Het archeologisch onderzoek te Moorsel is een unieke kans om een beter inzicht te verwerven in de ontwikkeling van een dorpskern in het algemeen en van Moorsel in het bijzonder. Er kon als het ware een doorsnede van het dorp verkregen worden, van de ene zijde van de dorpskern naar de andere, en langs twee historische gebouwen, namelijk de Sint-Goedelekapel en de Sint-Martinuskerk. In totaal werden 101 skeletten, al dan niet volledig, geborgen. Hierbij zijn 17 graven rond de kapel te situeren, de overige bevonden zich rond de kerk. De begravingen kunnen in eerste instantie opgesplitst worden in een kleine groep oudere (middeleeuwse) begravingen en een grote groep recentere (postmiddeleeuws, tot begin 20ste eeuw) graven. De post-middeleeuwse skeletten werden tijdens het syntheseonderzoek "Wat schaft het bot?" verder onderzocht. Bij de opgraving werden verspreid over het onderzoeksgebied een groot aantal kuilen aangetroffen. In de meeste kuilen werd slechts een beperkt aantal vondsten aangetroffen waardoor het moeilijk is om ze te dateren.
Ter hoogte van de kapel werden twee sporen aangetroffen die sterke gelijkenissen vertonen met de structuur van een windval. De enige vondst die een idee kan geven over de datering van deze contexten is een fragment van een gepolijste bijl (dat te plaatsen is tussen het laat neolithicum en de vroege bronstijd (3500-1800/1750 BC). Verspreid over het opgravingsvlak werden nog een aantal kuilen aangetroffen die een gelijkaardig uitzicht vertoonden, maar die jammer genoeg geen vondsten opleverden zodat hierover niets met zekerheid kan gezegd worden.
De middeleeuwse graven werden op drie plaatsen aangetroffen: rond de kapel en op twee plaatsen rond de kerk. Hierbij kan een duidelijke scheiding tussen de begravingen rond de kapel enerzijds en deze rond de kerk anderzijds opgemerkt worden. Over een afstand van ruim 25 meter tussen de twee zones zijn er immers geen begravingen vastgesteld. De zichtbare dualiteit tussen kapel en kerk, die vandaag de dag nog steeds bestaat, blijkt dus ook in de middeleeuwen al een realiteit, met het gelijktijdig in gebruik zijn van twee begraafplaatsen. Het lijkt er wel op dat de zone rond de kerk ouder is dan de zone rond de kapel. Ondanks de slechte bewaringstoestand en grote verstoringsgraad kunnen binnen de middeleeuwse graven twee vormen geobserveerd worden: antropomorfe graven en kistbegravingen. Beide begravingsvormen werden zowel rond de kapel als rond de kerk aangetroffen. Uit 14C-dateringen blijkt dat de kistbegravingen ouder zijn dan de antropomorfe begravingen, maar dat ze gedurende een periode vanaf de 10de eeuw gelijktijdig voorkomen. Het lijkt erop dat de antropomorfe begravingen stoppen in de late middeleeuwen en dat er vanaf dat ogenblik enkel nog kistbegravingen voorkomen.
Het oudste gedateerde middeleeuwse spoor dat bij de huidige opgravingen in Moorsel aan het licht kwam, was een greppel. De greppel is in de eerste plaats te dateren door de vondst van een halve handgevormde pot. Deze pot kan gedateerd worden in de Merovingische of vroeg-Karolingische periode (5de-8ste eeuw). Samen met het aardewerk werd ook een fragment niet identificeerbaar dierlijk botmateriaal aangetroffen. Een 14C-datering uitgevoerd op dit botfragment uit context III/A/115 leverde een datering met 95,4 % zekerheid op in de periode tussen 675 en 780 AD. Enkele paalkuilen kennen worden tussen 770 en 970 gedateerd aan de hand van een 14C-datering en worden toegeschreven aan een voorloper van de kapel.
Hiernaast werden er nog meerdere greppels, paalkuilen en een kuil aangetroffen die niet beter dan de 10de eeuw gedateerd konden worden. Andere palen, die mogelijk aan een gebouw of een palissade toegeschreven kunnen worden, werden dan weer in de 12de-13de eeuw gedateerd. Andere kuilen dateren dan weer tussen de 11de en 14de eeuw. Uit deze periode dateren ook een oventje en een waterput.
Er werden rondom de kerk 3 grachten aangetroffen. Met zekerheid kan gesteld worden dat de drie grachten, weliswaar in verschillende periodes, een oud kerk(hof)areaal omgeven. Deze dateren in de volle/late middeleeuwen. De recentste fase van een van de grachten zal, hoewel reeds gedempt in het laatste kwart van de 12de eeuw, zichtbaar blijven in het landschap tot het begin van de 20ste eeuw. De recentste fase van het kerkhof is immers exact op de locatie van deze gracht afgebakend door een bakstenen muur.
De postmiddeleeuwse begravingen zijn allen rond de kerk te situeren en onderscheiden zich duidelijk van de oudere op vlak van oriëntatie, positie van het lichaam, en grafgiften. Op enkele uitzonderingen na is de meerderheid te dateren van eind 18de tot begin 20ste eeuw. Het betreft allen kistbegravingen, waarvan sommige kisten van rijkelijke ornamenten voorzien waren. Naast kistversiering werden ook verschillende grafgiften aangetroffen. Zo bevatten verschillende graven al dan niet volledig bewaarde paternosters. Aan de hand van het syntheseonderzoek werd geconcludeerd dat de opgegraven bevolking van Moorsel Centrum hoge stikstofisotopenwaarden kent. Het is mogelijk dat dit een gevolg is van verhoogde eiwitconsumptie in deze rurale populatie na de Industriële Revolutie, gezien de datering van de site (18de-20ste eeuw). Ook verandering en intensivering in de akkerbouw kan hiertoe bijdragen. Intensieve bemesting met dierlijke mest verhoogt namelijk de δ15N waarde van veel gewassen.
De muur die de gracht afbakent in zijn recentste fase kan niet beter gedateerd worden dan de nieuwe/nieuwste tijd. Ook werden de funderingen van een eerdere toegangspoort aangetroffen. Aan de buitenzijde van de kerkhofmuur werd het tracé van een weg aangesneden. Het gaat hier in de eerste plaats om ingesleten karrensporen, al kon aan de zuidzijde over nagenoeg de hele lengte een rij kalkzandstenen opgetekend worden. Deze kunnen mogelijk beschouwd worden als een latere verharding of afboording van de weg. Ze liggen stratigrafisch gezien alleszins over de eerder vermelde karrensporen. In de vulling van deze karrensporen werd 18de- en 19de-eeuws materiaal aangetroffen.
Auteurs: Lommelen, Lies
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)