevel nog te zien is.

Bij de voormalige boerderij van het Instituut Anna Piers aan de Kloosterstraat te Beveren, vinden we een doorleven van de traditionele vormentaal bij de twee korfboogdeurtjes met imposten, sluitsteen en afdekkende waterlijst. De als koetspoorten uitgewerkte drie eerste traveeën met effen bepleistering en breed driehoekig fronton is daarentegen een exponent van de nieuwe stijl.

De gemeentehuizen van Sint-Gillis-Waas en van Kemzeke respectievelijk van 1742 en van 1750 zijn beide verbouwingen van een oudere constructie. De evenwichtige voorgevels van vijf traveeën met effen bepleistering, rechthoekige of getoogde vensters, een vlakke, gedateerde fries en een driehoekig fronton (Kemzeke) hebben met hun voorgangers echter geen uitstaans meer.

Het ROCOCO

In de tweede eeuwhelft komen asymmetrische rocailleversieringen het classicistische vormenalfabet aanvullen. De strakke driehoekige frontons die door de achttiende eeuw heen standhouden, worden in sommige gevallen opzij geschoven ten voordele van een veel lossere vorm met gebogen afdekking en ovale, schelp- of niervormige doorbrekingen. Het meest toegepaste en daardoor tevens het meest in het oog springende kenmerk van deze Lodewijk XV-stijl in het arrondissement Sint-Niklaas is de rijk geprofileerde arduinen deuromlijsting, meestal in spiegelboogvorm en voorzien van een versierde waaier en rocaillesluitsteen. Het komt meermaals voor dat een overigens vrij banale lijstgevel wordt opgesmukt door een dergelijke deuromlijsting, die er meteen het enige betrouwbare dateringselement van vormt.

De vermoedelijk vroegste rococo-deuromlijsting dateert van 1752 en bevindt zich aan een in de negentiende eeuw gedeeltelijk gewijzigd woonhuis, Brugstraat 24 te Lokeren. De geblokte omranding ervan verwijst nog enigszins naar de barokstijl wat ook kan gezegd worden van de in 1875 verwijderde dakkapel met neerhangende voluten.

Zowat in elke gemeente van het arrondissement komen deze spiegelboogdeuren voor. Een zekere stijlevolutie kan aangetoond worden. Daar waar de omlijstingen uit het derde kwart der achttiende eeuw rijk geprofileerd zijn met een uitbundige sluitsteen en een zwierige waterlijst, zijn deze van de laatste kwarteeuw veel strakker van vorm. Stijve, hoekig geprofileerde rechtstanden, duidelijk uitgesneden zwikken, hetzij effen gehouden, hetzij versierd met zuivere rozetjes, en meestal een palmetvormige sluitsteen zijn er de hoofdkenmerken van. Enkele gedateerde voorbeelden van laatstgenoemde vorm: Vrasene, Smisstraat 16-18 (1777); Belsele, Hoge Bokstraat 35 (1777); Belsele, Belseledorp 85 (1781); Kemzeke, Kemzekedorp 15 (1776).

Het Land van Waas telt eveneens verschillende gebouwen waarvan de volledige gevel in rococostijl geconcipieerd is.

Het stadhuis van Lokeren werd in 1761 gebouwd naar ontwerpen van David 't Kindt, de belangrijkste architect van het Gentse rococo. Bij dit gebouw met geblokte penanten en mansardevormig dak is vooral het middenrisaliet geaccentueerd: een breed uitlopende, gebogen dubbele bordestrap van arduin klimt tot bij twee gekoppelde spiegelboogdeuren met sierlijke waaier, waarboven onmiddellijk een balkon met smeedijzeren leuning en rocaille-consoles aanzet; neerhangende rocailles flankeren de deurvensters terwijl het geheel bekroond wordt door een gebogen fronton met twee niervormige oculi. Mogelijk hierop geïnspireerd, kwam het nabijgelegen huis Groentemarkt 10 tot stand.

Sterk op elkaar gelijkende herenhuizen zijn dit in de Kasteeldreef 38 te Beveren van 1764 en de pastorie van Melsele van 1767. Beide gevels van vijf traveeën, gemarkeerd door kolossale pilasters en een centrale spiegelboogdeur in rijk geprofileerde arduinen omlijsting, werden jammer genoeg gedecapeerd, waardoor een rijke ornamentatie verloren ging.

De op deerniswekkende wijze verminkte huizenrij Houtbriel 25-30 te Sint-Niklaas, dateert van 1772 en vormt voor het Land van Waas een uniek geheel met opeenvolgende segmentboogvensters, spiegelboogdeuren en rocaillemotieven, terwijl de uiterste traveeën gemarkeerd zijn door een gebogen vooruitsprong met bossagewerk en boven de gekorniste kroonlijst dakkapellen en driehoekige frontons met niervormige oculi elkaar afwisselen.

Het CLASSICISME

Pas rond de jaren tachtig van de achttiende eeuw komt een provincialistisch geïnterpreteerde Lodewijk XVI-stijl in het arrondissement voor. Enkele imposante woningen en gebouwen werden opgericht in deze rechtlijnige stijl waar rechthoekige vensters dikwijls gevat zijn in een rechthoekige nis of van elkaar gescheiden zijn door lisenen of kolossale pilasters. Inzake decoratie komen stijve gecanneleerde consoles met dropmotief voor, evenals verdiepte borstweringen en afdekkende waterlijsten met festoenen.

Eenvoudige voorbeelden: Doel, Hooghuisstraat nummer 6, pastorie, Sint-Niklaas, Grote Markt nummer 38-39.

Monumentaal, doch thans moedwillig in een vervallen toestand verkerend, is het "Hof ter Saksen" te Beveren daterend van circa 1781. De middentraveeën van de bepleisterde voor- en achtergevel van het kasteel zijn risalietvormig uitgewerkt met een torenvormige bekroning. Rechthoekige vensters zijn ingeplant in een dito nis, terwijl de ronde oculi van de bovenverdieping afgedekt zijn door festoenen. Bij de oranjerie en de voormalige boerderij komen anderzijds gevelhoge lisenen en strakke driehoekige frontons voor.

Fraaie voorbeelden van herenhuizen treft men aan te Lokeren, Luikstraat 56, Markt 69, Vrijheidsplein 20 (1784), en te Temse, Oeverstraat 6.

De negentiende eeuw en de neostijlen

Het EMPIRE

In tegenstelling tot de grote steden waar de architectuur van de negentiende eeuw aanzet met de empirestijl, kan men hiervan geen zuivere voorbeelden aanwijzen in het onderzochte arrondissement. In uitzonderlijke gevallen kan men slechts spreken van empire-getinte gevels. Hierbij dient meteen opgemerkt te worden dat bij gebrek aan exacte dateringen deze term zowel slaat op panden uit de eerste eeuwhelft als op panden in zogenaamde Second-Empirestijl uit het derde kwart van de eeuw. De typische decoratiemotieven als griffioenen, sfinxen, meanders, rozetten, fakkels, kandelabers en dergelijke meer, komen nagenoeg niet voor, althans niet in de gevelversiering. Sporadisch vindt men medaillons met een klassiek vrouwenhoofd, zoals in de fries van het huis Kapellestraat 69 te Lokeren, en op de borstweringen van de bovenverdieping van het "Kasteel Moeland", Hospitaalstraat 19 te Sint-Niklaas. Frequenter treft men de typische rondboogvensters met boogomlijsting op imposten aan: onder meer Lokeren, Kerkstraat 9 (1831), Roomstraat 23, Stationsstraat 44-46 (1857); Eksaarde, Doorslaardorp 53; Sint-Niklaas, Kollegestraat 29-31 (1851), Plezantstraat 48-50.

Het NEOCLASSICISME

Burgerlijke architectuur. De invloed van J. Durands " Précis des Leçons d'Architecture données a l'Ecole Polytechnique" (Parijs, 1809) deed zich rechtstreeks of onrechtstreeks via onder meer het Brusselse Pachecogods-huis (1822) bij enkele ontwerpers gevoelen. De Dendermondse architect Johan Beeckman paste bij het Academiegebouw, Grote Kaai 2 te Lokeren (1834) diens ideeën van classicerende, strenge eenvoud toe: onderaan een open galerij (later dichtgemetseld) met rondbogen rustend op vereenvoudigde klassieke pijlers van inheemse blauwe hardsteen; bovenaan rechthoekige vensters zonder de minste omlijstende versiering, enkel met elkaar verbonden door de doorgetrokken onderdorpels.

Vrij snel evolueert men tegen het midden van de negentiende eeuw naar een veel meer versierde architectuur. Voortbouwend op de monumentaalbouw in Lodewijk XV- en XVI-stijl komen een aantal hierop geïnspireerde gebouwen tot stand: de voorgevels van het "Kasteel Moeland" en van het College (1850) te Sint-Niklaas zijn hiervan voorbeelden. De statige bepleisterde en beschilderde gebouwen met kolossale Ionische pilasters en een driehoekig fronton trachten de praal van hun voorgangers te evenaren. Ook bij enkel rijhuizen werd deze stijlrichting toegepast: onder meer Temse, Akkerstraat 59, Kasteelstraat 22.

Opmerkelijk is het soms voorkomende zogenaamd Palladiaans drielicht met centraal rondboogvenster geflankeerd door twee smallere en slechts tot aan de boogaanzet reikende rechthoekige venstertjes. Een zuiver voorbeeld hiervan was te zien aan het in 1977 gesloopte huis Plezantstraat 21 te Sint-Niklaas (1854). Nog bestaande voorbeelden zijn: Eksaarde, Eksaarde-dorp 104-106 en Rechtstraat 311. Bij laatstgenoemde zijn de zijvenstertjes blind gehouden. De vensters van de reeds besproken, in 1851 aangebouwde vleugel van het College te Sint-Niklaas, evenals van het hoekhuisje Kasteelstraat 98 te Temse vertonen als het ware hetzelfde schema maar in een repetitief concept: de zijvensters zijn er gereduceerd tot rechthoekige spaarvelden op de tussenliggende penanten.

De door de textielnijverheid opbloeiende steden Lokeren en Sint-Niklaas, kenden rond het midden der negentiende eeuw een grote uitbreiding, voornamelijk gestimuleerd door de aanleg van de spoorweg "Het Land van Waas" in 1844. De nieuw ontworpen kwartieren gelegen tussen het oude stadscentrum en de spoorweg werden - vooral te Sint-Niklaas - in een vrij snel tempo volgebouwd. Deze straatbeelden zijn in hoge mate gekenmerkt door uniforme witbepleisterde lijstgevels met rechthoekige muuropeningen in geriemde omlijstingen, al dan niet met een versierde sluitsteen, waarbij de herhalingsfactor primeert op de individuele behandeling van elk pand.

De belangrijke rol die stadsarchicten in deze periode speelden, kan niet miskend worden. Niet alleen ontwierpen zij de aanleg van de nieuw te trekken straten, doch zij zorgden tevens in grote mate voor de architecturale invulling ervan. Ook staan de belangrijkste gebouwen in andere stadsgedeelten evenals in de omliggende dorpen bijna steeds op hun naam. Zo ontwierp Jan-Jozef Stevens tijdens zijn ambtstermijn te Lokeren (1849-1859) enkele voor deze stad beeldbepalende gebouwen in neoclassicistische stijl: het "Hospice des Orphelins", later muziekacademie op het Kerkplein (1853-1854), het "Brouwersgasthof", Stationsstraat 44-46 (1857), de stadsschool in de Schoolstraat (1858). Te Sint-Niklaas waren Jan De Somme-Servais en Edmond Serrure de leidende architecten. De Somme-Servais startte zijn loopbaan als stadsarchitect (1840-1859) met de bouw van een nieuw stadhuis op de Grote Markt. Dit in 1874 afgebrand gebouw was met zijn strenge symmetrie en zijn centrale open portiek met driehoekig fronton op kolossale Korinthische zuilen sterk verwant aan het in opbouw zijnde Gentse gerechtshof. Hij tekende in 1848 het nieuwe stationskwartier uit en ontwierp in de Stationsstraat alleen al, voor zover wij het hebben nagegaan, minstens zes belangrijke panden tussen 1851 en 1857.

Buiten Sint-Niklaas was hij bedrijvig als restaurateur en ontwerper van voornamelijk neogotische kerken, geïnspireerd op de Brabantse hoog-gotiek: Kemzeke Sint-Jacobus (1847), De Klinge Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart (1848), Klein-Sinaai Onze-Lieve-Vrouw (1853), Kieldrecht Sint-Michiel (1854).

Edmond Serrure was stadsarchitect van Sint-Niklaas van 1860 tot 1895 en debuteerde met urbanisatieplannen, onder meer het rechttrekken van de Onze-Lieve-Vrouwestraat. Tevens bouwde hij een groot aantal neoclassicistische woonhuizen in de Casino- en Regentiestraat. Ook voor grotere burgerlijke gebouwen hanteerde hij deze stijl: zie onder meer de stadskliniek in de Lodewijk De Meesterstraat (1863-1866), het gemeentehuis van Beveren (1863), de voormalige pastorie te Meerdonk (1874).

Voor de kerkelijke architectuur richtte ook bij zich tot de typisch christelijke neogotiek: Elversele Sint-Margareta (1867, niet uitgevoerd), Haasdonk Sint-Jacobus (1868-1872), Stekene Heilig Kruis (1871, niet uitgevoerd), Sint-Niklaas Sint-Jozef (1872-1878).

Andere toonaangevende bouwmeesters te Sint-Niklaas waren Pieter Van Haver en Jules De Somme die een aanzienlijk aantal burgerhuizen in Stations- en Casinostraat realiseerden in de jaren 1860-1870, en Ernest Delmez en Henri Derre die voornamelijk in de jaren 1880-1890 werkzaam waren.

Buiten de stedelijke centra waren slechts uizonderlijk architecten betrokken bij het oprichten van gebouwen. In vele gevallen bleek een datering of althans een situering mogelijk aan de hand van de opvallend talrijk voorkomende arduinen deuromlijstingen. Vijf verschillende types kunnen hierin onderscheiden worden. Tot het oudste en tevens meest eenvoudige behoren de rechthoekige, vlakke omlijstingen met slechts een licht geprofileerd beloop en al dan geen afdekkende waterlijst. Op het einde van de achttiende eeuw opkomend, wordt dit type aangewend tot circa 1810. Een uitzondering hierop vormt de deuromlijsting Oostlangeweg 15 te Doel, daterend van 1849.

Nagenoeg een gelijktijdig verloop kenden de deuromlijstingen in Lodewijk XVI-stijl met vlakke rechtstanden, een geprofileerd beloop en een hoofdgestel gedragen door trigliefconsoles met dropjes. Kemzeke, Hoekstraat 10 van 1786 buiten beschouwing gelaten, is Stekene, Oost-Eindeken 36 van 1804 het oudste voorbeeld, terwijl Melsele, Heirbaan 107, daterend van 1812 chronologisch dit type afsluit.

Meer dan dertig jaar later ontstond een hiervan afgeleid type met gecanneleerde bovenlichtrechtstanden onder een diamantkop. De periode waarbinnen dit zich situeert, begint in 1844 (Kallo, Hoog Kallo 42) en eindigt in 1866 (Haasdonk, Ropstraat 25).

De vlakke omlijstingen met neoclassicistisch lijstkapiteel, effen fries en rechte kroonlijst troffen wij aan van 1830 (Kruibeke, Molenberg 64) tot 1884 (Haasdonk, Willem Van Doornyckstraat 35).

Het vijfde en laatste type wordt gevormd door de vlakke arduinen omlijstingen met gestrekte waterlijst op gecanneleerde voluutconsoles, al dan niet voorzien van een schelpmotief onderaan. Kemzeke, Kemzekedorp 32 van 1836 en Stekene, Polenlaan 21 van 1887 zijn hiervan de twee uiterste voorbeelden. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werden de bovenlichten meestal decoratief voorzien van ijzeren traceerwerk, opgevuld met ruitjes van verschillende kleur. Het is opmerkelijk hoeveel identieke traceringen evenals deuromlijstingen zelf doorheen het hele onderzochte arrondissement voorkomen, zodat in dit verband zou kunnen gedacht worden aan een beperkte groep gespecialiseerde vaklui en eventueel zelfs aan het bestaan van getekende modellen waaruit de opdrachtgevers konden kiezen.

Kerkelijke architectuur. De neoclassicistische stijl vonden wij bij zes kerken in het arrondissement toegepast. Architect S. Altenrath verbouwde in 1834-1836 het kleine kerkje van Meerdonk, waaraan J. De Somme-Servais in 1839 het koor toevoegde. De voorgevel is verticaal en horizontaal sterk geleed door de kolossale zandstenen pilasters en kroonlijst, terwijl het centraal risaliet bekroond is met een driehoekig fronton.

J. Depauw ontwierp in 1837 een nooit uitgevoerde westgevel voor de Sint-Catharinakerk te Sinaai. Ook hier weer markeerden kolossale pilasters de gevel waarvan de hele top als driehoekig fronton was opgevat. Het interieur werd, na aanpassingen door architect Lodewijk Roelandt wel uitgevoerd in neoclassicistische stijl met rondzuilen voorzien van een eenvoudig lijstkapiteel en ronde scheibogen met casementen.

De Sint-Pauluskerk te Sint-Pauwels onderging in 1844 een grondige wijziging waarbij onder meer een westgevel tot stand kwam die zeer sterke gelijkenissen vertoonde met het juist besproken ontwerp van architect Depauw. Een driehoekig fronton bekroonde echter alleen de risalietvormige ingangstravee. Deze gevel werd in 1910 verwijderd en vervangen door één in neogotische stijl.

De Antwerpse stadsarchitect Lodewijk Serrure breidde in 1842 de achttiende-eeuwse benedenkerk van Kallo in aangepaste stijl uit. In 1865-1869 volgde een nieuwe uitbreiding, ditmaal door architect E. de Perre-Montigny, waarbij de huidige voorgevel werd gebouwd. Kenmerkend zijn de zware geblokte pilasters, de poort en het doksaalvenster in een arduinen omlijsting met gebogen fronton, en de vierkante toren met afgeschuinde hoeken, rondbogige galmgaten en markerende negblokken van zandsteen. Een sterk gelijkende kerk werd door dezelfde architect gerealiseerd te Eksaarde-Doorslaar. Ook hier weer is de bakstenen voorgeveltoren, van 1868, voorzien van zandstenen negblokken, rondbogige galmgaten en een portaal en doksaalvenster in arduinen omlijsting met respectievelijk gebogen en driehoekig fronton. Ook het interieur is op analoge wijze uitgewerkt: rondzuilen met achtzijdige sokkel en klassiek lijstkapiteel, rondbogige scheibogen waarboven een gekorniste kroonlijst.

Bij de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk te Doel was in 1850 architect A. Fumière werkzaam. Zijn ontwerpen werden door Lodewijk Roelandt als lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen grondig aangepast, zodat de kerk die in 1851-1854 tot stand kwam, niet geheel terecht aan laatstgenoemde wordt toegeschreven. De voorgevel met zijn zandstenen lisenen en rechthoekige arduinen deuromlijsting, evenals het interieur met zuilen met klassiek kapiteel, rondbogige scheibogen en gekorniste kroonlijst zijn volledig in neoclassicistische stijl. De neoromaanse galmgaten daarentegen verraden ook hier weer de eclectische ingesteldheid van Roelandt.

De NEOGOTIEK

Nagenoeg terzelfdertijd als het neoclassicisme, ontstond in het tweede kwart der negentiende eeuw de nationaal geïnspireerde en christelijk getinte neogotiek. Daar waar eerstgenoemde stijl toonaangevend was voor de burgerlijke architectuur, bepaalde de neogotiek op zijn beurt in overweldigende mate de vormentaal der kerkelijke bouwkunst. Een ongekende activiteit met meestal sterk beeldbepalende gebouwen als resultaat ontplooide zich in deze stijl. Voorloper in het arrondissement Sint-Niklaas was architect Francois Verly met zijn verbouwing van het "Kasteel van Wissekerke" te Bazel in 1811. De sombere middeleeuwse burcht die reeds herhaalde malen ingrijpende wijzigingen had ondergaan, werd door Verly in een speelse spitsbogenstijl aangepast tot een, althans wat de voorgevel betreft, evenwichtig geheel.

Gedurende meer dan dertig jaar kende de hier gebruikte of herbruikte stijl geen navolging in het Land van Waas. Tegen het einde van de jaren 1840 kwam hierin echter een kentering die pas werd gestuit door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Talrijke architecten hebben zich van deze stijl bediend. Wij vermeldden reeds hoger Jan De Somme-Servais en Edmond Serrure die naast hun burgerlijk oeuvre in neoclassicistische stijl ook heel wat neogotische kerken optrokken. In dezelfde periode zijn geestelijken als J. Clarysse (zie Melsele, Onze-Lieve-Vrouw van Gaverlandkapel, 1862-1870) en J. De Roubaix werkzaam (zie Sint-Niklaas, Nieuwstraat 75. Heilige Hieronymuskapel, 1870-1872). In het laatste kwart van de vorige en in het begin van deze eeuw treffen we sporadisch volgende architecten aan: E. Delmez, A. Depauw, H. Derre, J. Geerts, E. Neve, F. Smet. Alom gekend en fel gegeerd als ontwerpers van verbouwingen, restauraties en nieuwbouw waren Pieter Van Kerkhove, Julius Goethals, Henri Geirnaert. Naargelang hun interesse, hanteerden de enen een vormentaal teruggrijpend naar de vroeg-gotische Scheldegotiek, terwijl anderen hun inspiratie zochten in de Brabantse hoog-gotiek. Meestal bleven zij hun aanvankelijke keuze tijdens hun hele loopbaan trouw.

Burgerlijke architectuur in neogotische stijl komt relatief weinig voor. Behalve enkele gemeentehuizen (zie Belsele, 1899, architect H. Derre; Stekene, 1882-1883) komen in de landelijke gemeenten bijna uitsluitend pastorieën, scholen en kloosters in deze stijl voor, doch daar was de religieuze factor bepalend voor de stijlkeuze. Het komt zelfs voor dat dezelfde architect de dorpskerk, -pastorie en -school samen ontwierp (zie Kieldrecht, Prosperpolder). De toestand in de stedelijke centra was enigszins anders. Te Sint-Niklaas was Pieter Van Kerkhove de promotor van deze stijl. Na de bouw van het monumentale stadhuis (1876) kreeg hij verschillende opdrachten voor burgerhuizen: zie onder meer Zamanstraat 49 (1878), Plezantstraat 9 (1879, gesloopt 1977), Onze-Lieve-Vrouwestraat 32 (1881).

Te Lokeren is de eenheidsbebouwing Koophandelstraat 2-26 ontworpen door architect E. van Peteghem in 1906 een unicum voor het arrondissement Sint-Niklaas.

Het ECLECTICISME

Het eclecticisme beperkte zich als mengstijl niet tot één bepaalde bron of stijlperiode doch bracht verschillende elementen in één gebouw bijeen tot een eerder anachronistisch geheel.

Inzake kerkbouw is de belangrijkste bij naam gekende architect Lodewijk Roelandt. De door J. Depauw in 1837 ontworpen neoclassicistische westgevel van de Sint-Catharinakerk te Sinaai werd door hem gewijzigd om een beter geheel te vormen met de vroeg-gotische vieringtoren en transeptarmen. Naast gotiserende elementen als steunberen, korfboogportaal en radvenster, stelde hij classicerende rondboogvensters en -nissen. Te Doel voorzag hij in 1850 de neoclassicistische kerk van neoromaanse galmgaten. Zijn indrukwekkendste creatie is echter de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Sint-Niklaas, ontworpen in 1841 waarin hij zowel neoromaanse, neo-Byzantijnse als neogotische elementen bij elkaar bracht tot en verrassend geheel.

Bij de burgerlijke architectuur zijn behalve enkele woonhuizen ook verschillende gemeentehuizen in eclectische stijl opgetrokken. Architect E. de Perre-Montigny bracht in 1864 in het gemeentehuis van Meerdonk neoromaanse vensters aan en bekroonde de voorgeveltop met een neoclassicistische aedicula. Het gemeentehuis van Kallo (1911) is in een overwegend neorenaissancistische stijl opgetrokken, terwijl bij dit van Temse (1905) door architect Karel Nissens voornamelijk neotraditionele en neobarokke elementen werden samengepast. Nog te Temse is het alleenstaand herenhuis Cauwerburg 113 (1880) interessant voor de versmelting van neogotische spitsboogmotieven met een neorenaissance halsgevel met rolwerk en fronton.

Van de romantisch-pittoreske richting binnen het eclecticisme, geïnspireerd op de Engelse cottagestijl met imitatie vakwerk en houten puntgevels, kunnen voornamelijk te Lokeren enkele voorbeelden uit het einde van vorige-begin van deze eeuw aangewezen worden: Kerkstraat 8 (1891, architect Theo Welvaert), kasteel "Verloren Bos", Nijverheidsstraat (1899-1900, architect E. Van Hoecke), Bergendriesstraat 21-35 (1901, architect Alphonse de Pauw), Groendreef 10 ,"Villa Geurts" (1908, architect Henri Van den Broucke), Koophandelstraat 28-42 (1910, idem). In dezelfde geest kwamen in sommige kloosterparken Mariagrotten tot stand, opgebouwd uit rotsblokachtige cementconstructies: Belsele, Kasteeldreef 5-9; Sinaai, Sinaaidorp 9, klooster van Maria Reparatrix. Tevens werden in parken van kastelen of herenhuizen soms romantische achtzijdige tuinhuisjes of prieeltjes opgericht, bestaande uit knoestige lindebomen waartussen een opvulling van leem of baksteen en afgedekt door een geriet tentdakje: Beveren, Vesten 86-88, kasteelpark "Cortewalle"; Sint-Niklaas, Tereken 18, park Heilig Hartinstituut; Belsele, Belseledorp 112.

De belangstelling voor het exotische, meer bepaald voor de Egyptische cultuur vonden we terug bij enkele interieurs. In 1866-1877 liet ridder de Schoutheete de Tervarent de eetzaal van zijn "Moelandkasteel", Hospitaalstraat 19 te Sint-Niklaas volledig in neo-Egyptische stijl aankleden. Ook kunstschilder August Sloor versierde op deze wijze in dezelfde periode de eetzaal van zijn kasteel, Kasteeldreef 14 te Temse. In 1906 bracht graaf Vilain XIIII in de ,"salle de compagnie" van zijn "Kasteel van Wissekerke" te Bazel deuromlijstingen aan in de vorm van sfinxen.

Ook de nieuwe materialen als gietijzer en staal werden door de architecten gretig aanvaard en verwerkt in hun constructies. Empire-getinte medaillons werden eerst van gietijzer gemaakt en na bevestiging op de gevel, overschilderd. Hetzelfde gebeurde met de schelpvormige ornamenten op de middenstaander van houten ramen en zelfs met geprofileerde vensteromlijstingen onder de stucbepleistering (zie Lokeren, Oude Bruglaan 1-3). Anderzijds werden de nieuwe mogelijkheden ook openlijk aangewend zoals bij kunstige straathekken en kiosken. De combinatie van gietijzer en staal met glas leidde tot de realisatie van totaal nieuwe ruimten zoals wintertuinen en speelzalen: zie onder meer Sint-Niklaas, Ankerstraat 103, wintertuin Sint-Luciagesticht, Sint-Niklaas, Kollegestraat 29-31, speelzaal college.

NEOROMAANS, NEOTRADITIONELE STIJL, NEO-VLAAMSE RENAISSANCE, NEOBAROK

In de geest van de neogotiek ging men nu ook uit de andere nationale stijlen putten.

Verschillende dorpsscholen werden in een neoromaanse stijl gebouwd: Stekene, Kerkstraat 4, Sint-Jozefinstituut (1867), 63-65, jongensschool (1865); Sint-Gillis-Waas, Kerkstraat 103. Ook het gemeentehuis van Tielrode (1858, architect E. de Perre-Montigny). Op religieus gebied zijn ons vooral bekend de kapel van Onze-Lieve-Vrouw Presentatie, Plezantstraat 23 te Sint-Niklaas (circa 1850); de kapel van het Klein Spinhuis, Kalkstraat 52-54 en de Heilig Hartkapel, Kleibeekstraat, Sint-Niklaas (beide van 1875, architect J. Bruyenne), de huiskapel van het klooster der zusters Jozefienen, R. Van Britsomstraat 17 te Sint-Niklaas (1878, architect Frans Smet) en de vierkante voorgeveltoren van de Sint-Jan-de-Evangelistkerk te Steendorp (1889, architect August Van Assche). Ook de Sint-Pauluskerk in de F. Hanusdreef te Lokeren werd in een late neoromaanse stijl uitgevoerd (1922-1926, architect H. Jacquelin).

De neotraditionele stijl is vooral te Lokeren zeer goed vertegenwoordigd: zie onder meer Roomstraat 2-18 (1911-1912), Luikstraat 38-40 (1925, architect H. Van den Broucke).

Een prachtig voorbeeld van neo-Vlaamse renaissancestijl is het herenhuis Kalkstraat 17 te Sint-Niklaas (1895, architect F. Van Goethem). Verschillende interieurs werden in deze stijl van eigen bodem aangekleed: een salon in het "Kasteel van Wissekerke" te Bazel (1906), een salon in de Kasteeldreef 14 te Temse (1877), de zogenaamde Verlatzaal en de hal in het "Kasteel Cortewalle" te Beveren (respectievelijk 1878 en 1910).

Ook de neobarokstijl kwam aan bod onder de vorm van een rijke geveldecoratie: Lokeren, Stationsstraat 13 (1869, architect Jozef Welvaert) en Stationsplein 10 (1883, architect E. Van Hoecke). Als uitzondering werd de kapel van de H. Philippus Nerius (1852), Ankerstraat 103 te Sint-Niklaas ook in deze stijl gebouwd (zie de pilasters met Korinthisch kapiteel en het koepelgewelf met rozetten in cassementen).

Industriële archeologie

De industriële omwenteling heeft in bepalende mate haar stempel gedrukt op onze maatschappij en derhalve op ons landschap; de industriële archeologie stelt zich tot taak de sporen daarvan terug te vinden. Binnen het kader van deze inventarisreeks van het bouwkundig erfgoed werd dan ook aandacht besteed aan het onroerend industrieel-archeologisch patrimonium, en daar waar mogelijk en/of nog voorhanden, werd tevens een blik geworpen op roerende onderdelen, onroerend door bestemming (machines).

Het industrieel-archeologisch patrimonium wordt heden in toenemende mate bedreigd. Oude fabrieksgebouwen en machines blijken nog weinig functioneel en rendabel te zijn en worden dus volledig gewijzigd; sommige bedrijfstakken worden door nieuwe uitvindingen totaal uitgeschakeld; arbeidershuizen blijken in vele gevallen niet duurzaam genoeg gebouwd te zijn om behouden te blijven en gerenoveerd te worden. Nochtans zijn nog enkele relicten bewaard, zodat na aanvulling door archiefonderzoek zeker nog een globaal beeld van dit patrimonium kan geschetst worden.

Molens. Volgens een inventaris opgesteld in 1977 door Werner Smet (Kijk op het Waasland, Nieuwkerken-Waas, 1977, p. 18) bezat het arrondissement Sint-Niklaas vóór 1900 honderddrieëntwintig molens. Dit aantal daalde tot zevenenzeventig in 1900, zesenveertig in 1923, zeven in 1950. Sinds 1955 zijn slechts drie exemplaren in min of meer gave toestand bewaard, althans wat het gebouw betreft, namelijk de "Scheldemolen" te Doel, de "Roomanmolen" te Sint-Pauwels en de "Witte Molen" te Sint-Niklaas. Daarnaast bezit het arrondissement nog drie molenrompen, namelijk één te Beveren (Vesten 68), één te Lokeren (Heirbrugstraat 160-162) en één te Belsele (Belseledorp 17). Te Rupelmonde hebben we nog een voorbeeld van een watermolen met binnenrad. Te Vrasene vonden we een rosmolen (Mosselbank 35).

Niettegenstaande het hoog aanzien die de molens eertijds bezaten als belangrijke constructies naast kerk en kasteel, en de enorme aandrijfkracht die zij opwekten voor verschillende nijverheden, zijn zij toch zo goed als uitgeroeid in het Land van Waas. Oorzaken hiervan zijn enerzijds de toevallige ongelukken (oorlog, brand, blikseminslag, storm) doch anderzijds, én wellicht in belangrijker mate, de vooruitgang van de techniek. De uitvinding van de stoommachine en later van de gaspower en de dieselmotor maakte het mogelijk te malen zonder wind- of waterkracht waardoor een constante produktie verzekerd kon worden. Veelal kochten de bestaande molenaars ook een stoommachine aan en bouwden naast hun molen een constructief veel eenvoudiger mechanische maalderij. Voorbeelden hiervan komen nog vrij talrijk voor in het onderzochte arrondissement doch bijna steeds in en grondige staat van verval, te wijten aan het reeds jaren geleden stopzetten van elke activiteit. Het uitzicht van de eerder kleine gebouwen is meestal eenvoudig rechthoekig onder een zadeldak. In enkele gevallen echter was het bedrijf ondergebracht in een klein rechthoekig gebouwtje met afgeschuinde hoeken (zie onder meer Meerdonk, Turfbanken 27; Stekene, IJzerhandstraat 1). Of dit oorspronkelijk rosmolens waren, eventueel met binnenin lopend paard, of dat het hiervan slechts een afgeleide vorm betreft, kon niet met zekerheid worden uitgemaakt. Inzake technische infrastructuur waren in overwegende mate twee koppels maalstenen aanwezig, één voor tarwe en één voor rogge,- naast elkaar opgesteld op een eikehouten stoel waarin de transmissie-assen zijn ondergebracht (houten tandwielen op de assen, ijzeren tandwielen aan de maalstenen). Tussen beide koppels stenen stond de "galg" waarmee de bovenste stenen opgelicht en gekanteld werden om manueel gescherpt te worden. Minder frequent werden drie koppels maalstenen aangetroffen. Slechts in één geval (Tielrode, Molenstraat 2) stonden deze in een driehoek opgesteld. Ook haverpletters kwamen steeds voor, terwijl builmolens niet overal werden aangetroffen.

Door het te kostelijk worden van de noodzakelijke brandstof enerzijds en van de (kunst)stenen anderzijds, zijn zo goed als alle maalderijen buiten werking geraakt; slechts enkele zijn overgeschakeld op elektrische aandrijfkracht en het gebruik van hamermolens.

Het vluchtig onderzoek naar het bestaan van voormalige mouterijen en brouwerijen bracht een opmerkelijk groot aantal overblijfselen van deze bedrijven aan het licht. De technische infrastructuur was echter, met uitzondering van deze in de voormalige mouterij Claus, Sinaaidorp 100 te Sinaai, overal verwijderd. Alleen de vorm en de indeling van de gebouwen verraden nog hun vroegere functie.

De voorheen in het Land van Waas zeer talrijk voorkomende huisnijverheid als weven en kantklossen heeft geen typische architectuur voortgebracht. De beoefenaars van deze ambachten verdienden een uiterst karig loon en woonden dan ook in kleine arbeidershuisjes. Bij de klompenmakerijen daarentegen kunnen verschillende gebouwtjes onderscheiden worden zoals de zogenaamde blokstal, de droogschuur en het rookoventje. Typologisch kunnen zij in twee groepen ingedeeld worden, namelijk deze met in het woonhuis ingebouwde blokstal en deze met losstaande blokstal. In de meeste gevallen kwam geen afzonderlijke droogschuur voor doch werden de klompen gedroogd op de zolderverdieping waarvan de houten wanden deels opgetrokken waren uit een gesloten liggende bebording en deels uit een open schoepenbebording op stijlen, beschermd door een sterk overkragende dakrand (zie Beveren, Glazenleeuwstraat 62). Het teloorgaan van de ambachtelijke klompenmakerijen werd bewerkstelligd door de invoering van de mechanisering voor de meest tijdrovende behandelingen als versnijden, uitboren en polieren. Ook de mechanische klompenmakerijen moeten door de opkomst van nieuwe materialen en produktiemethoden meer en meer het werk stopzetten. In het onderzochte gebied vonden wij er nog slechts één in werking: Sint-Gillis-Waas, Holstraat 13.

Door het systematisch uit de binnenstad weren van fabriekscomplexen, zowel te Lokeren als te Sint-Niklaas en deze over te brengen naar nieuw aangelegde industrieparken, zijn zo goed als alle industrieel-archeologisch belangrijke relicten van de zeer bloeiende textielnijverheid verloren gegaan. Hoogstens kunnen nog enkele fabrieksgebouwen opgespoord worden uit het begin van deze eeuw, in een functionele baksteenarchitectuur zonder veel ornamentiek en gevat onder de typische zaagdaken. Bij enkele ervan, voornamelijk ontstaan in de tweede helft der vorige eeuw, werden gietijzeren zuiltjes als ondersteuning van de kapconstructies aangetroffen. Het gering aantal overgebleven en onderzochte gebouwen liet echter niet toe een chronologische evolutie in de bouwwijze op te stellen.

De toestand bij de steenbakkerijen is al niet veel beter. Het onderzoek ter plaatse kon zelfs geen gelijke tred houden met de sloping van de oudste bedrijven te Stekene, Steendorp en Tielrode. Schrijnend was tevens ons bezoek aan de steenbakkerij "De Herleving", Nieuwstraat 11 te Sint-Gillis-Waas enkele dagen nadat de produktie was stilgelegd. Dit was de laatste Wase steenbakkerij waar nog gebruik gemaakt werd van een paard voor het trekken van de kleine spoorwagons met de ongebakken stenen. Behalve de zogenaamde Hoffmannovens werden geen industrieel-archeologische ovens genoteerd.

Wat het gebruik van ijzer betreft, bezit het arrondissement Sint-Niklaas twee fraaie voorbeelden van hangbruggen: één te Bazel over de parkvijver van het "Kasteel van Wissekerke", en één te Beveren bij het "Kasteel Cortewalle". Eerstgenoemde werd tussen 1820 en 1825 ontworpen door ingenieur Vifquin en zou naar verluidt de oudste van het continent zijn. Zoals gebruikelijk bij deze oudste modellen is hij samengesteld uit platte smeedijzeren stangen die door middel van schakels met elkaar verbonden zijn. Bij deze te Beveren, daterend van circa 1905 werd daarentegen gebruik gemaakt van kabels bestaande uit tot draad getrokken ijzer. Men had namelijk ontdekt dat tot draad getrokken ijzer aan een veel hogere "trek"-belasting kon weerstaan.

De kwantitatief belangrijkste tak van de industriële archeologie in het onderzochte gebied wordt gevormd door de arbeiderswoningen. Minder voorkomend in landelijke gemeenten, treft men deze echter in overweldigende mate aan te Beveren, Lokeren, Sint-Niklaas en Temse. Het grootste aantal werd gebouwd in rijen langs de bestaande rooilijnen. Te Lokeren evenwel kon een relatief aanzienlijk aantal beluiken worden opgespoord. Zowel het repetitief als het spiegelbeeldschema komt voor. De huisjes zijn uiterst sober opgebouwd met baksteen en een pannen zadeldak. Slechts af en toe merkt men enige vorm van versiering door beschilderde muurbanden, uitgewerkte muurankers en friezen van blauwe baksteen. De oudste voorbeelden (eerste helft der negentiende eeuw) bezaten een witgekalkte voorgevel met gepikte plint. Ook in de opbouw is een chronologische evolutie merkbaar, gaande van de huisjes van slechts één bouwlaag, over deze met anderhalve bouwlaag, naar deze met een volwaardig uitgebouwde bovenverdieping. Als ontlasting van de muuropeningen werd bijna steeds de steekboog aangewend; nochtans komen sinds het begin van deze eeuw ook rechthoekige deuren en vensters voor met ijzeren I-balken als latei.

Na de Eerste Wereldoorlog waaide vanuit Engeland de tuinwijkgedachte naar ons land over. Verschillende "Gewestelijke Maatschappijen voor Huisvesting" trachtten deze nieuwe manier van wonen ook in het arrondissement Sint-Niklaas in te voeren, doch zij slaagden er slechts in de buitenlandse voorbeelden formalistisch na te bootsen zonder zich om de inhoudelijke betekenis ervan te bekommeren. Men denke aan Beveren, Gentseweg 68-112, daterend van 1923-1924; Haasdonk, Zandstraal 28-58 en 96-114, daterend van 1922 (architect F. Van Rompaey); Kruibeke, Bazelstraat 60-90, daterend van 1923 (architecten F. Van Rompaey en F. Cools). Anderzijds lieten ook sommige fabrieksdirecteuren woningen voor hun arbeiders oprichten zoals Ferdinand Hanus te Lokeren in 1921 en Edmond Meert in de Lindenstraat te Sint-Niklaas in 1927.

Niettegenstaande het Land van Waas vroeger over een goedvertakt spoorwegnet beschikte, met de verbindingen Antwerpen-Gent, Sint-Niklaas-Dendermonde, Mechelen-Terneuzen, Moerbeke-Sint-Gillis en Lokeren-Zelzate, is er van de oorspronkelijke stationsarchitectuur uiterst weinig bewaard gebleven. Op de vier laatstgenoemde gedesaffecteerde lijnen komen nog sporadisch voormalige treinwachtershuisjes voor van het standaard-type met drie traveeën, anderhalve bouwlaag, steekboogvensters en zadeldak met brede overstek. Op eerstgenoemde lijn vindt men de hiervan afgeleide grotere stationnetjes terug te Beveren en Sinaai. De oorspronkelijke hoofdstations te Lokeren en Sint-Niklaas, in de jaren 1845-1850 gebouwd door architect J.J. Stevens in een sterk op elkaar gelijkende statige neoclassicistische stijl, werden respectievelijk in 1940 en in 1972 gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Ook het eindstation te Lokeren van de "Dender en Waas"-lijn, ontworpen door architect J.P. Cluysenaar in een pittoreske neotraditionele stijl werd op 28 mei 1940 door vijandelijke bommen definitief van de kaart geveegd.

De twintigste eeuw

ART NOUVEAU

Deze vlak voor de eeuwwisseling ontstane nieuwe eenheidsstijl werd door velen ervaren als een gelukkige bevrijding uit het eclecticisme. In het arrondissement Sint-Niklaas zijn geen vroege voorbeelden aan te wijzen; de art nouveau situeert er zich in de korte periode tussen 1902 en 1914 en komt voornamelijk voor in de steden Lokeren en Sint-Niklaas waar voor nog onbebouwde percelen hele rijen als ensembles werden ontworpen.

Zonder van een revolutionaire verandering te kunnen spreken, trad toen voor het eerst en schuchtere nieuwe gevelindeling op: als basis werd nog steeds het traditionele enkelhuistype aangewend, doch er groeide een onderscheid in de behandeling van deur- en venstertraveeën. Beide delen evolueren in de diepte en vooral in de hoogte los van elkaar. Bij de venstertraveeën komt per bouwlaag tevens een verschillend aantal muuropeningen voor. De bel-etage wordt regelmatig gemarkeerd door een houten of stenen erker, soms over twee verdiepingen uitgebouwd, of door een breed drie-kwartcirkelvormig venster. Behalve rechthoekige vensters komen ook steek-, korf-, rond- en hoefijzerbogige muuropeningen voor, evenals twee- en drielichten. Verdiepte borstweringen, hoogvelden en friezen worden decoratief opgevuld met tableaus van faïencetegels of van sgraffito. Steeds weerkerende motieven zijn planten, bloemen, vruchten, vrouwenhoofden met lang haar in de typische zweepslagstijl uitgevoerd. Als bijkomende verfraaiingen komen ook dikwijls smeedijzeren balkonhekken en nokversieringen voor.

De fraaiste voorbeelden te Lokeren treft men aan: Stationsplein 13-18 (1906-1909), Stationsstraat 10-22 (1911, architect Theo Welvaert), Vrijheidsplein 19 (1907). Te Sint-Niklaas werd de in 1902 geopende Prins Albertstraat bebouwd met voornamelijk art-nouveaugetinte burgerhuizen, met als merkwaardigste 20 (1904, architect F. Van Goethem), 43 (1905, idem), 45-47 (1903, architect J. Welvaert). Stadsarchitect August Waterschoot realiseerde meer traditionele gevels, echter met een uiterst rijke decoratieve opvulling: Regentieplein 16 (1902), H. Sacramentstraat 1 (1906).

In Temse kwam vooral gemeentearchitect Karel Nissens tot enkele realisaties in deze stijl: Stationsstraat 3 (1905). Ook in de buitengemeenten komen relatief veel voorbeelden van de art-nouveaustijl voor, doch meer als losstaande specimina. De uitgangsvormen zijn er nog veel traditioneler dan in de steden; enkel in details komen de gekende motieven voor. Bij gebrek aan archivale gegevens hierover kan geen exacte datering doorgevoerd worden en kan ook de naam van de architect moeilijk achterhaald worden. De sporadisch aangebrachte signaturen in de gevelplint doen ons echter alweer de namen van de steedse architecten kennen.

ART DECO

In het onderzochte arrondissement komt art-deco-architectuur overwegend en bijna uitsluitend voor in Sint-Niklaas, de stad die zich in de tussen-oorlogse periode in volle expansie bevond. Elders treft men er slechts alleenstaande voorbeelden van aan.

Inzake vormentaal dringt zich een drieledig onderscheid op. Bij de traditioneel gerichte strekking entte men op het gekende lijstgeveltype nieuwe motieven zoals bas-reliëfs met bloemen en fruitkorven in cement, of zelfs natuurstenen sculpturen. In dezelfde geest grepen sommige architecten terug naar motieven uit voorgaande stijlen, zodat kan gesproken worden van art deco met neorenaissance inslag, neobarokke inslag, neo-Lodewijk XV inslag, neoclassicistische inslag. Hierbij doelt de term art deco minder op hetgeen gerealiseerd is, dan wel op het concept.

Een tweede vorm is deze aanleunend bij de nieuwe zakelijkheid waar binnen het stramien van eerder strakke omtreklijnen en vlakke gevel wanden een vrij grote speelsheid bekomen werd door aanwending van onder meer ronde of ruitvormige vensters, in- en uitspringende balkons, glas-in-loodopvullingen, uitkragende bakstenen, gecementeerde penanten contrasterend met partijen van naakte baksteen.

Uiteindelijk primeerde bij de volledig autonome art-deco het decoratief effect zeer duidelijk boven het functionele aspect. Hiervoor werd ten overvloede gebruik gemaakt van bakstenen in verschillende kleuren, onregelmatige travee-indelingen, deuren en vensters met sterk afgeschuinde bovenhoeken, erkers allerhande al dan niet bekroond door balkons met decoratieve borstweringen, sterk overkragende en grillig uitgewerkte kroonlijsten, en dergelijke meer. Dat het hier allerminst ging om een loutere gevelarchitectuur bewijst de in vele gevallen totaal nieuwe interieurbehandeling: dezelfde speelsheid, drang naar decoratie en het onverwachte vindt men terug in de kamers, boogvormen, deuropvullingen, trappen, schouwmantels, deurknoppen, enzomeer. Dikwijls werd zelfs het hele meubilair in functie van een wel bepaald huis ontworpen. Architecten die voordien vrij traditioneel bouwden en in feite weinig blijk gaven van grote vindingrijkheid, manifesteren zich thans als vernieuwers op plaatselijk niveau, met soms vrij gedurfde realisaties. Opmerkelijk is anderzijds dat architecten als Hilaire De Boom, August D'Hooge en August Waterschoot naast hun vernieuwend oeuvre ook nog steeds de doorsnee burgerhuizen van twee traveeën en twee bouwlagen met geloogde of korfbogige vensters bleven bouwen. Ongetwijfeld speelden de verlangens van de dikwijls economisch zwakkere opdrachtgevers hierbij een bepalende rol. Aan de hand van de bouwaanvragen is uit te maken welke deze opdrachtgevers waren. In eerste instantie valt de grote, heterogene groep burgers op die wel iets "beter" verlangden dan het pasklare en soms tot in den treure toegepaste ontwerp die de meeste architecten gemakkelijkheidshalve ter beschikking van hun cliënten hielden.

Een andere belangrijke opdrachtgever vormde de industrie die het overgroot aantal binnenblokken van de in deze periode aangelegde wijken volledig heeft ingenomen. Industriëlen lieten tevens hun eigen woonhuis en/of verschillende opbrengsteigendommen in deze stijl bouwen: zie beide villa's van de familie Verbreyt, Spoorweglaan 36, Nijverheidsstraat 50 (1927, architect J.A. De Bondt) en anderzijds de drie woonhuizen gebouwd in opdracht van Julien Truyens, Kleine Laan 25, 26, 27 (1926, architect Jules Lippens). Ook de fabrieken zelf kregen een nieuw gelaat: Nijverheidsstraat 33, voormalige N.V. Mercator, 1926, architect J.A. De Bondt; Aerschotstraat 120, N.V. Scheerders van Kerchove, 1928, architect A. D'Hooge. Een derde groep vormden de handelaars: zie onder meer Ankerstraat 12-16 (1929), Ankerstraat 131-135 (1929, architect Florent Staes), Ankerstraat 158 (architect Marcel Neerman), Kardinaal Mercierplein (later Houtbriel genaamd) 24 (1929, idem).

De laatste en veel geringere groep wordt gevormd door de geestelijkheid die hier en daar nieuwe kloosters uitbouwden en nieuwe parochiekerken oprichtten: zie onder meer Truweelstraat, klooster der paters Minderbroeders (1925, architect G. Volkaert), Nieuwstraat 75, klooster der broeders Hieronymieten (1932, architect Leander Waterschoot), Rich. Van Britsomstraat 17, klooster der zusters Jozefienen (1928, architect Charles Hoge), Heistraat, Christus-Koningkerk (1938, architect-ingenieur Raphael Verwilghen).

De architecten waarop beroep gedaan werd, waren eerst en vooral de Sint-Niklazenaars Hilaire De Boom, August D'Hooge en August Waterschoot die het leeuwenaandeel van de art-decohuizen in Sint-Niklaas op hun naam hebben staan. De sterk traditioneel gerichte De Boom kwam niet los van het vast stramien van twee traveeën en drie bouwlagen waarbinnen hij enkele decoratieve elementen zoals fruitkorven en florale motieven aanbracht (zie onder meer Nijverheidsstraat 12, 1925; 14, 1927; 28, 1928). D'Hooge daarentegen leunde meer aan bij de zakelijke, op het kubisme geïnspireerde richting (zie Prins Leopoldplein 14, 1927). August Waterschoot ontwikkelde een eigen, typische art-decostijl met steeds weerkerende elementen als de gebogen erker bekroond door een balkon met sierlijk smeedijzeren hekje; de brede venstertravee eindigt ook steeds op een zware houten kroonlijst, uitgewerkt als een gebogen of driehoekig pseudo-fronton: zie onder meer Mgr. Stillemansstraat.

Voorts werd de op dat ogenblik reeds naar Gent geëmigreerde Marcel Neerman ook opmerkelijk dikwijls als ontwerper gevraagd. Hij ontwierp voornamelijk burgerhuizen van drie bouwlagen met geknikt zadeldak, waardoor de indruk van een plat dak gewekt werd. De voorgevel behandelde hij decoratief door het contrast tussen gecementeerde partijen en ongecementeerde delen en door het aanbrengen van lisenen of verspringende baksteenlijsten. Andere Gentse architecten waarop beroep werd gedaan, waren de traditioneel gerichte Charles Hoge, de vooruitstrevende J. Alb. De Bondt met zijn sterk kubistische villa's waarin kubus-, balk- en prismavormen tot een functioneel en tegelijk decoratief geheel zijn samengebracht, en Jules Lippens met zijn zeer sterk verticaal gerichte gecementeerde gevels waarin een uitzonderlijke speelsheid zit door het aanwenden van verschillende boogvormen en het tegenover elkaar plaatsen van vlakke en versierde gevelvlakken.

NIEUWE ZAKELIJKHEID

Vanaf het begin der jaren 1930 werd de geometrische ornamentatie vervangen door een meer op functionaliteit gerichte "stroming die met een grotere economie aan materialen en vormen de gevelwand trachtte te verlevendigen. Steeds weerkerende materialen zijn de bruinachtige baksteen en de plinten van zwarte, geglazuurde tegels. Rechthoekige balkons met afgeronde hoek, leuningen met eenvoudige buisprofielen en rondvensters verdrongen de gebogen of driezijdige erkers met ingewikkelde, smeedijzeren borstweringen en de soms uiterst grillige trapezoïdale venstervormen.

De belangrijkste vertegenwoordigers van deze richting waren Robert Hebb met zijn huizen Guido Gezellelaan 39-40 (1935, 1939), Karel Van Havermaet (onder meer Walburgstraat 29, 1935), André Verbeke (onder meer Baron D'Hanisstraat 26-30, 1933-1934), J. Van Coillie (onder meer Guido Gezellelaan 49, 1933, Mgr. Stillemansstraat 49, 1933), H. Faems (onder meer Plezantstraat 2, 1932). Ook de meergezinswoningen Prins Leopoldplein 18 (1930, architect H. De Boom) en Spoorweglaan 23-24 (1932, architect A. D'Hooge) zijn in deze stijl gebouwd.

RECENTE ONTWIKKELING

De door de nieuwe zakelijkheid ingezette tendens werd na een onderbreking door de Tweede Wereldoorlog, in de jaren 1950 en vooral in de jaren 1960-1970 vertaald in rationeel geconstrueerde skeletbouwen van beton en glas. De als minder praktisch ervaren negentiende-eeuwse burgerhuizen met vrij hoge verdiepingen worden meer en meer vervangen door niet geïntegreerde flats met een andere niveau-indeling. Anderzijds verdwijnt uit economische overwegingen en dikwijls ook uit onbegrip een groot deel van het veraangenamende straatdecorum. Wij denken hier in het bijzonder aan het onherroepelijk decaperen van gevelbepleistering, aan het vervangen van rijk uitgewerkte kroonlijsten met tanden, klossen en consoles door een vlakke dakgoot met plasticbekleding, aan het veranderen van muuropeningen door het wegbreken van de tussenliggende penanten en het verlagen van de bovendorpels, aan het verwijderen van oorspronkelijk en in functie van de gevel uitgevoerd houtwerk als ramen en winkelpuien ten voordele van uniforme standaardmodellen. Het uithollen van benedenverdiepingen voor winkels of autobergplaatsen deelt de straatwanden op in anachronistische horizontale registers. De groter wordende verkeersstroom krijgt vrij spel in de binnenstad door de aanleg van wegen met twee a drie rijvakken die de voor de bewoners zo belangrijke herkenningspunten doen verdwijnen of op vervreemde eilanden doen terechtkomen.

Toch zijn ook in het arrondissement Sint-Niklaas enkele lichtpunten die een mentaliteitswijziging in de hand kunnen werken. Zo tracht de gemeente Beveren onder meer door aankoop en restauratie de belangrijkste gebouwen voor de toekomst veilig te stellen. Zo wil de stad Lokeren het verkeer uit de binnenstad wegzuigen door de aanleg van een ringlaan. Zo onderwerpt de gemeente Temse elke verbouwingsaanvraag aan het deskundig advies van haar "Commissie Stedelijk Zicht". Een overkoepelende en gecoördineerde aanpak, geruggesteund door een omlijnde beleidsvisie zal echter noodzakelijk zijn om ons cultuurpatrimonium te herwaarderen en vernieuwen.


Bron     : Demey A. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Sint-Niklaas, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 7N (2 delen), Brussel - Gent.
Auteurs :  Demey, Anthony
Datum  : 1981


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Arrondissement Sint-Niklaas [online] https://id.erfgoed.net/themas/16211 (Geraadpleegd op 20-09-2020)