Geografisch thema

Kantons Duffel en Heist-op-den-Berg

ID: 16243   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16243

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

De kieskantons Duffel en Heist-op-den-Berg van het arrondissement Mechelen beslaan het zuidoostelijk deel van de provincie Antwerpen; in het noorden worden de kantons van elkaar gescheiden door het kanton Lier. Beide kantons bestaan uit drie hoofdgemeenten met de respectievelijke deelgemeenten. Het kanton Duffel omvat van noord naar zuid de niet-gefusioneerde gemeente Duffel, Sint-Katelijne-Waver met Onze-Lieve-Vrouw-Waver en Bonheiden met Rijmenam. Het kanton Heist-op-den-Berg bestaat uit Nijlen met Kessel en Bevel, Heist-op-den-Berg met Itegem, Wiekevorst, Hallaar, Booischot en Schriek en tenslotte Putte met Beerzel.

Beeldbepalend in het gebied zijn de Grote en de Kleine Nete, die het gebied van oost naar west doorkruisen en vanaf de samenvloeiing in Lier verder vloeien als de Nete. De Dijle is als zuidergrens van Rijmenam een deel van de provinciegrens met Brabant. In deze vrij landelijke streek met verspreide woonkernen vertonen vooral Duffel, Heist-op-den-Berg en een deel van Sint-Katelijne-Waver het meest verstedelijkte karakter.

Het westelijk deel van het gebied is bekend als groentestreek met de karakteristieke tuinbouw die na de landbouwcrises van de 19de eeuw de plaats innam van de traditionele landbouw. Het oostelijk deel met herbeboste heide sluit aan bij de Zuiderkempen en kwam in de 20ste eeuw in trek als residentieel woongebied; vooral Bonheiden en Rijmenam zijn bekend om hun riante villawijken.

LANDSCHAPSTYPERING

Het voorliggende gebied vormt een overgangsgebied met een conglomeraat van verscheidene landschapstypes. Dit verklaart het afwisselende landschap in de streek: duinen, dennen- en loofbossen zowel als vruchtbare akkers.

Binnen de driehoek Lier, Mechelen en Heist-op-den-Berg verandert de grond van licht zandleem in het oosten tot lemig zand in het westen. Het landschap wordt bepaald door relatief kleine percelen die intensief bewerkt worden voor groente-, fruit- en bloementeelt. Centrum van deze bedrijvigheid is één van de grootste tuinbouwveilingen van Europa te Sint-Katelijne-Waver, het hart van de groentestreek.

Historisch gezien maakte het Waverwoud, dat zich eertijds uitstrekte van de Dijle tot aan de beide Neten, het grootste deel uit van het besproken gebied; dit woest en moerassig bos- en heidegebied, voor de eerste maal vermeld in 1008, was sinds de 12de eeuw in het bezit van het machtige Berthoutgeslacht en werd voornamelijk vanaf de 13de eeuw ontgonnen. "Kleinere" bosgebieden in Mechelen, Bonheiden, Rijmenam, Onze-Lieve-Vrouw-Waver en Putte, zoals onder andere het Peultenbos, de Zuurbossen en het domein Zellaer getuigen nog van het vroegere Waverwoud.

De "bergen" van Beerzel en Heist-op-den-Berg, respectievelijk 50 en 48 meter hoog en hiermee de hoogste punten van de provincie Antwerpen, zijn Diestiaanse getuigenheuvels bedekt met stuifzand en een typische vegetatie die gedeeltelijk behouden bleef. Te Beerzel met de dorpskern en oudere bebouwing op de zuidoostelijke bergflank, werd de heuvel, op de bergtop na, voornamelijk in de tweede helft van de 20ste eeuw verder bebouwd met alleenstaande landhuizen; te Heist ligt het centrum van de gemeente op de hoogte met ten noordoosten de groene zone Bergbos.

Landschappelijk sluit het beschreven gebied aan bij de Kempen, met name bij de Zuiderkempen die met de beide Neten en hun talrijke vertakkingen tot het Scheldebekken horen. Belangrijk voor het uitzicht van de Netevallei waren de verbeteringswerken aan de Grote Nete tussen 1863 en 1865; deze werken omvatten de verdieping, verbreding en rechttrekking van de rivier en de aanleg van dijken. De Nete werd hierdoor ongeveer vijftien procent ingekort tussen Lodijk (Heist-op-den-Berg) en De Boekt (Berlaar). Resten van deze inkorting vinden we nog op Kruiskensberg (Bevel) en te Itegem. Door een drastische dijkverhoging in het kader van het Sigma-plan werd in 1984 een einde gemaakt aan de steeds weerkerende overstromingen.

Natuurwetenschappelijk belangrijke landschappen zijn de beemdenlandschappen van de beide rivieren met daarnaast de overgangszones naar heidegebied. Intacte, beschermde natuurgebieden zoals "Kruiskensberg en omgeving" (Bevel/Itegem), de "Netevallei" (Itegem/Hallaar), "Dal van de Kleine Nete" (Kessel) en de Kesselse heide (Kessel/Nijlen) vertonen een zeldzame verscheidenheid van landschapsvormen en vegetatietypes als overgangsgebied tussen heide en beemden en zijn door de talrijke aanwezigheid van diverse vogelsoorten ook van ornithologisch belang.

In het zuidwesten behoren het "Mechels Broek" (Mechelen/Bonheiden), "het Cassenbroek" (Bonheiden/Rijmenam) en de "Vallei van de Bruine Beek" (Bonheiden/Putte) tot de alluviale Dijlevlakte.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Vondsten uit de prehistorische, Gallo-Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode verwijzen naar menselijke aanwezigheid in beide kantons, maar zijn in de meeste gevallen te sporadisch om de aard en de omvang van de bewoning te bepalen.

Na de verdeling van het uitgestrekte Karolingische rijk kwamen Taxandrië en het Land van Ryen in de tiende eeuw bij het Duitse keizerrijk en werden ze ter verdediging van de westelijke Scheldegrens verenigd in het markgraafschap Antwerpen onder het huis van Ardennen (1008-1100); in 1106 verwierven de graven van Leuven de titel hertog van Brabant en kregen ze het gezag over een uitgestrekt gebied dat ook het markgraafschap Antwerpen omvatte. Dit markgraafschap of hoofdkwartier Antwerpen was op zijn beurt onderverdeeld in aanvankelijk negen en later, na de scheiding der Nederlanden (1585, 1648), zeven kwartieren.

Door het feodale systeem waren binnen deze grote territoriale indeling talrijke heerlijkheden ontstaan, waar lokale heren en religieuze instellingen quasi zelfstandig de soevereine macht uitoefenden; de feitelijke verbrokkeling van de macht werd versterkt tijdens de invallen van de Noormannen, toen de plaatselijke heren bescherming boden aan de bevolking.

In het bestuurlijke vlak behoorden de meeste heerlijkheden in de Middeleeuwen tot het Land van Mechelen, een gebied in het hertogdom Brabant waar de Berthouts, vermoedelijk tijdens de invallen van de Noormannen, de voogdij verwierven. Hiertoe behoorde het Waverwoud, het grensgebied tussen de bisdommen Luik en Kamerijk, gelegen tussen de Dijle en de beide Neten. Tot ver in de Middeleeuwen bleef deze regio een schaars bewoond, woest en moerassig bos- en heidegebied dat vanaf de 12de - 13de eeuw ontgonnen werd onder het bewind van de machtige Berthouts met onder meer het ontstaan van nieuwe parochies zoals Onze-Lieve-Vrouw van Berentrode op de Boendenheide (Bonheiden) en de drie zogenaamde Waverparochies: Sint-Katelijne-Waver, Onze-Lieve-Vrouw-Waver en Sint-Niklaas-Waver, het huidige Putte.

Heist-op-den-Berg met Hallaar, Booischot en Bernum behoorde tot het ressort van Mechelen, dat samen met de gelijknamige stad en district de heerlijkheid Mechelen vormde, vanaf 910 tot in het begin van de 14de eeuw een Luikse enclave in het hertogdom Brabant. Naderhand (1490) werd de heerlijkheid verheven tot graafschap en werd ze in 1549 één van de XVII Provinciën.

Nijlen, Kessel en Bevel behoorden tot de Bijvang van Lier en Wiekevorst, op de rechteroever van de Grote Nete, ressorteerde onder Herenthout in het Land van Herentals.

Naast de wereldlijke heren speelden abdijen en geestelijke ridderorden een grote rol tijdens het ancien regime, niet alleen in het culturele en het religieuze vlak, maar ook in het bestuurlijke en zakelijke vlak zoals bij het ontginnen en het beheren van gronden. Onder hun impuls werden bossen gerooid, heide ontgonnen, moerassen en vennen drooggelegd en ontstonden er talrijke parochies, dorpen en heerlijkheden. Vooral de abdijen van Rozendaal (Sint-Katelijne-Waver) en van Tongerlo en de invloed van de Teutoonse ridderorde van Pitzemburg waren aanzienlijk, zoals nog steeds blijkt uit de inplanting van grote 17de- en 18de-eeuwse abdijhoeven die vaak opklimmen tot oudere nederzettingen. In dit verband kunnen ook de Krankhoeven in Bonheiden en Putte/Peulis geciteerd worden als eigendom van het Groot Begijnhof van Mechelen.

In het lokale vlak behielden de adellijke heren en geestelijke instellingen een grote invloed gedurende het hele ancien regime; in het algemeen bestuurlijke vlak trad echter een politieke centralisatie op en kwamen onze streken vanaf 1354 door huwelijken, erfenissen en oorlogen onder de invloedssfeer van de Bourgondische vorsten die in 1482 opgevolgd werden door de Habsburgers. Ondanks conflicten met regionale machthebbers slaagden de Bourgondische hertogen en voornamelijk Filips de Goede (1419-1467) erin om onze gewesten te verenigen in een personele unie. Hierdoor ontstond een zeker "nationaal eenheidsgevoel" dat een weerklank vindt in termen zoals de Bourgondische "landen herwaarts over" en later de "XVII Provinciën", zoals die door Karel V in de Pragmatieke Sanctie van 1549 als een ondeelbaar geheel met een eenvormig erfopvolgingsrecht uitgeroepen werden. Deze eenheid van evenwaardige delen, elk met eigen instellingen en rechten, in één groter geheel onder één vorst, mondde via het Oostenrijkse bewind en de Franse overheersing uit in het Verenigd Koninkrijk, waarvan het katholiek gebleven zuiden zich in 1830 losrukte om als koninkrijk België een zelfstandige staat te worden.

Ook het hertogdom Brabant werd in 1430 door erfenis een deel van het Bourgondische, later het Habsburgse, rijk; de heerlijkheid Mechelen met Heist-op-den-Berg, in 1490 door Maximiliaan van Oostenrijk verheven tot graafschap Mechelen, bleef tot 1795 een afzonderlijke entiteit met een eigen centraal bestuur en een eigen standenorganisatie binnen het grote Habsburgse rijk. Het Antwerpse gebied omvatte, na de scheiding van de Nederlanden (1585), in het fiscale, juridische en administratieve vlak "Zeven Kwartieren". Zo behoorden Rijmenam, Beerzel, Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Putte, Bonheiden en Schriek tot het Land van Arkel en Wiekevorst tot de meierij Herentals; Duffel was samengesteld uit drie heerlijkheden die elk bij een ander gebied hoorden: Duffel-Hoogheid bij het kwartier Antwerpen, Duffel-Voogdij bij het kwartier Zandhoven en Duffel-Perwijs met Sint-Katelijne-Waver -als een spoor van de Berthouts- bij de baronie Grimbergen. Nijlen, Bevel en Kessel vormden samen met Emblem de Bijvang van Lier.

De 16- en de 17de-eeuwse godsdienstoorlogen betekenden voor het platteland, dat voortdurend te lijden had van inkwartieringen, confiscaties, verwoestingen en plunderingen, een periode van ontvolking en economische achteruitgang. In Duffel bijvoorbeeld werd de bloeiende lakennijverheid zo zwaar getroffen dat ze nooit meer haar vroegere luister terugvond en langzaam wegkwijnde. In augustus 1578 had de slag van Rijmenam plaats tussen de Spanjaarden en de staatsen, een strijd die werd uitgevochten om de controle over de stad Mechelen in het meest westelijke deel van de gemeente, meer bepaald in het Cassenbroek, in de omgeving van de Mispeldonkhoeve. Rijmenam werd, evenals vele andere dorpen, nagenoeg volledig platgebrand en was pas twintig jaar nadien heropgebouwd.

Onder keizerin Maria-Theresia (1740-1780) kenden onze gebieden weer een relatieve welvaart met nieuwe ontwikkelingen van nijverheid en handel, technische verbeteringen en intensifiëring van de landbouw en de veeteelt. Samen met de ontginning van heidegronden en woeste gebieden (ordonnanties van 1772-1773), werkte men aan de verbetering van de wegeninfrastructuur in de huidige arrondissementen Antwerpen en Mechelen. In Bonheiden en Rijmenam werden de zandduinen voornamelijk met dennen beplant, waardoor de oorspronkelijke heide verdrongen werd.

Het keizerlijk edict van 1787 van Jozef II verdeelde ons land tijdelijk in negen kreitsen; de kreits Antwerpen met drie districten omvatte de zeven kwartieren van Antwerpen en het graafschap Mechelen en was, op Klein-Brabant, Zwijndrecht en Burcht na, een eerste samenvoeging van verschillende feodale gebieden tot een bestuurlijke eenheid die later de provincie Antwerpen werd.

Na een korte conservatieve reactie tijdens de Brabantse Omwenteling (1789-1790) die steunde op de "Blijde Incomste" van 1356 en na een tijdelijke indeling in arrondissementen met binnen het arrondissement Brabant vier kwartieren en als enclave een afzonderlijk arrondissement Mechelen (1794), werden de vroegere feodale structuren in 1795 door de Franse overheid (1792, 1794-1814) definitief opgeheven. Er kwam een nieuwe indeling in departementen waarbij de huidige provincie Antwerpen, met uitzondering van Muizen, Zwijndrecht en Burcht, werd opgenomen in het "Département des Deux Nethes". Tegen de vernieuwingen van de Franse overheerser en ter verdediging van de katholieke godsdienst kwam het in 1798-1799 opnieuw tot een kortstondige, doch hevige, gewapende opstand waarbij het departement van de Twee Neten een centrale rol speelde. De Boerenkrijg op 12 oktober 1798 begonnen in Overmere, verplaatste zich over Klein-Brabant naar het Mechelse en de Kempen; op talrijke plaatsen worden in de literatuur vergaderplaatsen vermeld van de opstandelingen zoals de Blijdenberghoeve te Bonheiden en locaties waar geheime missen gelezen werden zoals in een "strokapel" ter plaatse van de huidige grot van Peulis te Putte. De strenge Franse repressie tegen de tegenstanders van het nieuwe regime verbeterde na de staatsgreep van Napoleon in 1799. Na de val van het Franse keizerrijk bleef de Napoleontische organisatie van het bestuur behouden en werd de in 1801 aangepaste kantonindeling de basis voor de bestuurlijke indeling van het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) en van België (1830).

De term provincie Antwerpen werd voor het eerst officieel gebruikt in de periode van het Verenigd Koninkrijk (1815-1830). Het arrondissement Mechelen bleef bij de oprichting van België een deel van deze provincie, waar in de loop van de 19de eeuw aandacht werd besteed aan het aanleggen en verbeteren van land-, water- en spoorwegen ter bevordering van de industrie en de landbouw.

De laatste bestuurlijke aanpassing in het gemeentelijke vlak gebeurde in 1977 met de fusie van gemeenten.

ARCHITECTUUR

MILITAIRE ARCHITECTUUR

In het midden van de 19de eeuw besliste men Antwerpen om te vormen tot nationaal zwaartepunt van het Belgische verdedigingssysteem. Rond de stad werd een nieuwe omwalling gebouwd en een vooruitgeschoven gordel van acht forten. Door de snelle ontwikkeling van de artillerie schoot dit verdedigingssysteem tijdens de tweede helft van de vorige eeuw reeds tekort. Er werd toen besloten de Vesting Antwerpen uit te breiden tot aan de Rupel-Netelijn, waar reeds enkele bruggenhoofdforten werden gebouwd in 1878. Op basis van de wet van 1906, waardoor voldoende kredieten vrijkwamen ter vervollediging van de Vesting, werden de oudere werken van 1878 op deze "Hoofdweerstandsstelling" gemoderniseerd en werden elf nieuwe forten gebouwd zoals het fort Midzelen met twee veldschansen te Sint-Katelijne-Waver (1909-1912), en het fort te Kessel (1909-1912). Het spoorwegfortje van Duffel (1886-1888), gebouwd ter versterking van de Rupel-Netelijn en ter verdediging van de spoorlijn Brussel-Antwerpen, werd tot tussenwerk gedeclasseerd.

Als rechtstreeks gevolg van de stellingoorlog van 1914-1918 bouwde men aansluitend bij de Versterkte stelling Antwerpen in 1939-1940 de KW-lijn, een verdedigende bunkerstelling van Koningshooikt, over Wavre naar de Versterkte stelling Namen. Tussen Antwerpen en Wavre kwam een continue, natuurlijke en kunstmatige antitankhindernis met een antitankgracht en cointet-elementen, een groot aantal in één, gedeeltelijk in twee lijnen opgestelde mitrailleurbunkers en zogenaamde antitankcentra in Duffel, Peulis, Rijmenam en Waver. Dit alles vormde de ruggengraat van een stelling die door het veldwerk (prikkeldraadversperringen, loopgrachten, artilleriestellingen,...) moest georganiseerd en verdedigd worden. Een ondergronds telefoonnet verzekerde de onderlinge contacten. Door de grote Duitse doorbraken in 1940 in het zuiden werd deze stelling vrij snel opgegeven. Veldwerken en prikkeldraad zijn reeds lang verdwenen maar de plaatselijk talrijke bunkers getuigen nog van deze fortificatiewerken uit het interbellum.

Inherent aan de militaire architectuur is het ontstaan van houtbouw omwille van de opgelegde servituten in de omgeving van de forten; na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog werden ook houten noodwoningen opgetrokken. Te Duffel treffen we nog enkele voorbeelden aan zoals Zandstraal nummers 3, 5 en Lijsterstraat nummers 8 en 10B; ook de houten woning Kalkoenstraat nummer 34 in Sint-Katelijne-Waver/Elzestraat is afkomstig van Duffel.

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR
Kerken

Door de late ontginning van de onvruchtbare zandgronden, de ondoordringbare moerassen en de schaarse bevolking ontstonden in dit gebied vrij laat parochies die weinig talrijk en bijgevolg zeer uitgestrekt waren. Doorgaans worden vanaf de 12de - 13de eeuw parochies vermeld die soms teruggaan op vroegere bidplaatsen. De oudere parochiekerken liggen meestal centraal in de dorpskern en domineren hun omgeving door de schaal, de bouwstijl en de gebruikte materialen. In tegenstelling tot 19de- en 20ste-eeuwse kerken, zijn de oudere bedehuizen vaak een conglomeraat van bouwstijlen omdat ze in de loop van de geschiedenis vergroot werden omwille van demografische noden of herbouwd na verwoesting door brand en/of oorlogsomstandigheden. De toename van de bevolking gaf in de 19de en de 20ste eeuw het ontstaan aan nieuwe parochies in gehuchten en afgelegen wijken.

Het merendeel der, veelal georiënteerde, kerken heeft een basilicale opstand en vertoont een driebeukige plattegrond met transept en koor. Als bouwmateriaal gebruikte men natuursteen of baksteen met verwerking van zandsteen voor decoratieve en constructieve elementen zoals plinten, kordons, omlijstingen en afdekstenen. Qua materiaalgebruik en uitzicht vertonen oudere elementen van de kerken varianten en kenmerken van de Brabantse of de Kempische gotiek.

De meermaals verwoeste en herbouwde kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Waver behield, ondanks diverse verbouwingen, een Romaanse kruisingstoren van circa 1250 en een vroeggotische noordelijke transeptarm uit de 14de eeuw.

Tot de kunsthistorisch meest waardevolle gebouwen van het kerkelijk patrimonium behoren ongetwijfeld de beschermde parochiekerken van Rijmenam, Heist-op-den-Berg, Hallaar, Kessel en Beerzel waarvan de bouwgeschiedenis opklimt tot de 14de eeuw. Onverwacht rijkelijk geornamenteerd is de zandstenen Sint-Lambertuskerk van Kessel, vanaf de Middeleeuwen tot in het eerste kwart van onze eeuw een bloeiend bedevaartsoord met een miraculeus Sint-Salvatorkruis. De diverse bouwmeesters, waaronder gekende namen zoals Jan Haeseldonc en Antoon Keldermans, maakten volop gebruik van de rijke vormentaal van de Brabantse hooggotiek met maaswerk, hogels, kruisbloemen en levendige waterspuwers. Het middeleeuwse uitzicht van de stemmige kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand van Hallaar onderging in 1901-1903 een fundamentele wijziging door de verbouwing van de middenbeuk en de bouw van neogotische zijbeuken naar ontwerp van L. Blomme en E. Careels. Evenals de kerk van Hallaar behield de op een hoogte gelegen Sint-Martinuskerk te Rijmenam een omringend en ommuurd kerkhof; het interieur van dit homogeen en sober kerkgebouw werd grondig aangepast in de 18de eeuw. De Sint-Lambertuskerk van Heist-op-den-Berg werd opgericht boven op de "berg" waar volgens de legende de parochieheilige in de 7de eeuw de heidenen bekeerde; deze bidplaats werd in 1840-1841 uitgebreid met bakstenen zijbeuken die in 1882 bekleed werden met zandsteen zodat het homogene uitzicht hersteld werd.

De oorspronkelijke, mariale bedevaartplaats van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil te Duffel is de enige barokkerk van het bestudeerde gebied; deze voormalige kapel van 1639-1646 naar ontwerp van de jezuïet Willem Cornelissen werd in 1939-1942 aan de westzijde merkelijk vergroot door de Brusselse architect A. Minner.

De classicistische kerken zijn overwegend 18de-eeuwse aanpassingen van oudere kerken. In 1767 verbouwden de Teutoonse ridders van Pitzemburg de Sint-Remigiuskerk te Beerzel met behoud van de, bij de Kempische gotiek aansluitende, laatgotische toren. De nieuwe Sint-Guibertuskerk van Itegem van 1789-1791 naar ontwerp van bouwmeester Carbeys behield de toren van 1653-1661 ontworpen door de Lierse bouwmeester Jan Veris. Onder leiding van meester-metser Jan Gijs werden te Schriek de zijbeuken van de Sint-Jan-Baptist sterk verbreed in 1794-1796, ook hier bleef de massieve gotische toren behouden; een volgende vergroting in 1844 bestond uit de bouw van een brede kruisbeuk en een groter hoogkoor door F. Berckmans. De classicistische Sint-Jan-Baptistkerk van Wiekevorst van 1754, werd in 1857 naar ontwerp van J. Schadde in een harmonieuze neoclassicistische stijl uitgebreid met een groter koor, een kruisbeuk en een nieuwe toren.

De 19de- en begin 20ste-eeuwse kerken ter vervanging van oudere bedehuizen of als bidplaats voor een nieuwe parochie sluiten aan bij de gangbare neostijlen en werden opgericht naar ontwerp van de opeenvolgende provinciale bouwmeesters. De Sint-Jozefskerk te Putte/Peulis (1900-1902, L. Blomme), de Sint-Gerardus-Majella-kerk te Putte/Grasheide (1908-1910, E. Careels), en de kerk Zoete-Naam-Jezus te Schriek (1936, G. Careels) behoren tot de neoromaanse richting.

De neogotische kerken zijn talrijker: de Sint-Salvatorkerk te Booischot (1856-1863) en de Sint-Martinuskerk te Duffel (1860-1865), van J. Schadde; de Sint-Alfonsius-de-Liguori-kerk te Heist/Goor en de Sint-Niklaaskerk te Putte (1891-1894) van L. Blomme; de Sint-Augustinuskerk te Sint-Katelijne-Waver/ Elzestraat (1888-1889) van H. Meyns; de Sint-Franciscus-van-Sales-kerk te Duffel/Mijlstraat (1902-1904), de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Bonheiden (1905-1907), de Sint-Willibrorduskerk te Nijlen (1909-1910) en de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Onze-Lieve-Vrouw-Waver (1910, 1921-1922) van E. Careels. Deze laatste ontwierp tevens de kerk toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart (1909-1912) van het ursulineninstituut in dezelfde gemeente.

Al deze driebeukige kruiskerken met basilicale opstand grijpen in meer of mindere mate terug naar de karakteristieke stijlkenmerken van de Romaanse en de gotische bouwstijl en zijn doorgaans opgetrokken uit bak- en zandsteen. Afwijkend hiervan en kenmerkend voor E. Careels is het gebruik van natuursteen, mogelijk afkomstig uit de Waalse steengroeven van Montauban, voor de beide kerken van Onze-Lieve-Vrouw-Waver en de kerken van Nijlen en Bonheiden. Ook voor het interieur en het mobilair nam men de gotische periode als model, zo werd bijvoorbeeld in Putte het koor gedecoreerd met muurschilderingen en heeft men onder andere in Booischot een homogeen neogotisch meubilair naar ontwerp van J. Schadde. Op het Booischotse gehucht Pijpelheide werd de éénbeukige kapel van 1860 van J. Schadde in twee fasen vervangen door een neogotische kerk naar ontwerp van L. Blomme (1889-1890) en R. Van Steenbergen (1954). Ook de kerk van het Heilig Hart te Heist/Werft van 1922 heeft een neogotische inslag.

De latere kerken, op enkele uitzonderingen na opgericht in nieuwe parochies, sluiten doorgaans aan bij de gangbare eigentijdse bouwstijlen en hebben.vaak een vrijstaande klokkentoren. Voor de groeiende bevolkingskern aan de Putsesteenweg te Bonheiden bouwde men in 1935-1936 de Sint-Ludwinakerk en in Nijlen werd de nog steeds bestaande Onze-Lieve-Vrouwekerk in 1948 opgericht als noodkerk. Te Bevel bouwde men naar ontwerp van M. De Vooght in 1950-1955 een nieuwe kerk ter vervanging van de in de Tweede Wereldoorlog verwoeste Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk, uitzonderlijk greep men hier terug naar de neoromaanse stijl. Ook de aan de stopplaats van de trein gelegen kerk Onze-Lieve-Vrouw Koningin van de Vrede te Kessel van 1955-1956 door R. Van Steenbergen vertoont neoromaanse reminiscenties. De Sint-Pauluskerk te Nijlen en de kerk Onze-Lieve-Vrouw Koningin van de Vrede te Heist/Zonderschot refereren met hun atrium qua concept aan een Romeinse basilica. De jongste kerk van beide kantons is de Sint-Catharinakerk van Sint-Katelijne-Waver; deze constructie van 1993 naar ontwerp van J. Serneels en M. Pluymers vervangt de, in 1985 om veiligheidsredenen gesloopte, monumentale kerk van 1925-1926, die algemeen als te dominant en onesthetisch ervaren werd.

Kapellen

Verspreid over de verschillende gemeenten zijn er langs de wegen talrijke staak-, boom- en andere kapelletjes, meestal toegewijd aan Maria. Ze werden in de loop van de 19de en de 20ste eeuw door buurtbewoners gebouwd als dank- of beloftekapel en als getuigenis van de diepgewortelde mariale devotie in onze gewesten. Het zijn meestal eenvoudige bakstenen constructies onder uitgesproken stijlkenmerken, soms opgetrokken ter vervanging van een oudere kapel met gelijkaardig uitzicht zoals de kapellen van Sint-Gummarus te Duffel, van Onze-Lieve-Vrouw van Harent en van Sint-Eloy te Rijmenam. Van de her en der bewaarde oudere kapellen vermelden we de Sint-Annakapel te Bonheiden, de kapel van Borgerstein te Sint-Katelijne-Waver, de Sint-Salvatorkapel te Kessel en te Wiekevorst de Krijserskapel met een uniek 18de-eeuws interieur. De Onze-Lieve-Vrouwekapel op de grens van Heist en Beerzel behoort als ontwerp van J. Helleputte tot de neogotische beweging van de Gentse Sint-Lucasschool. De 19de-eeuwse Onze-Lieve-Vrouwekapellen van Schriek (Roggeveldenstraat) en Rijmenam (Hoogstraat) zijn neoclassicistisch.

Oude, vaak "miraculeuze" beelden werden om veiligheidsredenen overgebracht naar de parochiekerk, zo wordt in de kerk van Rijmenam Onze-Lieve-Vrouw van Harent vereerd en in de kerk van Putte de Onze-Lieve-Vrouw van de Bremkapel, een bak- en zandstenen kapel van 1662 die om verkeerstechnische redenen werd gesloopt in 1967. Naast oudere bedevaartplaatsen zoals de "Kruiskensberg" te Bevel groeide ook "Klein Scherpenheuvel" in Wiekevorst vanaf 1842 uit tot een volks bedevaartsoord.

Abdijen en kloosters

Samen met de invloed van verder liggende abdijen, kapittels en kloosters is de oprichting van de abdij van Rozendaal van groot belang voor het besproken gebied. Deze grote cisterciënzerinnenabdij wist door haar uitgebreide bezittingen in de verre en nabije omgeving veel macht te verwerven. De resten van deze majestueuze instelling bevinden zich in een uitgestrekt natuurgebied op de Nete-oever in Sint-Katelijne-Waver (Rozendaal nummers 1-5), op de grens met Walem/Mechelen. De groei van de 13de-eeuwse kloosterstichting werd in de 16de eeuw verstoord door de oorlogsomstandigheden ten gevolge van de Reformatie. Na de vrede van Munster (1648) kon men werk maken van de heropbouw van de abdij die opnieuw een grote bloei kende in de 18de eeuw. De Franse Revolutie betekende het einde en luidde het verval in van het gebouwenbestand. Naast het traditionele 17de-eeuwse Pesthuis en een ijskelder uit dezelfde periode getuigen het classicistische koetshuis van 1781 en vooral de imposante inkompoort van 1777 van de grootsheid van het verleden. De hardstenen rondboogpoort doorbreekt de omheiningsmuur en is opgebouwd als een antieke tempel met gekoppelde zuilen onder een zwaar klassiek hoofdgestel met driehoekig fronton. Andere getuigen van de rijkdom van de abdij zijn de over het gebied verspreide voormalige abdijhoeven zoals de Midzeelhoeven (1701 en 1712, Midzelen nummers 27, 25) en de Goorboshoeve (1697, Goorboslei 8) in Sint-Katelijne-Waver, de verdwenen Stormschranshoeve in Duffel en de aangepaste Rozendaalhoeven in Itegem, waar ook de watermolen aan de Hillebrug tot de abdijgoederen hoorde.

Het klooster van het Convent van Bethlehem te Duffel met aansluitend recentere school- en ziekenhuisvleugels beslaat in Duffel een uitgestrekt terrein tussen de kerk en de spoorweg en is uitgegroeid tot een vermaard polyvalent complex gericht op gezondheidszorg en onderwijs.

Het, rondom een centrale neogotische kapel, ingeplante annonciadenklooster, Kloosterstraat 1 te Heist, vervangt het in 1903 gesloopte Voogdijhuis, de 18de-eeuwse vergaderplaats van het bestuur van het Land en de Vrijheid van Heist, dat in 1887 omgevormd werd tot Gods- en gasthuis.

De inplanting van de gebouwen van het ursulinenklooster met school is sterk beeldbepalend voor Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Als educatief complex hoort dit monument echter onder de rubriek scholen. Ook de overige, kleinere kloosters horen doorgaans bij de schoolinfrastructuur.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR
Openbare gebouwen
Gemeentehuizen

Door de fusie van de gemeenten verloren de gemeentehuizen van de deelgemeenten hun functie en werden zij al dan niet aangepast in gebruik genomen voor andere diensten en culturele functies.

De gemeentehuizen van Heist-op-den-Berg en Itegem werden ondergebracht in 19de-eeuwse, neoclassicistische herenhuizen.

De neogotiek inspireerde architect E. Careels voor de gemeentehuizen van Rijmenam (1905), Kessel (1907-1908) en Onze-Lieve-Vrouw-Waver (1910). Neotraditionele reminiscenties vinden we terug bij de gemeentehuizen naar ontwerp van G. Careels in Duffel (1926-1928), en Bonheiden (1936-1937) en in het huidige Vredegerecht te Hallaar.

Scholen

Vóór de schoolwet van 1842 had het onderwijs geen vaste structuur en gebeurde het onderricht doorgaans op privé-initiatief of was het parochiaal georganiseerd. De schoolarchitectuur, ontstaan in de loop van de 19de eeuw, vertoont bepaalde kenmerken afhankelijk van de inrichtende macht. De snelle evolutie van de bevolking en het zelfstandig maken van verscheidene gehuchten vereisten in de tweede helft van de 19de eeuw nieuwe schoollokalen of de vergroting van bestaande. De meeste oudere gemeentescholen zijn vrij sobere bakstenen gebouwen van één of twee bouwlagen met rechthoekige muuropeningen, opgetrokken naar ontwerp van de provinciale architecten; dikwijls voorzag het ontwerp een aanpalende onderwijzerswoning zoals in de Piasstraat 7 te Rijmenam (1871, L. Blomme), de Hulshoutsesteenweg 33 te Heist (1866, J. Schadde), en de Leopoldlei 81 te Hallaar (1884, L. Blomme). Het fenomeen van de dubbelschool treffen we aan te Itegem (1872, L. Blomme), terwijl de school in het centrum van Rijmenam opgevat werd als een éénheidsconcept met het gemeentehuis (1905, E. Careels).

Blikvanger in de schoolarchitectuur is het ursulineninstituut dat de dorpskern van Onze-Lieve-Vrouw-Waver domineert en de skyline van de gemeente bepaalt. Deze toonaangevende en internationaal befaamde instelling groeide vanaf het midden van de 19de eeuw tot op heden uit tot een geheel met verschillende afdelingen annex klooster. Ondanks vernielingen tijdens de beide wereldoorlogen is het monumentale gebouw nog steeds een Engels aandoend schoolcomplex met voornamelijk neogotische stijlkenmerken. Het eclectische interieur getuigt van de rijkdom en het prestige van de instelling met representatieve ruimten zoals de art-nouveau-wintertuin met bewaard meubilair, de neogotische Sint-Ursulaspreekkamer, de empiregang en de neoclassicistische hal met eretrap. De Alpenzaal en de diverse refters zijn gedecoreerd met thematische schilderingen zoals berglandschappen, landschapsschilderingen met streekgebonden landbouwproducten, didactische spreuken of fabels van Jean de la Fontaine. De "pianogalerij" met kleine muzieklokaaltjes biedt de mogelijkheid om elke leerling individueel muziekonderwijs te verschaffen.

Enigszins afwijkend van de gebruikelijke scholenbouw is het voormalige familiepensionaat Van der Borght in Putte/Grasheide (Meester Van der Borghtstraat 150) dat vanaf 1905 in verschillende fases werd opgericht als privé-kostschool voor jongens. De art-nouveaugetinte gebouwen sluiten aan bij de toenmalige bouwstijl van burgerwoningen en landhuizen.

Pastorieën

Als woning van de lokale vertegenwoordiger van de kerk hadden de pastorieën een semi-openbaar karakter en meer prestige dan de gewone dorpswoning. Ze liggen gewoonlijk in of vlakbij de dorpskom in de onmiddellijke omgeving van de kerk. De gebouwen met oudere kern sluiten aan bij de traditionele woningbouw van de bouwperiode maar kregen door latere verbouwingen, met name de verhoging met een tweede bouwlaag, veelal het uitzicht van een, vanaf de 18de eeuw "klassieke pastorie". Dit is een symmetrisch dubbelhuis van twee bouwlagen onder schild- of zadeldak met lagere zij traveeën, in classicistische, neotraditionele of neoclassicistische stijl. De, soms hogere, centrale travee wordt doorgaans geaccentueerd door de deuromlijsting. Erachter ligt een brede gang met aan weerszijden de woon- en werkruimten. De, eveneens kenmerkende, omgrachtingen verdwenen te Nijlen en te Booischot; de pastorie van Schriek, met U-vormige inplanting, werd overgebracht naar Bokrijk.

De oudste, bewaarde pastorie is die te Beerzel, Beerzelplein 10, in 1610 opgericht met recuperatiemateriaal na de verwoesting van de oude pastorie. De latere verbouwingen zijn af te lezen uit de structuur van het gebouw: de noordgevel werd in de 18de eeuw verplaatst en in 1845 verhoogd met een bovenverdieping. De gevelsteen met het jaartal 1682 in de pastorie van Wiekevorst (Wiekevorst-Dorp 2) verwijst vermoedelijk naar een ouder gebouw; de huidige pastorie met dubbelhuisopstand en klassieke binnenindeling met vertrekken aan weerszijden van een brede gang, klimt op tot 1763. Volgens sommige literatuurbronnen heeft de, thans bepleisterde en beschilderde pastorie van Nijlen een 16de- of 17de-eeuwse traditionele kern van bak- en zandsteen. Volgens J. Stockmans werd ze verbouwd in 1611, brandde ze af in 1747 en werd ze datzelfde jaar herbouwd met één bouwlaag om vervolgens verhoogd te worden circa 1850; de gevelsteen 1789 zou dan mogelijk verwijzen naar een verbouwing.

Karakteristieke classicistische pastorieën met dubbelhuisopstand en lijstgevels, al dan niet verhoogd met een driehoekig fronton, treffen we aan in Heist-op-den-Berg (1769), Kessel (1772), Rijmenam (1785), Booischot en Hallaar. Het huidige uitzicht van deze gebouwen is meestal het resultaat van verbouwingswerken uit de 19de eeuw.

De 19de-eeuwse pastorieën zijn de neoclassicistische van Duffel (1846, architect E. Van Cuyck), Booischot/Pijpelheide (1874, E. Blomme en 1905, E. Careels) en Itegem (1864, J. Schadde en E. Blomme). Ongeveer tezelfdertijd met de kerken werden in Heist/Goor (1877, E. Blomme), in Sint-Katelijne-Waver/Elzestraat (1890-1891, H. Meyns), in Putte/Peulis (1895), in Duffel/Mijlstraat (circa 1903), en in Heist/Werft (1920) de pastorieën gebouwd. De vroegere pastorie van Bevel naar ontwerp van E. Blomme werd omgevormd tot bibliotheek. De pastorie van Onze-Lieve-Vrouw-Waver klimt, als deel van het neogotische totaalconcept met gemeentehuis en kerk naar ontwerp van E. Careels, op tot 1910.

Privé-architectuur

Algemeen kan gesteld worden dat beide kantons nog steeds een landelijk karakter hebben. De bodemgesteldheid en de hiermee gepaard gaande relatief schaarse en kleinschalige bewoning in het verleden stimuleerde het ontstaan van talrijke gehuchten en wijken met kleine concentraties van huizen, al dan niet gesitueerd rondom een (parochie)kerk. Waar Grasheide en Peulis in Putte en Elzestraat in Sint-Katelijne-Waver als aparte entiteiten konden omschreven en behandeld worden, bleek dit elders, zoals bijvoorbeeld in Heist-op-den-Berg met zijn elf kerkdorpen, onmogelijk omdat de vele wijken en gehuchten door de steeds verder uitlopende lintbebouwing met elkaar vergroeid zijn.

Burgerhuizen

De eerste bewoningskernen bestonden uit enkele hutten, later hoeven met als centrum een gemeenteweide, die later de dorpsplaats werd. De driehoekige vorm hiervan in Rijmenam, Onze-Lieve-Vrouw-Waver en Booischot wordt doorgaans toegeschreven aan een Frankische oorsprong. Straatdorpen zoals Bevel, Kessel en Schriek ontstonden aan verbindingswegen of kruispunten ervan. Vanuit de kern groeiden de dorpen langs de wegen naar de veldcomplexen. Van de oudste dorpswoningen kunnen we ons nog nauwelijks een beeld vormen. Uit het onderzoek van iconografisch materiaal en oude kaarten blijkt dat de onderzochte gebieden tot diep in de 19de eeuw en zelfs tot in de 20ste eeuw schaars bebouwd bleven en dat de architectuur vrij arm was, waardoor het aanbod van vermeldenswaardige burgerhuizen klein is. Het meest voorkomende type van burgerhuizen zijn de min of meer gedecoreerde enkelhuizen met kleurige, art-nouveau-geïnspireerde baksteengevels uit het eerste kwart van de 20ste eeuw.

De woningen met oudere oorsprong op het Kerkplein verwijzen naar de historische kern van Heist boven op de berg. Een beeldbepalende realisatie in dezelfde gemeente zijn "De Villa's" (Stationsstraat nummers 40-54), een reeks van twee aan twee gebouwde burgerhuizen met neotraditionele en cottage-reminiscenties, opgericht in opdracht van de excentrieke miljonair G. Leclerq. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdween in het centrum van het iets rijkere Duffel, evenals in Sint-Katelijne-Waver, de oorspronkelijke bebouwing door oorlogsgeweld, waardoor het uitzicht thans bepaald wordt door sobere neotraditioneel geïnspireerde wederopbouwarchitectuur die op haar beurt aangepast werd aan de horeca- en winkelfunctie. Kwaliteitsvolle interbellumarchitectuur blijft beperkt tot enkele panden met art-deco-invloed en modernistische tendensen in Bonheiden, Heist-op-den-Berg, Nijlen en Beerzel. Bij deze karakteristieke baksteenarchitectuur met traditionele of afwijkende plattegrond wordt gebruik gemaakt van decoratief metselwerk en gevarieerde muuropeningen met kleurrijk glas in lood. In Beerzel en omgeving werden in dezelfde periode huizen opgetrokken in de lokaal op de Beerzelberg van 1921 tot 1928 gefabriceerde steen (Booischot, Oude Aarschotsebaan nummers 60-62, Wiekevorst, Dalstraat 24 en Beerzel, Heiststeenweg 132).

Volkshuisvesting

De volkshuisvesting bleef tot in de 20ste eeuw beperkt tot eenvoudige en kleinschalige arbeiders- of boerenarbeidershuisjes die niet verschilden van de eenvoudige boerenhuisjes.

Door het ontstaan van de maatschappijen voor sociale woningbouw in het kader van de na-oorlogse woningnood werden voornamelijk vanaf de jaren 1920 woonwijken opgericht die sterk beeldbepalend zijn in sommige delen van Duffel, Sint-Katelijne-Waver en Heist-op-den-Berg. Straatwanden van eenvoudige woningen van één tot twee bouwlagen met doorgaans rechthoekige muuropeningen werden opgericht volgens een repeterend of een spiegelbeeldschema.

Hoevebouw

Het overwegend agrarische verleden van onze streken uit zich in de aanwezigheid van bescheiden langgevelhoevetjes naast meer prestigieuze, meerledige boerderijen met losstaande bestanddelen. Tot in de 19de eeuw en in het begin van de 20ste eeuw was geleemde vakwerkbouw, zeker voor de meer eenvoudige boerenhuisjes, gebruikelijk. De gebouwen werden opgetrokken rondom een houten geraamte met buiten- en binnenmuren in stijl- en regelwerk bekleed met vitswerk van wissen en bestreken met leem en witkalk; de stoel, al dan niet van baksteen, werd gepikt. De muuropeningen, onder meer de nagenoeg vierkante kozijnvensters, werden om bouwtechnische redenen klein gehouden. De vloeren waren van gestampte aarde of rode tegels, die thans gretig gerecupereerd worden bij restauratie- of verbouwingswerken. Op diverse plaatsen in Putte, Grasheide, Beerzel, Heist-op-den-Berg, Booischot en Schriek treffen we nog dergelijke lemen gebouwen aan of resten ervan zoals zichtbare stijlen, ankerbalken of niet versteende muurfragmenten.

Vanaf de 18de eeuw ontstond een versteningsproces dat eerst intrad bij grotere boerderijen en nadien werd verder gezet in de kleinere gebouwtjes die het gedrongen volume en de karakteristieke kleine muuropeningen behielden. Zoals onder meer blijkt uit een Heistse bouwvergunning van 1939 was het verstenen van constructies nog gebruikelijk tot ver in de 20ste eeuw. Tijdens het onderzoek kon worden vastgesteld dat, zoals elders, de verstening in sommige gevallen alleen voor de buitenmuren gold en dat de lemen binnenmuren behouden bleven. Zo werd een geleemde wand zichtbaar bij het slopen van het pand links naast het nummer 12 in de Wuytjesstraat te Schriek en bleek uit gesprekken met sommige eigenaars dat ze bij verbouwingswerken aan hun woning lemen binnenmuren vonden. Naast het versteningsproces van de muren kende ook het materiaalgebruik voor de dakbedekking een evolutie van stro en riet naar dakpannen en leien.

De éénbeukige langgestrekte hoeve is kenmerkend voor armere, zandige streken; eeuwenlang bouwde men volgens hetzelfde stramien: schuur, potstal en woonhuis onder één zadeldak met een west-oost-oriëntatie en een zuidelijke voorgevel. Het schuurtje lag doorgaans aan de westzijde als buffer tegen slagregens en gure westenwinden. De stenen haard bevond zich in de scheidingswand tussen stal en schuur zodat de ketel met een draaiboom door een luik van de kookplaats naar de aanpalende stal kon gewenteld worden. Heel wat van de oudere langgevelhoevetjes werden gesloopt, maar toch zijn er, al dan niet verbouwd, over het gebied verspreid nog boerderijtjes met 18de- of vroeg 19de-eeuwse oorsprong.

De meest courante hoeven uit de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw zijn doorgaans vrij eenvoudige, lage bakstenen gebouwen met dubbelhuisopstand en getoogde of rechthoekige muuropeningen. De sobere decoratie bestaat uit aflijnende baksteenfriezen en verwerking van gesinterde steen voor banden, boogstenen en ontlastingsbogen. Opvallend in de groentestreek zijn de twee rondboogvenstertjes of luiken in de zijtopgevels. Deze langgestrekte hoeven treft men nog zeer veel aan, maar werden meestal in min of meerdere mate aangepast of op zijn minst voorzien van nieuw schrijnwerk. Voor het onderzoek werden alleen de meest gave exemplaren opgenomen en diegene die door hun inplanting, omgrachting of benaming getuigen van een oudere nederzetting.

De ruimere hoeven met losstaande bestanddelen behoorden vaak tot het patrimonium van een adellijk geslacht, een invloedrijke abdij of een andere religieuze instelling. Doorgaans zijn ze samengesteld uit een woonstalhuis en een langsschuur met bijkomend een bakhuis, een varkenshok en een wagenhuis geschikt rondom het erf. Soms hebben dergelijke hoeven een naam en gewoonlijk zijn ze, al dan niet omgracht, ingeplant aan het einde van een private oprit op een afstand van de openbare weg. Door het creëren van ruimte voor supplementaire vertrekken zoals een kelder met opkamer(s) aan de koele noordzijde en slaapkamers aan de warmere zuidzijde kwam de nok van het dak gevoelig hoger. De bedaking bestond uit een schilddak of een zadeldak met aandaken of een afwolving aan de westzijde als wind-afweer ter bescherming van de strooien of rieten bedaking. Sporen van zandsteen zijn zelfs bij de grotere hoeven eerder uitzonderlijk en beperkt tot kozijnen en omlijstingen; in plaats hiervan komen witgeschilderde of gekalkte omlijstingen, steigergaten en banden als pseudo-speklagen. De langsschuren onder schilddak hebben een toegang op een, vaak inspringende, hoek van een korte dwarsgevel met de dorsvloer in het verlengde van de poort.

Het Hooghuis (Sint-Katelijne-Waver) was eertijds een deel van een hoeve en klimt in oorsprong vermoedelijk op tot circa 1500. In architectonische verhoudingen, structuur en details sluit dit gebouw in traditionele bak- en zandsteenstijl aan bij de laatmiddeleeuwse burgerlijke bouwkunst. Verbouwingen in de volgende eeuwen bepaalden het uitzicht van het pand, waarbij vooral de 18de-eeuwse aanpassingen een impact hadden op het exterieur en het interieur. De inplanting en de toponymie van de Rozendaalse abdijhoeven van Midzelen (Midzelen nummer 25 en nummer 27), respectievelijk met jaarankers "1712" en "1701", zouden kunnen wijzen op een Frankische oorsprong. Als eigendom van het Krankenhuis van het Mechelse begijnhof horen de Krankhoeven te Bonheiden en Putte/Peulis bij elkaar, volgens archivalia werden ze alle drie door de Putse metsersfamilie Stessens tussen 1696 en 1717 in steen herbouwd.

Volgens de Poppkaart had de groentestreek een relatief grote concentratie van historische, vaak omgrachte hoeven waarvan er verscheidene bleven bestaan zoals de Grote Waverhoeve (Dijk 83), de Kleine Bullemhoeve (1772, Leemstraat 180), de Sandhoeve (Mechelbaan 33), de hoeve Slaapt in 't stro (1734, Mechelbaan 116), de Schaapstalhoeve (Scheerslei 5), en de Schranshoeve (Schrans 10), in Onze-Lieve-Vrouw-Waver. In Duffel zijn de Grote Maltahoeve (1762, Maltahoevelei 38), de Rooienberghoeve (Rooienberg 51) en de Waarlooshoeve (Senthout 35) getuigen van het agrarisch verleden. De Kleine Schranshoeve (1771, Bredestraat nummers 89-91), de Sikkelhoeve (1775, Sikkelstraat 6), de Augustijnenhoeve (1656, Augustijnenlei 24) en de Klein Pitsemburghoeve (1736, Vogelstraat 11) in Putte kunnen, evenals de Latoenehoeve (1761, Kaaslei 2) en de Peerdeveehoeve (1673, Paardenstraat 5) in Grasheide, aangehaald worden als landbouwuitbatingen met een oudere kern.

Ook in de overige gemeenten komen we her en der meerledige hoeven tegen. In Kessel liggen de grotere oudere hoeven in het zuidoostelijke landbouwgebied op de Bogaertsheide en aan de Nieuwe Bevelsesteenweg. Meerledige hoeven met 18de-eeuwse kern in Itegem zijn de Heestenhoeve (Bruulstraat 40) en 't Cromvelt (Haringstraat 6), terwijl de schuur van de Kartuizerhoeve opklimt tot de 17de eeuw (1675?).

Over het hele gebied verspreid vinden we sporen van belangrijke historische hoeven zoals deels of volledig bewaarde omgrachtingen, jaarankers, behouden bijgebouwen of oudere benamingen die overgenomen werden voor nieuwe constructies. Nagenoeg in elke gemeente treffen we één of meerdere "schranshoeven" als spoor van de oorspronkelijk defensieve functie van de hoeven in tijden van gevaar. Indrukwekkend is de 18de-eeuwse lemen schuur van de Wimpelhoeve in Wiekevorst (Wimpel 9). Poelen bleven her en der bewaard zoals te Sint-Katelijne-Waver bij de Schaliënhoeve, te Kessel bij de Gasthuishoeve (Bogaertsheide 12) en te Putte bij de verbouwde Klothoeve (Bredestraat 27).

Opvallend in deze streek zijn de talrijke lemen schuren en wagenhuizen die, al dan niet volgens de aloude bouwtechnieken, heropgebouwd werden bij nieuwe of aangepaste woningen. Het meest opvallend is de "Boerenkathedraal" te Putte/Grasheide (Schrieksesteenweg 64), die opgetrokken werd met een oud gebint, vitswerk en traditioneel bereide leem. Te Itegem aan de Hulshoutsesteenweg 24 beoogde men een wedersamenstelling van de oorspronkelijk meerledige hoeve met van elders uit de regio afkomstige lemen bijgebouwen. In hoeverre dit fenomeen van verplaatste en heropgebouwde gebouwen beïnvloed werd door de uitbouw van het openluchtmuseum te Bokrijk is niet te achterhalen maar wel waarschijnlijk. Er dient immers te worden opgemerkt dat de oprichter en stimulator van het museum, Dr. Jozef Weyns, de bouwheer was van het met recuperatiemateriaal opgebouwde Hof ter Speelbergen (Beerzel, Peredreef 5) en de naburige Speelberghoeve (Heist-op-den-Berg, Peredreef 11) die in de streek grote bekendheid genieten. In dezelfde context werden vele bedreigde bouwwerken uit Heist-op-den-Berg en omgeving overgebracht naar Bokrijk.

De modelhoeve in Duffel, Euster 1, van 1909-1910, wordt in 1917 beschreven met "ruime en luchtige stallen met stenen welfsels, bovenaan gecementeerd, en buitenwaartse aalput". Eveneens vermeldenswaardig zijn te Kessel de hoeven met regionalistische inslag die na de Eerste Wereldoorlog door E. Heylen in opdracht van de Lierse familie Berckmans-Van Acker werden heropgebouwd. In hetzelfde kader werd in Sint-Katelijne-Waver de hoeve Muilshoek 41-43 opgericht door het "Oeuvre Suisse Belge", een stichting die in de regio sporadisch actief was en de regionalistische wederopbouwstijl stimuleerde.

Karakteristiek voor de streek van Sint-Katelijne-Waver en omgeving is de groenteteelt onder glas. De kool- of Mechelse serres, de gevelserres en de warenhuizen bepaalden tot het midden van de 20ste eeuw het uitzicht van de bebouwing. In het midden van de 19de eeuw begonnen groentetelers allerlei glasmateriaal te gebruiken om de oogst te vervroegen of als bescherming tegen de winterkou. Aanvankelijk gebruikte men veelruiters, nadien eenruiters die kort voor de Eerste Wereldoorlog uit Nederland in België werden geïntroduceerd en gemonteerd werden op verplaatsbare bakken.

De Mechelse serre of (bloem)koolserre is niet meer in gebruik, maar was gedurende jaren beeldbepalend voor de tuindersdorpen (Sint-Katelijne-Waver, Bredeheide 17 en Kouter 2; Putte, Eksterstraat 57 en Heist-op-den-Berg, Vijverstraat 2). Bij de Midzeelhoeve I werd een dergelijke koolserre met bakstenen voet en houten gebint herbouwd.

Nog voorkomend, alhoewel ze vrij zeldzaam worden, zijn de typische gevelserres die tot in de jaren 1950-1955, zoveel mogelijk naar het zuiden georiënteerd, tegen een blinde muur van een stal, schuur of huis werden gebouwd. Toen de serres in onbruik geraakten als zaaiplaats voor jonge planten, werd er vaak een druivelaar in geplaatst voor eigen gebruik. Sporadische voorbeelden van dergelijke serres vinden we nog in Duffel, Sint-Katelijne-Waver en Putte.

In tegenstelling tot de serres, die teruggaan op oranjerieën, gevelserres van kasteeltuinen en constructies van sierplantenbedrijven, groeiden warenhuizen uit het omhoog brengen van dubbele bakken met eenruiters en bestaan ze uit meerdere afdelingen waar de groenten gedurende hun hele ontwikkeling blijven.

De jongste decennia kende de glasteelt een evolutie en werden de verouderde serres en warenhuizen vervangen door grote bedrijfsgebouwen, vaak met een geïntegreerde woning.

Kastelen en buitenplaatsen

Gestimuleerd door de hedendaagse mobiliteit oefenen de dennenbossen van Bonheiden, Rijmenam en Nijlen een aantrekkingskracht uit op de stadsmens die hier in riante villa's wil wonen of in buitenverblijven zijn weekends doorbrengt. In het verleden echter waren deze onherbergzame heidegebieden weinig aantrekkelijk, daarom treffen we in deze regio relatief weinig kastelen en buitenplaatsen aan. We vinden wel enkele domeinen en landgoederen met een strategische ligging aan rivierovergangen zoals Ter Borcht te Itegem, Ter Laken te Booischot en Hollaken te Rijmenam.

De benaming kasteel duidt in principe op een feodale oorsprong als verblijfplaats van de lokale heer wiens versterkte, omgrachte woning een militair steunpunt was en tevens een toevluchtsoord bood aan de lokale bevolking. Het begrip buitenplaats ontstond uit de tendens van begoede stadsbewoners om vooral vanaf de 16de eeuw op het land een tweede huis te bouwen waar ze het buitenleven combineerden met het beheer van hun bezittingen. Oudere versterkte hoeven en kastelen werden vanaf deze periode dikwijls verbouwd tot een soortgelijk "huys van plaisantie", zodat het verschil tussen kastelen en buitenplaatsen niet altijd door te trekken is. Meestal is een kasteel een conglomeraat van stijlen, verbouwingen en restauraties of werd het na verwoesting heropgebouwd zodat alleen uit de 19de en de 20ste eeuw vrij originele exemplaren bewaard bleven.

Berentrode (Berentrodedreef 73-77) in Bonheiden, het Weyneshof (Weynesbaan 126) in Rijmenam, Ter Elst (Ter Elstlei) in Duffel, het Hof van Riemen (Orshagenstraat 9-11) en het Pelgrimhof (Pelgrimhofstraat 8-10) in Heist-op-den-Berg gaan alle terug op middeleeuwse leengoederen en behielden, in meer of mindere mate, een 16de- of 17de-eeuwse kern in traditionele stijl. De kasteelruïne van Ter Elst bleef na de beschadigingen van de Eerste Wereldoorlog de enige getuige van een indrukwekkend kasteelcomplex met meerdere vleugels, torens en een binnenplaats omgeven door een brede slotgracht en aangelegde tuinen. Van het zestal "steinen" dat eertijds ten oosten van Mechelen lag bleven, buiten de namen Borger-, Dijk-, Hagel-, IJzer-, Vijver- en Eombaardstein, alleen de oude kernen van de sterk aangepaste hoven Lombaardstein in Sint-Katelijne- en IJzerstein in Onze-Lieve-Vrouw-Waver bewaard.

De 18de eeuw wordt vertegenwoordigd door het voormalige jachtslot van de Teutoonse ridders van Pitzemburg, het huidige gemeentehuis van Putte, dat als een vroege rocococreatie wordt toegeschreven aan J.P. Van Baurscheit.

In de 19de eeuw was de neogotiek de inspiratiebron voor de uitbreiding van het Weyneshof en het heropgebouwde voormalig ridderlijk slot van Hollaken te Rijmenam, De Locht in Duffel en het gaaf bewaarde interieur van kasteel Ter Laken te Booischot dat extern werd aangepast in neorenaissancestijl door architect J. Claes. Tot de neoclassicistische stijl behoren het kasteel Zorgvliet en het Rozenhouthof in Sint-Katelijne-Waver, het Kesselhof te Kessel, kasteel Ten Bos in Heist-op-den-Berg en Perwijsbroeck te Duffel. In de laatste gemeente was het sterk aangepaste kasteel Wouwendonk in zijn oorspronkelijke vorm een ontwerp van de befaamde architect J.P. Cluysenaar die voornamelijk in het Brusselse actief was.

Enig in zijn soort is het imposante kasteel Zellaer te Bonheiden, een pseudo-middeleeuwse waterburcht van 1885 met een omringend, bosrijk park waarvan de oorsprong zou teruggaan tot een vestiging van de Berthouts.

Tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw werden verschillende kastelen aangepast, herbouwd of opgericht met overwegend neotraditionele kenmerken zoals het Befferhof in Bonheiden, Eombaardstein in Sint-Katelijne-Waver en het Steynehof in Bevel. Kasteel Isschot, naar ontwerp van J. Evrard te Itegem opgericht in 1905, sluit aan bij de neorococo.

ECONOMIE, PRE-INDUSTRIEEL EN INDUSTRIEEL ERFGOED

Brouwerijen waren een vertrouwd beeld in de dorpsgemeenschap. Vele van de vroeger zo talrijke brouwerijen verdwenen maar lieten hier en daar een spoor na in het bouwkundig erfgoed. Het meest frappant in de regio is de vlak bij de kerk gelegen hoeve Schuermans te Rijmenam, een L-vormig complex met voormalige brouwerij en herberg met mogelijk een 16de-eeuwse kern die in 1767 vergroot werd.

De eertijds lokaal belangrijke scheepvaart op de Grote Nete zorgde voor een economische stimulans in het gebied. Een belangrijke site met hoeve, afspanning en watermolen was de wijk Hillebrag op de Nete-oever. Bij de indijking van 1864 werd de bevaarbaarheid van de rivier merkelijk verbeterd door het bouwen van stuwbruggen als de Hillebrug en de Fonteynbrug te Itegem. Brugwachtershuisjes uit de tweede helft van de 19de eeuw in Heist-op-den-Berg (Herentalsesteenweg 85, 1864) en Booischot (IJzerenweg 36) resten als getuigen van de scheepvaart op de Grote en de Kleine Nete waaraan door de opkomst van de spoorwegen een einde kwam.

Het besproken gebied wordt doorsneden door de spoorlijn Mechelen-Antwerpen (1836) in het kanton Duffel en de lijnen van Antwerpen via Eier naar Aarschot (1864) en naar Herentals/Turnhout (1853) in het kanton Heist-op-den-Berg. Stations en/of stopplaatsen zijn er te Duffel, Sint-Katelijne-Waver, Heist-op-den-Berg, Booischot, Nijlen en Kessel. Door de inplanting van deze stations op een afstand van de dorpskernen ontstonden nieuwe verkeersassen en woonkernen zoals nog duidelijk te merken is in Duffel, Sint-Katelijne-Waver, Booischot en Kessel. Na de Eerste Wereldoorlog zag men af van de tot dan gebruikelijke typestations en werd het uitzicht ondergeschikt aan het functionalisme. In die optiek kreeg Nijlen in 1925 een station in een regionalistische wederopbouwstijl verwant aan de stations in Oost- en West-Vlaanderen. In het midden van de jaren 1930 werden enkele stations langs de lijn Mechelen-Antwerpen gesloopt om plaats te maken voor nieuwe functionele gebouwen zoals in Duffel en Sint-Katelijne-Waver. In 1972 werd het oude station van Heist-op-den-Berg vervangen door een modern gebouw, terwijl de stations van Kessel en Booischot respectievelijk in 1944 en 1973 verdwenen. Spoorwachtershuisjes bleven bewaard in Duffel in de Rechtstaat 80 en in Booischot aan overweg 42 in de Pijpelstraat 32.

Van de tientallen water- en windmolens die eertijds markante bakens in het landschap waren bleven enkele 19de-eeuwse stenen molenrompen bewaard te Nijlen (Spoorweglei 21 en Statiestraat 2), te Kessel (Stenen Molen) en in Putte (Zoetewei/Lierbaan). De houten staak- of standaardmolen aan de Bruggeneindse Heibaan, op de grens van Heist-op-den-Berg en Hulshout is de enige intacte windmolen van het arrondissement Mechelen. Molenhuizen bleven bewaard in Rijmenam (Hollakenbaan 15), Itegem (Krombeekweg 25) en Wiekevorst (Graanweg 2B)

Het besproken gebied behield lange tijd zijn landelijk karakter en grootscheepse industriële vestigingen zoals de imposante waterwinningswerken en de diverse industriële bedrijven op de Nete-oevers te Duffel zijn uitzonderlijk. In het kader van de ontsluiting van het gebied treffen we recente inplantingen aan van industriezones zoals onder meer te Heist-op-den-Berg en te Sint-Katelijne-Waver rondom de tuinbouwveiling.

De voor de Kempen tot het midden van de 20ste eeuw belangrijke huisnijverheid in de diamantsector situeert zich in de gemeenten Booischot, Heist-op-den-Berg, Itegem, Nijlen en Kessel en sluit aan bij deze van het arrondissement Turnhout. Door de aard van de werkzaamheden zijn er in het architecturale landschap geen noemenswaardige sporen van.

Alhoewel aan de vooravond van het derde millennium de gemoderniseerde land- en tuinbouwsector een steeds kleiner aantal mensen tewerkstelt en ondanks de alsmaar groeiende bebouwde oppervlakte, behielden de kantons Duffel en Heist-op-den-Berg een groot deel van hun ruraal karakter. Naast residentiële woonwijken in de herbeboste heidegebieden en dicht bebouwde kernen treffen we een afwisseling aan van akkers, weilanden en natuurlandschappen. De vrij schaarse en over het algemeen bescheiden en sobere architectuur uit het verleden heeft als getuige van onze geschiedenis een voorbeeldfunctie en dient als dusdanig gewaardeerd en bewaard te worden.


Bron     : Kennes H. & Steyaert R. 1997: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kantons Duffel - Heist-op-den-Berg, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 13N4, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Kennes, Hilde, Steyaert, Rita
Datum  : 1997


Relaties