erfgoedobject

Historische stadskern van Oud-Rekem

archeologisch geheel
ID: 140053   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140053

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

Oud-Rekem is in de Maasvallei gelegen, net ten zuidoosten van het Kempisch Plateau. De historische kern ligt net ten westen van de Zuid-Willemsvaart en minder dan 1,5 km ten westen van de huidige loop van de Maas. Het bovenste deel van de bodem bestaat grotendeels uit door de Maas afgezette zandleem. Net ten noorden van de archeologische zone zijn restanten van een oude Maasmeander aanwezig. Op het gewestplan is de kern van Oud-Rekem aangeduid als woongebied met cultureel, historische en/of esthetische waarde. De noordwest- en noordoostzijden zijn als gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut ingekleurd, met cultureel, historische en/of esthetische waarde. De zuidzijde is tenslotte aangeduid als parkgebieden met cultureel, historische en/of esthetische waarde. De volledige oude kern van Rekem werd in 1994 als stadsgezicht beschermd, en 23 gebouwen en structuren erin als monument.

Archeologische nota

Archeologische resten ouder dan de middeleeuwen zijn tot dusver nauwelijks gekend binnen de historische stadskern van Oud-Rekem. Slechts enkele prehistorische werktuigen in silex en een enkel Romeins scherfje werden gevonden bij opgravingen op de vroegere locatie van de Sint-Pieterskerk (Rondelez 1996). De oppervlaktevondst van Romeinse dakpannen net ten zuiden van de historische kern wijst mogelijk op lokale bewoning in deze periode (vondstmelding B. Emons).

Rekem was een vrije rijksheerlijkheid, die Rekem zelf en het gehucht Wezet (thans Daalwezet en Bovenwezet) omvatte. De oudste vermelding is in 1140 als Radekeim en in 1143 als Radenchen. Vermoedelijk is het een samentrekking van de Germaanse persoonsnaam Rado en -ing of -heim (woonplaats). In de 13de en 14de eeuw werden Uikhoven en Boorsem toegevoegd. In 1356 werd de plaats verheven tot rijksbaronie en in 1623 tot graafschap. In het ancien régime functioneerde Rekem als een echt vorstendom met eigen munt, leger en tolkantoor (Verbois 1972).

Door de nabijheid van de stad Maastricht had Rekem gedurende de verschillende oorlogen van de 16de tot de 18de eeuw zwaar te lijden door plunderingen, inkwartieringen en opeisingen van de verschillende legers. Vanaf 1795-1796 was Rekem kantonhoofdplaats van een zestal gemeenten, en in 1802-1849 een ontvangstkantoor voor de rijksbelastingen (Verbois 1972).

De Sint-Pietersparochie is vermoedelijk van Karolingische oorsprong. De eerste kapel (989) bevond zich binnen de muren van het kasteel. Deze werd in 1231 vervangen door een kerk en het patronaat werd in 1232 door de heer Dirk van Bronckhorst-Batenburg aan de abdij van Hocht geschonken. In 1261 werd het patronaat van de kerk overgemaakt aan het norbertinessenklooster, net ten zuiden van de stadswallen gevestigd van 1140 tot 1795 (Verbois 1965). Dit klooster is niet meer bovengronds zichtbaar, maar er werden resten van kloostergebouwen en een kerk opgegraven (Claassen & Janssen 1979). Pas in 1707 werd, op de huidige locatie buiten de kasteelmuren, de bouw van de huidige Sint-Pieterskerk gestart (voltooid in 1722).

Zowel het kasteel D'Aspremont-Lynden en de eerste Sint-Pieterskerk vormden het onderwerp van opgravingen, waardoor verschillende vroegere fasen gedocumenteerd zijn (Rondelez 1996; van de Konijnenburg 1987a; van de Konijnenburg 1987b). De buitenzijde van laatste fase van het kasteel werd gerestaureerd, terwijl de resten van vroegere fasen in de kelder bezocht kunnen worden.

In de tweede helft van de 19de eeuw verloor Rekem zijn betekenis ten voordele van Maasmechelen en evolueerde tot een kleine landbouwgemeente.

De huidige oude stad vertoont een vrij onregelmatig dambordschema. Het kasteel van Rekem ligt aan het oostelijk uiteinde. Onmiddellijk ten westen hiervan bevindt zich het voormalige marktplein, met de huidige Sint-Pieterskerk. De stad was voorzien van een drieledige omwalling. De eerste omwalling dateert van 1607 en omvatte het domein van het kasteel en de huidige Kanaalstraat. Van deze versterking blijft een gedeelte van de grachten en de Uikhoverpoort bewaard (Janssen 1979).

De tweede omwalling, opgetrokken door graaf Ernest d'Aspremont-Lynden in 1625-1630, ommuurde de hele stad. Op basis van deze omwalling, zoals zichtbaar op het gereduceerd kadaster, werd de archeologische zone afgebakend. In de westzijde bevond zich de Sint-Pieterspoort, aan de noordzijde de Kasteelpoort, aan de zuidzijde de Nonnenpoort, en aan de zuidwestoek de Maastrichterpoort. Van de Sint-Pieterspoort en Maastrichterpoort werden archeologische resten aangetroffen (Vanderbeken 2010; Janssen 1979). Als bijkomende versterking voor het kasteel liet graaf Ferdinand d'Aspremont-Lynden tussen de eerste twee muren in 1638 een derde wal bouwen, waarvan resten in de Schijfstraat bovengronds bewaard zijn, evenals vermoedelijke resten van de ertoe horende Rappepoort (Janssen 1979). Alle wallen waren eveneens voorzien van een grachtensysteem, waarvan op verschillende plaatsen delen bewaard zijn. De muren worden tussen 1821 en 1836 grotendeels afgebroken, maar de oude structuur blijft vrij gaaf bewaard in het huidig stratenpatroon.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naargelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdend met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimten tussen de bebouwde kern en strategische elementen, zoals de rivieroever, worden opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Waardering

Beschrijving van inhoudelijke erfgoedwaarden (optioneel)

* Wetenschappelijk potentieel: De mate waarin de afgebakende archeologische zone kan bijdragen tot nieuwe kennisontwikkeling over het verleden.

* Archeologische en/of landschappelijke context: De meerwaarde op grond van de (ruimere) archeologische en/of landschappelijke context waarin de afgebakende archeologische zone zich bevindt.

* Representativiteit: De mate waarin de afgebakende archeologische zone kenmerkend is voor een bepaalde geografische regio en/of periode (voorbeeldfunctie).

* Zeldzaamheid: De mate waarin de afgebakende archeologische zone uniek is binnen een bepaalde geografische regio en/of voor een bepaalde periode.

Beschrijving van belevingswaarden (optioneel)

* Waarneembaarheid: De mate waarin de afgebakende archeologische zone visueel herkenbaar is in het landschap en nog een band heeft met de zichtbare omgeving.

* Herinnering: De mate waarin de afgebakende archeologische zone voor een gemeenschap een herinnering oproept aan het verleden.

Aanbevelingen voor de aanpak bij (voor)onderzoek of bij in situ beheer (optioneel)

* Wat zijn aandachtspunten bij onderzoek in deze zone?

* Welke methodiek wordt het best aangewend bij terreinonderzoek?

* Zijn er latente bedreigingen (vb. landgebruik, erosie) en eventueel aanbevelingen in dit verband?

Bibliografie

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20.000.

CLAASSEN A. & JANSSEN L. 1979: De kerk van het Norbertinesserklooster te Rekem, Het oude land van Loon 34, 35-68.

ENGELEN F. 1996: Even de Maas over! Archeologie in Limburg 70, 64.

JANSSEN L. 1979: Stadsplan van Rekem, Limburg LVIII 4, 177-178, plan 2.

REMANS A. 1958: Urbanisatie te Rekem in de XVIIe eeuw, Limburg 37, 49-58.

RONDELEZ P. 1996: De Sint-Pieterskerk van Rekem tot 1704. In: CREEMERS G. & VANDERHOEVEN A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg, Limburg. Het oude land van Loon 77/1, 21-52.

SCHLUSMANS F. 1996: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Bilzen – Maasmechelen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N3, Brussel - Turnhout.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-rapport 5, Brussel.

VAN DE KONIJNENBURG R. 1987a: Het kasteel d'Aspremont-Lijnden te Rekem, Archaeologia Belgica 3, 237-239.

VAN DE KONIJNENBURG R. 1987b: Rekem, kasteel d'Aspremont-Lynden (Limb.), Archaeologia Medievalis 10, 20-21.

VANDERBEKEN T. 2010: Rekem (Lanaken): Sint-Pieterspoort, Het Oude Land van Loon 88/1, 12-13.

VERBOIS R. 1965: Geschiedenis der kerken, kloosters en kapellen van Rekem, Rekem.

VERBOIS R. 1972: Geschiedenis van Rekem en zijn keizerlijk graafschap, Rekem.


Bron     : AZ-dossier
Auteurs : Van Gils, Marijn
Datum  : 2014


Relaties

  • Is deel van
    Rekem
    Rekem (Lanaken)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Historische stadskern van Oud-Rekem [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140053 (Geraadpleegd op 27-05-2019)