Bandkeramische site van de Keiberg

inventaris archeologisch erfgoed \ archeologische zone

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Riemst
Deelgemeente Vlijtingen
Straat
Locatie Vlijtingen (Riemst)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • AZ-project Bandkeramische sites (bureauonderzoek, inventarisatie: 2010 - 2016).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Algemene situering

De Keiberg is een plateau gesitueerd ten westen van het dorp van Lafelt, en ten oosten van het dorp van Vlijtingen. De hoogste punten van het plateau situeren zich op ca. 94 m TAW. Ten zuidwesten, westen, noorden en oosten wordt het plateau begrensd door fossiele dalen gekenmerkt door de aanwezigheid van colluvium op de bodemkaart, die ‘draineren’ naar het dal van het Hezerwater. Op het plateau zelf heerst naar de bodemkaart de bodemserie Aba (droge leembodems met textuur b horizont). Op het plateau vonden verschillende opgravingscampagnes plaats, enerzijds op een Bandkeramische site (Lineaire Bandkeramiek/ LBK), waarbij naast deze neolithische site ook ijzertijdsporen werden geregistreerd. Anderzijds werden opgravingen uitgevoerd naar aanleiding van de aanleg van een aardgasleiding, waarbij vnl. Romeinse sporen werden vastgesteld. Tenslotte werd ook metaaldetectie op het plateau uitgevoerd, waarbij vondsten aan het licht kwamen die vermoedelijk te relateren zijn aan de zgn. ‘Slag bij Lafelt (1747)’.

Archeologische nota

Op het plateau van de Keiberg zijn verschillende archeologische sites gekend: 1) de opgraving van een gedeelte van de Bandkeramisch site, waarbij eveneens ijzertijd- en Romeinse sporen werden aangetroffen (cf. infra 1); 2) de opgraving van eveneens ijzertijdsporen en een gedeelte van een Romeinse villa tijdens de aanleg van een aardgasleiding in 1999 (cf. infra 2); 3) een aantal andere vondsten (cf. infra 3).

1 Opgravingen op de Bandkeramische site

Historiek van het onderzoek: De site werd aangetroffen in mei 1961, door het uitgraven van een “wortelkuil”. Daaropvolgend vonden op de site 4 opgravingscampagnes plaats. Drie van 1961 tot 1963 door het PGRM te Tongeren, en één in 1978 door de KU Leuven en de gemeente Riemst (Marichal 1982; Marichal et al. 1987; Vanderhoeven 1978). Tijdens deze opgravingen werden sporen en structuren van drie periodes opgetekend: vroegneolithicum, ijzertijd en Romeins.

Bandkeramiek: Op de site werd een vrij groot aantal paal- en afvalkuilen aangetroffen. Het meeste aangetroffen materiaal is afkomstig uit de afvalkuilen. In de aanwezige paalsporen werden de restanten van vermoedelijk zes verschillende Bandkeramische gebouwen herkend. Door de aanwezige erosie en de fragmentarische aard van de opgravingen kon hierin echter geen duidelijk verband herkend worden. Daarnaast werden 48 Bandkeramische afvalkuilen opgetekend. Het meeste gerecupereerd materiaal is afkomstig uit deze afvalkuilen. Het betreft voornamelijk vuurstenen artefacten (1831 stuks), artefacten uit andere steensoorten (214), versierd en niet versierd aardewerk (2675), faunaresten, en houtskool. Daarnaast werden ook enkele macroresten van planten gevonden, deze zijn echter mogelijk te interpreteren als afkomstig van recente contaminatie. Een 14C analyse op één van de houtskoolfragmenten gaf een datering van 6160 +/-95 BP. Een gedetailleerde analyse van het vuursteenmateriaal en het aardewerk wordt geboden in Marichal et al. 1987. Vermeldenswaard voor wat betreft het aardewerk is de aanwezigheid van een klein aantal scherven dat tot het zgn. Limburg-aardewerk kan gerekend worden. Aan de hand van het versierde aardewerk is gepoogd de site van de Keiberg chronologisch onder te brengen, wat erop wijst dat voornamelijk de jongere fasen (Ic/d, IIa,b,c,d) lijken vertegenwoordigd te zijn (Marichal et al. 1987, 71-73). De faunaresten omvatten ten slotte slechts een kleine hoeveelheid verbrand bot en tandemail, afkomstig van rund, geit of schaap, en tenslotte varken. Veldprospecties toonden aan dat de LBK-site zich uitstrekt tot aan de andere zijde van de weg Vlijtingen-Lafelt (Marichal et al. 1987, 6).

IJzertijd: De aangetroffen ijzertijdkuilen (Vanderhoeven 1978) lagen verspreid over het hele terrein, te onderscheiden van de Bandkeramische door een andere vulling (lichtgrijs i.t.t. de LBK-kuilen: “zwarte glibberige vulling”). Het gaat in totaal om een achttal kuilen waaruit vnl. aardewerk werd gerecupereerd, naast ‘houtas’ en verbrande leem. Verschillende van de kuilen oversneden LBK-kuilen zodat materiaal van deze soms werd opgenomen in de vulling van de ijzertijdkuilen. Het aanwezige aardewerk is niet nader te dateren dan in de ijzertijd.

Romeinse periode: Naast de Bandkeramische en ijzertijdsporen kwam ook een ‘funderingsgracht’ te voorschijn die gevuld was met dakpanfragmenten en silexbrokken. Deze wordt geïnterpreteerd als zijnde afkomstig van een bijgebouw van een Romeinse villa (Vanderhoeven 1978, 5). In dezelfde publicatie wordt de locatie van een Romeinse villa aangeduid op basis van aangetroffen oppervlaktevondsten, ongeveer 250 m naar het NNW. Het is in deze zone dat bij de aanleg van het Distrigastraject twee bijgebouwen van een Romeinse villa werden aangetroffen (cf. infra 2).

3.2 Opgravingen op het Distrigas traject Historiek van het onderzoek: Het onderzoek werd uitgevoerd in 1999 naar aanleiding van de aanleg van de Distrigasleiding Oupeye-Lanaken (Ervynck et al. 2002; Pauwels et al. 2002). Over een afstand van ca. 125 m werd een gedeelte van een ijzertijdnederzetting aangesneden en het bedrijfsgedeelte (pars rustica) van een Romeinse villa.

De ijzertijdsporen: In totaal werden elf kuilen daterend uit de ijzertijd opgetekend, zes komvormige ondiepe uitgravingen, en vijf klokvormige ‘afgedankte graansilo’s’. Het aangetroffen aardewerk dateert globaal uit de tweede helft van de midden ijzertijd (ca. 375-250 v.C.).

Romeinse periode: Er werden twee stenen bijgebouwen van een villa opgegraven, ongeveer op de plaats waar eerder al een Romeinse villa werd aangeduid a.d.h.v. oppervlaktevondsten (cf. supra). Beide steenbouwen werden voorafgegaan door een houtbouwfase, een opeenvolging van tweeschepige woonstalhuizen. Van één van de steenbouwen waren enkel de uitbraaksporen van twee rechthoekige vertrekken en een klein vierkant vertrek bewaard. Van het andere gebouw werd een gedeelte van een kelder aangetroffen. De verschillende bouwfasen zijn chronologisch te situeren van de 1ste tot de 3de eeuw. Opvallend was ook de aanwezigheid van wat als een rituele kuil uit de eerste helft van de 1ste eeuw wordt geïnterpreteerd, met o.a. vrij veel dierenbot in de vulling. Tenslotte werd er op twee plaatsen de restanten van een V-vormige gracht uit de 4de eeuw aangetroffen. De bewaring van de verschillende sporen wijst erop dat het terrein door relatief zware erosie werd aangetast (Groenendijk & Meijs 2002). 3 Andere waarnemingen De andere vondsten op het plateau zijn voornamelijk te relateren aan de metaaldetectieactiviteiten van de heer D. Stulens die deze vondsten meldde aan de intergemeentelijke dienst ZOLAD+. De meeste vondsten zijn musketkogels en andere ‘subrecente’ metalen vondsten. Mogelijk is een gedeelte hiervan te relateren aan de zgn. ‘Slag bij Lafelt (1747)’. Daarnaast werd in het kader van een doctoraatsverhandeling nog een veldkartering uitgevoerd in 1979. Hierbij werden dakpannen en silexbrokken aangetroffen, wellicht te relateren aan de verschillende andere waarnemingen van Romeinse vondsten en structuren (cf. 1 & 2) (Duurland 2000). De juiste lokalisatie van deze vondsten is echter niet gekend.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

*Evaluatie van de bewaringstoestand

De opgravingsverslagen op de LBK-site (cf. supra 1) vermelden dat hogerop de helling en op het plateau de sporen grotendeels zijn aangetast door erosie. De aanwezige sporen bevinden zich dan ook direct onder de ploeglaag. Een vrij groot aandeel van het archeologisch vondstenmateriaal is aangetroffen in het colluvium aan de voet van de helling. De vrij hoge mate van erosie wordt bevestigd door de waarnemingen tijdens het Distrigasonderzoek van 1999 (cf. supra 2). Hier waren de Romeinse sporen in grote mate getrunceerd door de erosie. Uiteraard is de Distrigasleiding op zich eveneens verantwoordelijk voor een gedeeltelijke, lineaire, verstoring op het plateau. Daarnaast is op het hoogste punt van het plateau, ten noorden van de LBK-opgraving, een hoeve ingeplant, die ongetwijfeld eveneens een gedeelte van de site heeft verstoord.

Qua organisch materiaal werden bij de verschillende opgravingen slechts een kleine hoeveelheid verbrand bot en tandemail aangetroffen. De gerecupereerde plantenresten zijn te interpreteren als afkomstig van contaminatie. Bewaring van Bandkeramische plantenresten zoals zaden of fossiele stuifmeelkorrels (pollen), is in de aanwezige pedologische omstandigheden nagenoeg uitgesloten. Misschien enigszins verrassend, in de gegeven pedologische omstandigheden, is er in de aanwezige Romeinse sporen wel bot bewaard gebleven. Wellicht is het niveau waarop dit bot werd bewaard te relateren aan het niveau van de kalkaanrijkingshorizont.

*Motivatie voor afbakening

De aanwezigheid van de Bandkeramische nederzetting, alsook die van de aangesneden Romeinse bewoning, is nauw gelieerd met de topografische locatie van de zone. Als afbakening wordt dan ook de begrenzing van het plateau gehanteerd, met inbegrip van de plateauhellingen.

BAKELS, C. 1982: The settlement system of the Dutch Linearbandkeramik, Analecta Praehistorica Leidensia 15, 31-45.

DE LAET, S.J. 1953: Nouvelles données sur la culture omalienne, Archeologie 1953.1, 120.

DUURLAND, M. 2000: Romeinse vindplaatsen in het landelijke gebied tussen Tongeren en Maastricht. Een inventarisatie en periodisering, onuitgegeven proefschrift, Universiteit van Amsterdam.

ERVYNCK, A., PAUWELS, D., VANDERHOEVEN, A. & VYNCKIER, G. 2000: Romeinse nederzettingen op het Distrigastraject tussen Oupeye en Lanaken (Limburg) In: LODEWIJCKX, M., DE BOE, G. & THOEN, H. (red.), Romeinendag Leuven - 19 maart 2000, 41-42.

LUX, G.V. 1957: De vroegste geschiedenis van Rosmeer, Het Oude Land van Loon 12, 5-36.

LUX, G.V. 1964: Bandceramiek in de noordoost-hoek van Haspengouw, Archeologie 1964.1, 8-10.

LUX, G.V. 1966: Rosmeer: bandceramiek, Archeologie 1966.2, 79.

MARICHAL, H. 1982: Bandkeramiek te Vlijtingen - Kayberg (prov. Limburg - België), Notae Praehistoricae 2, 97-98.

MARICHAL, H., VERMEERSCH, P.M. & VANDERHOEVEN, A. 1987: Bandkeramiek te Vlijtingen, Kayberg, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 33, Tongeren, 1-106.

MODDERMAN, P.J.R. 1970: Linearbandkeramik aus Elsloo und Stein, Analecta Praehistorica Leidensia 3, Leiden.

NOTEBAERT, B., GOVERS, G., VERSTRAETEN, G., VAN OOST, ., RUYSSCHAERT, G., POESEN, J. & VAN ROMPAEY, A. 2006: Verfijnde erosiekaart Vlaanderen - Eindrapport, onuitgegeven rapport, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ANIMAL.

ROOSENS, H. 1954: Rosmeer (Limb.), Archeologie 1954.2, 433.

ROOSENS, H. 1955: Rosmeer (Limb.), Archeologie 1955.1 , 136.

ROOSENS, H. 1958: Rosmeer (Limb.): Bandkeramiek, Archeologie 1958.1, 126-128.

ROOSENS, H. 1958: Rosmeer (Limb.): Bandceramiek, Archeologie 1958.2 , 412-413.

ROOSENS, H. 1960: Rosmeer (Limburg), Archeologie 1960.2, 416.

ROOSENS, H. 1961: Rosmeer: Bandkeramische nederzetting, Archeologie 1961.2 ,519-520.

ROOSENS, H. 1962: Gebouwen van een bandkeramische nederzetting op de Staberg te Rosmeer, Archaeologia Belgica 61, 121-144.

ROOSENS, H. 1963: Rosmeer: Bandkeramische nederzetting, Archeologie 1963.2 ,65.

ROOSENS, H. & Lux, G. 1969: Een nederzetting uit de IJzertijd op de Staberg te Rosmeer, Archaeologia Belgica 109, s.p..

VAN BERG, P. & HAUZEUR, A. 2001: Le Néolithique ancien, Anthropologica et Praehistorica 112, 63-76.

VANDERHOEVEN, M. 1963: Vlijtingen, Archeologie 1963.1, 9.

VANDERHOEVEN, M. 1978: Sporen van een nederzetting uit de ijzertijd op de Kayberg te Vlijtingen, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 24, Tongeren.

VANDERHOEVEN, A. & CREEMERS, G. (red.) 2002: Lafelt (Riemst): nederzetting uit de ijzertijd en bijgebouwen van een Romeinse villa op het Distrigas-traject, Limburg. Het Oude Land van Loon 81.4, 297-300.

VANDERHOEVEN, A. & CREEMERS, G. (red.) 2002: Riemst: erosie in Vlaams Haspengouw, Archeologische kroniek van Limburg 1999 81.4, 303-305.

VAN WIJK, I. & MEURKENS, L. 2008: Tussen Graetheide en Heeswater. Nieuw zicht op de bandkeramische bewoningsgeschiedenis van de Caberg bij Maastricht (NL), Notae Praehistoricae 28, 73-86.

VYNCKIER, G., VANMONTFORT, B. & VANDERBEKEN, T. 2009: Een nieuwe site uit de bandkeramiek te Riemst - Toekomststraat (Prov. Limburg, B), Notae Praehistoricae 29, 77-80.

Bron: AZ-dossier

Auteurs: Meylemans, Erwin

Datum tekst: 2016

Relaties

maakt deel uit van Vlijtingen

Vlijtingen (Riemst)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.