erfgoedobject

Tuin van het 's Gravenhuis

landschappelijk element
ID
134715
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134715

Beschrijving

Landhuis in de kern vermoedelijk opklimmend tot de 18de eeuw, complex volume van verschillende vleugels rond een binnenkoer, meermaals aangepast en verbouwd in het laatste kwart van de 19de eeuw en vroege 20ste-eeuw; landhuis omgeven door landschappelijke tuin van 2 hectare (oorspronkelijk 38 are groter) aangelegd tussen 1800 en 1830; aanleg van een regelmatige 'Franse' tuin tijdens het interbellum: heroriëntering van het landhuis, nieuw toegangshek en oprijlaan, nieuwe zichtas met 'follies', tuinvazen en exedra, samen met pergola en minigolf.

's Gravenhuis ligt aan de oude weg van Ninove naar Brussel, zowat 900 meter ten westen van het dorpscentrum en het feodale kasteel (nu gemeentehuis) van Dilbeek. De naam verwijst naar Louis Alexander Scockaert, heer van Gaasbeek, vanaf 1690 graaf van Tirimont, die het gebouw als jachthuis of buitenverblijf liet inrichten. In de inventaris bouwkundig erfgoed wordt het huidige gebouwencomplex in de 18de eeuw gedateerd. De dikste en oudste bomen in het domein – vier tamme kastanjes (Castanea sativa) met stamomtrekken tot 577 centimeter en een Hollandse linde (Tilia x europaea) met 370 centimeter omtrek – werden mogelijk nog in de 18de eeuw aangeplant. De vroegste, maar nogal vage afbeelding komt voor op de Ferrariskaart (1771-1775); een omhaagde boomgaard van circa 30 are naast het huis is het enige teken van tuinbouwactiviteit.

Op de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door F. Muller in 1830, wordt 's Gravenhuis weergegeven als een bijna gesloten complex in de hoek van de oude weg Ninove-Brussel met de Ketelheidestraat. De toenmalige eigenaar was baron François Ignace-Joseph de Viron. Naast het gebouw lag een 'lusthof' van 2 hectare 38 are. Gebouw en tuin worden afgebeeld op een aquarel die – te oordelen naar de biedermeierfiguren op de voorgrond – ongeveer uit die periode moet dateren. 's Gravenhuis was een symmetrisch, zogenaamd dubbelhuis, vijf traveeën breed, bepleisterd en geel geverfd en geleed met witte banden, de brede middentravee bekroond met een driehoekig fronton met oeil-de-boeuf. Op de frontonpunt en de hoeken van het dak staan siervazen, die (behalve die van de frontonpunt) de pilasters met Franse voegen accentueren. De lagere aanbouwen aan weerszijden herbergen vermoedelijk de dienstruimten. Het gebouw ademt het classicisme typisch voor landhuizen uit het midden van de 18de eeuw (nog met kruiskozijnen), maar dat het gaat om de heraankleding van een ouder gebouw blijkt uit enkele archaïsch aandoende details: de ramen rechts van de toegangsdeur (kruisramen waarvan slechts de onderste gedeelten beluikt zijn, relict van de oude slag- of tochtvensters) zouden kunnen wijzen op het bestaan van een opkamer, de witte banden op de zandstenen speklagen van de traditionele bak- en zandsteenbouw. De naar beneden toe verlengde en volledig beluikte ramen links van de toegangsdeur duiden de ligging van de salon aan.

Ook de tuin vertoont ambivalentie: het padenkruis (met een harkende tuinman) is nog aanwezig, maar het compartiment dat de voorgrond van de tekening vormt – mogelijk lichtjes verzonken – is gedegradeerd tot een vierkant gazon, omzoomd door een grazige band met een informele beplanting van struiken, bomen en grote kruidachtige planten. De broderieën en snoeivormen zijn allang verdwenen; peuter, geit en hond hebben vrij spel. De netjes gesnoeide golvende haag links in beeld is misschien een relict van een omlopende 'bersauw', een door latwerk gestutte loofgang met doorkijkjes naar de 'parterres de broderie' van de baroktuin.

Pas in 1883 registreert het kadaster een eerste wijziging. De naar de tuin gekeerde aanbouwen krijgen een verdieping (bij de oostelijke met spitsboogramen in de zijgevel) en het centrale woongedeelte wordt verhoogd met een mezzanine. Het fronton boven de ingangstravee is verdwenen en mogelijk werden toen ook de kruiskozijnen weggenomen. In de lusthof verschijnen serres en een tuinpaviljoen, in de kadastrale legger omschreven als "broeikas" en "zomerhuis". Dit paviljoen zal twintig jaar later worden afgebroken en het perceelsgedeelte met de serres (B op de hier bijgevoegde kaart) werd in 1941 verkocht en van het domein afgesplitst. De afbraakwerken en verbouwingen van 1904 – het werk van Frantz de Viron (voluit François-Zénon-M.-G. de Viron, 1859-1926), ook eigenaar van het kasteel in het dorpscentrum en de laatste Dilbeekse de Viron – waren ingrijpend, maar bepalend voor het huidige aanzicht was een verbouwing in de jaren 1920.

Het meest in het oog springend vanaf de straat is de kapel van 'Onze-Lieve-Vrouw van Goed Nieuws', een kleine vierkante kapel, bekroond met een klokdak met een lantaarn en een kwartholle daklijst, en getooid met opvallende versieringen, zoals de getorste zuiltjes met engelenkapitelen en een schelpfronton. Deze kapel is niet ouder dan 1928; oorspronkelijk ging het om een eenvoudige nis, zoals blijkt uit een oude ansichtkaart. Uit deze ansichtkaart blijkt ook dat de vier rondbogen in de straatgevel van de dienstvleugel eveneens van recente makelij zijn, hoewel ze aan een authentiek koetshuis doen denken. De poorttoren met rondboogpoort en tentdak is het resultaat van de verbouwing van 1904, waarbij mogelijk oude elementen werden hergebruikt (vaasbekroningen boven de pilasters, wapensteen). Rond 1940 wordt de tuinzuide van het kasteel opnieuw geclassiciseerd. De middelste vijf traveeën in de op het zuidoosten en de tuin georiënteerde gevel worden verenigd onder een driehoekig fronton, dat veel breder is dan het vroegere. De bakstenen gevels zijn aan die zijde­ gewit.

Tijdens het interbellum werd ook de tuin aan­gepakt. Daarbij werden waarschijnlijk oudere elementen hergebruikt, bijvoorbeeld bestaande heuveltjes en ornamenten. In het zuiden van het domein (bijna op de hoek van de Ketelheidestraat en de Molenstraat) werd een nieuwe, monumentale toegang uitgebouwd: een smeedijzeren hek gevat in een trechter van met balustraden bekroonde muurtjes (C op de kaart). Het laantje, dat linea recta naar het middenrisaliet van het kasteel leidt, wordt geflankeerd door (momenteel in halve bollen) gesnoeide taxussen (Taxus baccata). Een tweede, oostwest gerichte as, die een hoek van 30 graden vormt met de nieuwe oprijlaan, vertrekt van het kasteel naar een met breukstenen muurtjes en tuinvazen gemarkeerde exedra aan de oostrand van het ­domein (D op de kaart). Deze zichtas wordt geflankeerd door twee kunstmatige heuvels: links een heuveltje met een terras omgeven door een balustrade en iets wat op een schandpaal lijkt; rechts een gebouwtje met spitsboograampjes (ooit met gekleurd glas), half ingewerkt in de helling van een heuvel, het geheel begroeid met klimop (Hedera helix) en kleine maagdenpalm (Vinca minor). De (onbekende) ontwerper van deze aanleg liet zich ongetwijfeld inspireren door de revival van de regelmatig-geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw, onder impuls van publicaties zoals de 'Traité général de la composition des parcs et jardins', 1879, van Edouard André en het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, de 'style Duchêne'. Sommige van deze elementen, zoals het gebouwtje met de spitsboogramen, dateren mogelijk uit de 19de eeuw. De bakstenen pergola, de minigolf en de rijbeplanting met hinokischijncipressen (Chamaecyparis obtusa) in het oostelijk gedeelte van het park dateren vermoedelijk ook uit het interbellum.

Merkwaardige bomen (Opname 17 juli 2001. Het cijfer in vet geeft de stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte.)

  • 1. ginkgo (Ginkgo biloba) 257
  • 4. tamme kastanje (Castanea sativa) 577
  • 6. tamme kastanje (Castanea sativa) 441
  • 7. tamme kastanje (Castanea sativa) 434
  • 17. tamme kastanje (Castanea sativa) 483
  • 20. Hollandse linde (Tilia x europaea) 370
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Dilbeek 1883/38, 1904/21 en 1928/24.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212 Dilbeek art. 384 nrs. 41 en 42.
  • Biographie nationale, (XXII), Bruxelles, Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 1914-1920, p. 108-109.
  • ANDRÉ E., L'art des jardins. Traité général de la composition des parcs et jardins, Paris, G. Masson, 1879.
  • DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 110.
  • DE RIDDER A., La noblesse belge. Annuaire de 1920-1930, (2° partie), Bruxelles, Librairie nationale d'Art et d'Histoire, 1931, p. 189.
  • DE STEIN D'ALTENSTEIN I., Annuaire de la noblesse de Belgique, (4° année), Bruxelles, A Decq – C. Muquardt, 1850, p. 198-199.
  • DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe.
  • JELLICOE G. e.a., The Oxford companion to gardens, Oxford, New-York, Oxford University Press, 1986, p. 204-205.
  • VAN CAUWELAERT J.P. & GEZEL E., Geschiedkundige schetsen der gemeente Dilbeek, in Contactblad 2(1), 1978, p. 45.
  • VERDOODT F., Beknopte geschiedenis van Dilbeek, in Eigen Heem, 1971, nr. 3, p. 71.

Bron     : DENEEF, R., 2005: Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Pajottenland - Zuidwestelijk Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Rombauts, Nele, Wijnant, Jo
Datum  : 2005


Relaties

  • Is deel van
    's Gravenhuis

  • Is deel van
    d'Arconatistraat


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Tuin van het 's Gravenhuis [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/134715 (Geraadpleegd op 21-04-2021)